KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE WAARHEID VAN DE BIJBELSCHE VERHALEN. (2)
Als Gereformeerden aanvaarden wij den Bijbel als het onfeilbaar Woord van God. En daarom juist willen wij den Bijbel omtrent zichzelf laten getuigen. Laat de Bijbel zelf maar zeggen of hij wil, dat we, het geen beschreven staat, als mythe, sage, legende, verzinsel of gelijkenis zullen beschouwen en aanvaarden, of dat we hetgeen verhaald wordt zullen nemen als werkelijk gebeurd? En dan is er voor ons geen twijfel wat betreft de vraag : Wat de Bijbel zelf wil. (2 Petr. 1 vers 19, 20).
Want de Bijbel wil volstrekt niet den indruk geven dat het een boek van eigen vinding is, vol sprookjes, om ons in sprookjesvorm allerlei mooie zedelessen te geven of door legenden allerlei godsdienstige waarheden voor te dragen. Héél anders zegt de Bijbel het zelf. De Bijbel wil ons historie geven, werkelijkheid meedeelen, opdat we in de historie Gods gangen zullen zien en Gods daden zullen opmerken, en Gods Woord zullen ontvangen, zooals Hij door de geschiedenis — in de heilsgeschiedenis vooral — tot ons spreken wil.
Nog eens : onhistorische verhalen kunnen natuurlijk heel stichtelijk zijn ; mythen en gelijkenissen kunnen heel leerzaam zijn ; ook zedelijk en godsdienstig wel veel ons te zeggen hebben.
Maar daar gaat het niet om. Het gaat er om wat de Heliige Schrift zelf ons voorlegt : verhaal, historie, werkelijkheid — of mythe, sage, legende ? En het antwoord is niet onzeker. De Heilige Schrift zelf geeft het ons als werkelijkheid.
Veelal zijn de bezwaren, die men tegen de historie, tegen de werkelijkheid der feiten inbrengt, van rationalistischen aard en oorsprong. Het verstand, de menschelijke rede maakt bezwaren ! Het verstand zegt dan : onwaarschijnlijk, onmogelijk !
En omdat de mensch met zijn verstand (men spreekt liefst van „gezond verstand") bezwaar maakt, moet het dan ook maar onwaar, onwaarschijnlijk, onmogelijk wezen !
Het zijn niet zoozeer exegetische gronden en bewijzen van uitlegkundigen aard, die aan den tekst zelve ontleend zijn, die men tegen de historiciteit der feiten inbrengt en aanvoert. Want heel de tekst staat juist op het standpunt, dat wat verteld wordt, historie en werkelijkheid is. Maar het zijn zuiver bezwaren van het verstand, dat weigert aan te nemen voor werkelijkheid en waarheid en mogelijkheid wat de menschelijke rede niet verklaren en niet begrijpen kan ! Wat boven het verstand uitgaat wordt onredelijk genoemd en onmogelijk verklaard en verzinsel of fabel geheeten.
Wanneer men echter leest wat er werkelijk staat en meegedeeld wordt met eenvoudige, klare woorden, dan kan men niet anders aanvoelen, dan dat de Bijbel ons verhaalt wat werkelijk is geschied, onder Gods voorzienig bestel in het midden van het volk, dat naar Gods Naam genoemd is. al is het vaak „wonderlijk".
Heel de geschiedenis in de Schrift is heilige geschiedenis.
En zoo komen ons ook maar niet losse brokstukken tegemoet, maar ten slotte zijn al de verhalen, al de boeken weer één, omdat God de eerste en hoogste gever en schrijver is. Het is één, omdat het uit en door den éénen waren God is !
Over de samenstelling, over de bijeenbrenging, over de verzameling van al de verhalen is ook Zijn oog gegaan. En als de Schrift in haar geheel in ongebrokenheid als één geheel voor ons ligt, — een verzameling van heilige boeken, maar toch ook weer één Boek, de Heilige Schrift, zijnde, — dan gelooven we, dat dit Gods werk is, het werk van Vader, Zoon en Heiligen Geest, om zoo het groote werk aller eeuwen te maken, Gode tot eer en den mensch tot zaligheid.
De Psalmen zeggen, dat de historie als werkelijk gebeurd zijnde, geschiedenis, en geen mythe is. De Nieuw-Testamentische geschriften geven de geschiedenis van het Oude Testament als werkelijk gebeurd zijn zeemonster, drie dagen en drie nachten. is een historische figuur, die afbeeldt wat later in werkelijkheid geschiedt met Jezus. En wie Hebreen 11 leest, wandelt door de historiegangen van oud-Israël, om daar te hooren van de groote daden Gods, van de levensgeschiedenis der vromen — alles, niet bedoeld als mythe, sage of fabel, maar alles ons vermeld als werkelijk gebeurd zijnde !
En als de „wetenschap" dan ook alles — of heel veel — wil verwerpen als niet werkelijk geschied zijnde, dan is het om oorzake, dat de menschelijke rede zegt: dit en dat kan immers niet werkelijk gebeurd zijn ; dat zegt ons immers ons gezond verstand wel, dat het onmogelijk kan zijn geschied
De menschelijke rede wil heerschen over de geschiedenis, óók over de „heilige geschiedenis".
En daarom is ook het aanvaarden van Gods Woord, het gelooven ook van de geschiedenis ons in Gods Woord beschreven, een daad, niet van het verstand, maar een daad des geloof s. Waarbij Gods Geest getuigenis geeft met onzen geest, dat Gods Woord waarachtig is.
Een daad des geloofs !
En dan komt hetgeen Gods Woord ons beschrijft en meedeelt als te zijn geschied in den loop der eeuwen, voor ons te staan in het bizondere licht, dat ons leert, dat het alles „heilige geschiedenis" is; geschiedenis, welke God Zelf heeft gewerkt in.betrekking tot Zijn volk Israël, en, de andere volkeren, en dan zóó, dat het heil des Heer en voor zondaren 't groote centrale punt vormt en de hoofdzaak is bij alles.
Heilige geschiedenis, waarin de belangrijke brokstukken voor de wereldgeschiedenis, ja bizonder voor Gods Koninkrijk, opgestapeld liggen.
Ieder, die Gods Koninkrijk zoekt en lief heeft moet daar beginnen, daar waar het Oude Testament tot ons komt met „de heiliga geschiedenis", door God Zelf gemaakt zijnde en beschreven.
Heel anders is die „heilige geschiedenis" van den Bijbel, dan de geschiedenis van Babel, Assur of Egypte. Het is waarlijk iets bizonders van God gewerkt en gegeven !
En daarom is het zoo jammer als er bij de studie van het Oude Testament met name, niet veel anders gedaan wordt, dan vragen : hoeveel schrijvers en redactors de hand gehad hebben in de samenstelling van het geheel. En de grootste blijdschap wordt bij die onderzoekers geboren, als men gevonden heeft hoe een boek, een hoofdstuk, een vers verdeeld en onderverdeeld kan worden in onderscheidene bronnen J, E, D, P, enz. enz., waarbij elke bron met een letter aangeduid wordt, om dan nog eens onderverdeeld te worden in J1 en J2, E1 en E2, enz. enz., zooals prof. Van Manen indertijd met smaak sprak van Paulus I, Paulus II, enz.
Men let meer op de litteraire problemen, dan dat men oog heeft voor „de heilige geschiedenis" — zooals Oud-en Nieuw Testament die als één geheel ons geeft.
Als één geheel. Want — als Hebr. 11 liegt, liegt het gansche Oude Testament. En als het Oude Testament legende geeft in plaats van geschiedenis, is Hebr. 11 en gansch het Nieuwe Testament er leelijk naast ! Dan zijn Abel, Henoch, Noach, Mozes, Abraham, Izaak, Jacob, Rachab, Ruth enz. weggevaagd van den aardbodem. Dan zijn Job, Jona, Micha, Daniël helden van een sprookje. Dan is alles weg. Dan zijn de groote lijnen der heilsgeschiedenis gefantaseerd!
Voor ons is de Heilige Schrift het Woord Gods, vol van de heilsgeschiedenis, alles uitloopend dwars door Israël heen, op Jezus Christus. Het is voor ons de te boek gestelde bizondere openbaring, die begint in het Paradijs.
En het veelvormige Woord Gods, in de onderscheidene tijden op velerlei wijze ons geopenbaard (Hebr. 1 vers 1) verdient onze aandacht, om de vormen van dat Woord om de deelen van dat Woord, om den groei van dat Woord na te gaan. De Gereformeerde, die Hebr. 1 vers 1 onder schrijft en geloovig aanneemt, mag zich van de studie van den gang der Gods openbaring en van het ontstaan van de Heilige Schriften niet afmaken. En het laatste woord is op dat gebied zeker nog niet gesproken !
Maar voor den Gereformeerde is de Heilige Schrift Gods Woord, de te boek gestelde bizondere openbaring, vol van de gangen Gods, vol van de wonderen des Heeren, waarbij Israël een bizondere plaats inneemt en alles uitloopt in de volheid des tij ds, wanneer Christus, de Zaligmaker der wereld, geboren wordt. Christus, die voor ons de Christus der Schriften is en in het gewaad der Schriften onder ons rondgaat en overal gepredikt moet worden.
Waar het ons om Christus gaat, gaat het ons om het Woord.
En waar het ons om het Woord gaat, gaat het ons om Christus !
Waarbij we geen Bijbel met mythen, legenden, sagen kunnen gebruiken, maar waarbij we moeten hebben den Bijbel als het te boek gestelde Woord Gods, bevattende de „heilige geschiedenis" door den God van hemel en aarde gemaakt en ons beschreven.
IN MEMORIAM *)
Hij lag, — een smarttrek op 't gelaat, na 't doorgestane lijden ;
maar op zijn voorhoofd gloorde een glans, getuigend van verblijden.
Hoe menigmaal heeft hij de rust van dezen stond begeerd,
't Aanhoudend lijden had sinds lang hem 's levens lust verleerd.
Oud was hij, en der dagen zat. Den leeftijd der zeer sterken heeft hij bereikt; en zoolang 't dag was, heeft hij mogen werken,
in 's Heeren dienst. De groote Dag des oogstes zal 't verklaren, hoe meen'ge ziel tot Jezus hij mocht leiden, al die jaren.
Hij smaakt de rust, die overblijft voor 't arme volk van God. — Arm in zichzelf, maar rijk in Hem, Die stierde heel hun lot.
Hoe wist hij in zijn prediking de teêre snaar te roeren, die Godgezinde harten aan de wereld kon ontvoeren, —
Als hij getuigde van het Lam dat wegdraagt 's werelds zonden ; en 't kleinste schaap nog mede nam, verbindend zijne wonden.
Hoe was zijn ziel vaak diep geroerd, vervuld van groot erbarmen, als hij de blijmaar' hooren deed aan Gods gelukkige armen.
Thans zwijgt die mond. — Toch spreekt hij nog
in menig dankb're ziel, waar — door zijn toegewijden dienst een zaad des Levens viel.
Vermoeide, rust nu van uw strijd, Rust aan Gods Vaderharte, en smaak de reine vreugden nu na lijdens bitt're smarte.
Rust op uw stede, tot de dag der dagen aan zal lichten, en Hij, Dien gij verkondigd hebt, zal naad'ren ten gerichte.
Rust van uw moeite en strijden uit, tot 't jongst bazuingeschal; Als des Archangels groot geluid U doen ontwaken zal.
Rust van uw moeite en strijden uit; ja, rust, en sluimer zacht, tot op dien stond. — En by uw stof waakt 's Heeren eng'lenwacht.
Lunteren, Febr. 1932.
*) Ter nagedachtenis aan ds. TH. G. C. RAPPARD, geboren te Zaandam, 14 Dec. 1852, overleden te Lunteren 1 Febr. 1932 ; in leven predikant bij de Ned. Hervormde Kerk. Achtereenvolgens in de gemeenten Op-en Neder-Andel, Zuilichem, Waarder, Mijnsheerenland, Bergambacht, Kesteren, Randwijk, Vuursche, Maartensdijk en Kootwijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's