De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
30) Zij was blij dat Jap was, zooals zij was : een flinke, eerlijke, ronde meid. Niet zonder gebreken — het moederoog zag ze wel — maar dan toch met een goed hart, en wat het voornaamste was, niet zonder belangstelling voor geestelijke dingen. Haar eenige begeerte voor het oogenblik is, dat zij haar hier nog eenige jaren in Kleiterp mag houden, om met raad en daad haar bij te staan op de kronkelwegen van het leven, waar vooral voor jonge meisjes zoovele gevaren liggen. Overigens geeft zij alles over in Gods hand, bij Wien ook haar kinderen veilig zijn. Het is dan ook uit de volheid van haar hart als zij straks zingt :
Wat zal ik met Gods gunsten overlaan, Dien trouwen Heer voor Zijn gena vergelden ?
'k Zal by den kelk des heils Zijn Naarr; vermelden. En roepen Hem met blijde erkent'nis aan.
„Wat voor geheimen ze hier naast hebben, weet ik niet", heeft Aaltje dien zelfden middag tegen Teunis gezegd, „maar buurvrouw laat niets uit over het bezoek van gisteravond, en ondertusschen zingt zij den heelen morgen het hoogste lied".
„Vrouw Mollema is immers altijd nog al vroolijk", heeft Teunis geantwoord, die in stilte wel eens wenscht, dat zijn vrouw dit ook wat meer deed en dan wat minder klaagde. Maar Aaltje heeft volgehouden, dat daar wat achter stak en zij het vroeg of laat wel gewaar zou worden.
Te begrijpen is het dan ook, hoe zij met nieuwsgierige blikken den buurman naziet, als hij dien zelfden avond tegen achten op z'n Zondagsch gekleed de deur uitstapt in de richting van „Grovestins".
„Daar heb je het al, óf ik het niet gedacht heb", is haar uitroep, en een boodschap voorgevend, gaat zij naar buiten om hem na te zien zoolang de gelegenheid zulks toelaat.
Intusschen is Mollema zelf niets op zijn gemak geweest. Hoe dichter het uur naderde waarop hij naar het Slot moest, hoe zenuwachtiger hij werd. Hij zou van avond maar geen eten hebben ; zijn maag was, geloofde hij, niet in orde.' Vrouw Mollema ; heeft evenwel net zoo lang gepraat tot er een stukje tarwe met koffie naar binnen ging. Toen heeft zij wat waschwater voor hem klaar gezet en hem zijn kleeren ge­geven.
Hij vond het knap vervelend, zoo midden in de week met zijn beste pak aan er op uit te gaan. 't Leek wel of hij op reis ging. Wat zouden de menschen wel niet zeggen. Maar dat alles gaf hem nu eenmaal niets. Hij kon toch niet in zijn blauwe kiel en met een gelapte broek naar 't Slot.; 't Was mooi, dat hij zich nog verkleeden kon. Het oog wilde toch ook wat hebben, en als hij daar in zijn werkpak aankwam, werd het op haar verhaald. Zóó had zijn vrouw gesproken en al pruttelende had hij toen zijn oude plunje uitgetrokken en verwisseld met een beter kleed.
Lachend had zij hem met 't half-hemdje geholpen en gezegd : „Nu moet je toch eens in den spiegel zien wat een nette man je bent".
Maar hij had gemeend, dat zij veel te veel koude drukte maakte en beweerd, dat hij liever op zolder zat dan op zulke karweitjes uit te gaan. Vervolgens had zij hem nog een flinken veeg over de glimmende jas gegeven en toen met een : „nu, goede zaken, en veel genoegen", uitgelaten, om daarna niet minder nieuwsgierig dan buurvrouw Aaltje de komende dingen af te wachten.
Het is de eerste maal, dat Mollema kennis maakt met het Slot. Wel is hij met zijn vrouw meermalen de oprijlaan van „Grovestins" opgewandeld, maar 't deftige huis, waar de adellijke familie tot in geslachten .gewoond heeft, zag hij nooit anders dan uit de verte.
Als hy door de groote poort met zware deuren, welke 's avonds gesloten worden, op het binnenplein komt, waar alleen de­ genen die een boodschap op het Slot te doen hebben, toegelaten worden, bonst hem het hart tegen de keel.
Midden in een breed grasperk, waarvan elk sprietje even lang, of beter gezegd, even kort schijnt te zijn, bevindt zich een keurig bloembed, in hetwelk de kunstige hand van den tuinder het veelkleurig familiewapen van de Van Sterrenburgh's heeft weten aan te brengen. Een hooge stoep, met lantaarnen ter weerszijden van den opgang en vervaarlijke leeuwenkoppen met koperen ringen in hun muilen, aan het eind der steenen leuningen, leidt naar de hoofddeur, die met breede koperen platen en banden beslagen is. Tal van grootere en kleinere ramen, alle in lood gezet, versieren den hoogen, breeden voorgevel, die van Frieschen baksteen opgetrokken is. Op den top staat een groote windwijzer aan een hoogen ijzeren stang, waar tevens bij bijzondere gelegenheden de vlag der Van Sterrenburgh's of de Nederlandsche driekleur wappert.
Dien mooien breeden stoep nu moet Douwe op. Eerst haalt hij zijn schoonen zwartbonten zakdoek nog eens te voorschijn en stijgt dan eindelijk naar boven. Voorzichtig haalt hy de bel over, die helder opklinkt in de ruime vestibule van het groote gebouw. Even later wordt de zware deur geopend door denzelfden huisknecht, die den vorigen avond hem de boodschap van den Jonker bracht en die hem thans voorgaat naar het vertrek van zyn heer. Zorgvuldig, zooals hy dat thuis gewoon is, veegt Douwe de voeten op de vloermat, welke hem echter voor dit doel veel te mooi lykt, en gaat vervolgens door een gang, die hem eindeloos lang schynt. Eindeiyk houden zy voor een der vele deuren stil. Een zachte tik op de deur wordt door een stem van binnen beantwoord, en het volgend oogenblik staat Douwe voor den Jonker in een vertrek, zóó weelderig ingericht, dat hy zyn vrouw later zei nooit te hebben geweten dat er zooveel moois in de wereld was.
Daarentegen is de Jonker de eenvoud zelf. Gekleed in een kort huisjasje, een pypje in den mond, zit hy te werken aan een tafel, waarop tal van papieren liggen.
Met een vriendelijken groet ontvang hij den bezoeker als deze wordt binnengelaten. Hy begrypt heel goed, dat Mollema beter thuis is in zyn eigen omgeving of op het veld, te midden van de vruchten of van de dieren, dan hier in huis, waar alles getuigt van weelde en overvloed.
„Kom, ben je daar al, Mollema, een man van de klok, zooals ik zie. Nu, daar houd ik zelf ook van. Ga zitten". Tegelyk wordt hem een stoel gewezen, die echter zooveel verschilt van zyn eigen zetel, waarin htj thuis gewoon is van de vermoeienissen van den dag te rusten, dat hy ternauwernood durft plaats nemen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's