De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

11 minuten leestijd

Vraag: Hoe komen Kaïn en Abel er toe om te offeren, wie heeft hun dat geleerd ; en wat is het onderscheid tusschen het offer van den een en van den ander ?
Antwoord. God Zelf zal Adam wel de inzetting van het offer gegeven hebben en Adam zal zijn kinderen op het offer hebben gewezen ; om op den Sabbath, of bij de inzameling van den oogst, of bij bizondere gelegenheden een offer aan God te brengen, in gehoorzaamheid aan Gods bevel en in aansluiting aan de behoeften des harten. Of is het offer niet geheel in overeenstemming met Gods wil en 's menschen behoeften ? Wil God niet alles op aarde aan den mensch geven, opdat de mensch er den Heere mee dient ? En als de Heere den mensch spreekt van zonde en oordeel, dan wil Hij hem ook gewagen van genadt en verzoening, waarbij de Heere den mensch in ootmoed smeekend tot Hem wil zien komen. Het offer past dus geheel bij de verhouding van den mensch tot God : 1. om den Heere het offer der dankbaarheid te brengen, om Hem te eer en ; en 2. om den Heere het smeekoffer te toonen, om Hem te smeeken om herstel van gemeenschap in den weg der verzoening, Hem aangrijpend en vasthoudend in Zijn beloften.
Dat moet met het hart gebeuren; met het hart, dat getuigt van dankbaarheid, dat aanbidt, dat smeekt, dat pleit op Zijn beloften. Als het hart er niet in zit, is het een niets waardig gedoe, om God wat in de hand te stoppen en door eigen werk alles goed te maken, om met looze kalk te pleisteren en ondoordacht, met een zondig en hoogmoedig hart te wanen, dat alles nu in orde is, terwijl het inderdaad niet in orde is.
Uitwendig ziet men dat niet. Maar de Heere ziet het harte aan. En het offer in oprechtheid gebracht heeft de Heere nog nooit veracht. Maar als het harte verre is, om de zonde en de wereld in onbekeerlijkheid vast te houden en te dienen, ver van God de weelde zoekend, veracht de Heere het schijn-offer dat in hoogmoed of in onbedachtzaamheid gebracht wordt. „Geef Mij uw hart" vraagt de Heere. En dan is er bij Hem geen aanneming des persoons, waarbij wij nu mogen staan bij het altaar, om in geloove te zien op Jezus Christus !
Vraag : Heeft 't bizondere beteekenis, dat de Heiland juist 12 Apostelen kiest ?
Antwoord. Ja. Uit de 12 zonen Jacobs is het volk van Israël, het bondsvolk, opgebouwd. De Heiland staat gereed, om uit de 12 Apostelen te doen uitgroeien het geestelijk Israël. De Kerk des Heeren zal gebouwd worden op 't fundament der Apostelen en Profeten ; de Kerk uit de Oude en de Kerk uit de Nieuwe bedeeling. In en door de 12 Apostelen zal de drieëenige God (3) van de vier hemelstreken, het Noorden en het Zuiden, het Oosten en het Westen (4) de Kerk der eeuwen saamvergaderen. Christus wil door het twaalftal God met de wereld en de wereld met God in verbintenis brengen ; Hij wil met dit twaalftal de wereld veroveren, om de Kerk den Heere toe te voegen als een eeuwig eigendom.
Vraag: Heeft Jezus dezelfde menschelyke natuur gehad als Adam, die door God geschapen is ?
Antwoord : Jezus, het. eeuwige Woord, heeft ons vleesch, heeft de echt menschelijke natuur aangenomen, zij het zonder zonde. . Maar niet in die heerlijke gestalte en hoedanigheid, waarin Adam haar droeg vóór den val; maar in dien verzwakten vorm, waarin de zonde haar bracht; dus met vatbaarheid voor het lijden, met angst en vrees voor het lijden ; met vatbaarheid voor den dood en angst en vrees voor den dood.
Vraag: In Joh. 17 vers 12 staat dat één (n.l. Judas) uit degenen, die de Vader aan Jezus gegeven heeft, is verloren gegaan. Hoe kan iemand, die door God aan den Heiland gegeven is, verloren gaan ? Allen die Hem gegeven zijn worden toch behouden en er zal er niet één gemist worden ?
Antwoord: Zeker en vast is, dat niet één van de uitverkorenen, van de gekenden des Vaders, van de schapen van Jezus zal verloren gaan. Gods voornemen is niet ijdel en Christus' werk is zonder gebrek. Maar in Joh. 17 vers 12 redeneert Jezus niet uit het standpunt van Gods besluit in de eeuwigheid, maar uit Zijn eigen waarnemingsstandpunt, als mensch in den tijd. En bij Zijn menschelijk waarnemen doet Hij deze ontdekking. Om het pijnlijke daarvan uit te drukken, gebruikt de Heiland juist deze woorden : „Uit degenen, die Gij mij gegeven hebt, heb ik niemand verloren, dan den zoon der verderfenis". Pijnlijk is Zijn menschelijke ervaring, dat zelfs een uit den meest intiemen kring verloren gaat!
Wat de Heiland al lang wist, maar wat nu door den kus van Judas openbaar en bezegeld wordt. Dat is óók een stuk van Jezus' lijden geweest: een van de gegevenen des Vaders valt uit en gaat verloren. De zoon der verderfenis. Met smart constateert Hij het droeve feit. Het heeft dus niets te maken met het besluit Gods van eeuwigheid over de gekenden des Heeren, maar met hetgeen valt waar te nemen in den kring van de intiemste vrienden, die de Vader aan den Zoon had toegevoegd voor Zijn levensweg op aarde. Ook daar nog : uitvallen en verloren gaan !
Zonder wedergeboorte — ook in den intiemsten kring geldt dat — geen ingang in het Koninkrijk Gods tot behoudenis ; maar uitvallen tot verderfenis. Die in den Zoon gelooft, zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben. Doch die den Zoon ongehoorzaam is, op dien blijft de toorn Gods tot verderfenis. Het wordt in menig leven gedemonstreerd, dat men nabij zijnde nog verre is en bijna behouden toch verloren gaat. Maar die den Heere in oprechtheid vreezen, mogen in den Heiland een algenoegzamen Zaligmaker bezitten en Hij is de Overste Leidsmslh en Voleinder des geloofs voor al Zijn zondig volk.
Vraag: Hoe moeten we ons verklaren, wanneer we b.v. in Genesis 6 vers 6 lezen van het berouw Gods ?
Antwoord : Dit is een anthropomorphistische spreekwijze. Dat wil zeggen : er wordt over God gesproken op een manier alsof Hij een mensch ware (anthropos= mensch). Dat gebeurt meer in de Heilige Schrift en dan steeds met de bedoeling om ons den Heere beter te doen kennen in Zijn Goddelijk Wezen. Zoo ook Genesis 6 vers 6. Alsof de Heere een mensch ware, wordt ons gezegd, dat, als terugslag op de boosheid der menschen, die een geheel anderen kant uitgaan als waartoe de Heere hen geschapen had (zie vers 5) het den Heere smart doet en het Hem berouwt of leed doet, dat Hij den mensch gemaakt heeft (vers 6). De verdorvenheid van den mensch doet bij den Heere smart opkomen en het is een oorzaak, dat Hij, de Heilige, Zich van zijn beelddrager afkeert. Als de mensch zich afkeert van zijn Maker, om het schepsel te eeren boven den Schepper, werkt dit bij den Schepper smart en droefheid, terwijl wij toch geroepen waren den Heere eere en vreugd te bereiden !
En als het dan tot een hoogtepunt komt (in de dagen van den Zondvloed) dan kan de Heere het niet langer gedoogen en Hij komt om Zijn straffen te doen gadeslaan. Zoo ook in de geschiedenis van Saul. Die is tot koning gemaakt, om God te dienen en het volk te regeeren in de vreeze Gods. Dan belooft de Heere hem Zijn gunst en zegen. Maar als Saul zich van den Heere afkeert en zich verkoopt aan den booze, dan komt er smart en berouw bij den Heere en als het komt tot het hoogtepunt, verwerpt de Heere Saul en verkiest Hij David. (1 Sam. 15).
Als we in dien zin dus bij den Heere van berouw lezen, hebben we nooit klein te denken van God, maar hebben we de hand in eigen boezem te steken. Want 't schepsel heeft zich dan weg te schamen voor God.
Als het aan óns lag, ware het beter geweest, indien de Heere deze wereld niet had gemaakt; en van onzentwege kan Hem nooit iets anders toekomen dan wat Hem moet smarten en tot droefenis bewegen, terwijl wij geroepen waren om Zijn vreugde en Zijn lust te zijn !
Gelukkig, dat de Heere in Christus Zijn lust aan Zijn volk heeft, wat Hem in der eeuwigheid niet zal berouwen.
Vraag: Wat is er aan te voeren tegen de leer van de wederoprichting aller dingen, in den zin, dat eens alle menschen „zullen zalig worden ?
Antwoord : De Schrift spreekt het overal tegen, gewagende van tweeërlei weg, van hemel en hel, van eeuwige vreugd en eeuwige rampzaligheid. Of dat dan Evangelie is ? blijde boodschap ? Als men de moeite wil doen om in te denken, wat Evangelie is, dan zal men moeten zeggen : ja ! Want het Evangelie Gods spreekt altijd van de blijde boodschap in het midden van een zondige wereld, dat er voor zondaren verzoening en verlossing is, dat er een hemel en zaligheid is, terwijl het oordeel en de hel verdiend is. Dat is de blijde tijding in deze smartwereld ; niet meer en niet minder. En dan is de zaligheid in Christus voor een iegelijk die gelooft. De blijde tijding is dus, dat in Christus zullen zalig worden allen, die in Hem gelooven. En die dat Evangelie brengen, moeten het brengen zoo als God het wil dat het gebracht zal worden. Wat hebben de menschen aan onze fantasieën, aan onze mooie dingen, die w i j hebben uitgedacht ? Immers niets ! En dat Evangelie Gods in Christus is zoo eeuwig heerlijk, dat het waard is alom gepredikt te worden. Tot dat Evangelie in Christus behoort onafscheidelijk, dat die den Zoon ongehoorzaam is onder den toorn Gods blijft. Zoo is er eeuwige rampzaligheid. En hoe die eeuwige rampzaligheid doorgemaakt zal worden ? Laten we er ditmaal slechts dit ééne van zeggen — en dat is héél belangrijk — de verlorenen, als zij - inzage krijgen in de geschiedenis van Gods liefde Evangelie in Christus, zullen ­ geen enkel verwijt kunnen doen ; en juist dat niet hebben van één grond van verontschuldiging, van één grond van verwijt ook, zal hun rampzaligheid zijn, gescheiden van God voor eeuwig.
Zóó loopen twee wegen door het leven, en ze loopen door tot in eeuwigheid en God zal in alles als God geopenbaard worden, als een God van liefde, als een God van heiligheid en waarheid, in Christus tot eeuwige zaligheid voor allen, die in Hem gelooven, buiten Christus tot rampzaligheid, voor allen die den Zoon ongehoorzaam zijn en blijven.
En dan geen roem eenerzijds, geen verontschuldiging en geen verwijt anderzijds. Genade hier, en eigen schuld door ongeloof ginds.
O ! dat we maar mogen zien wat we van nature missen en moeten hebben, opdat we onzen mond open doen en smeeken om wat ons ontbreekt.
Vraag: Is het waar, dat Luther het slecht vinden kon met den brief van Jacobus?
Antwoord : Luther heeft een tijd gehad, dat hij den brief van Jacobus niet wilde erkennen voor echt. Hij sprak van een strooien brief. Niets waard dus ! Hoe dat kwam ? Luther had genoeg van de goede werken en iemand die de goede werken aanprees stond bij Luther niet in de gratie. Hooi, stroo, stoppelen zijn 't! Luther ging dan ook in zijn verklaring van den Galatenbrief geweldig tegen de goede werken te keer. Daarom was die brief van Jacobus hem niet sympathiek ; Paulus was meer in den geest van Luther. En heftig als Luther was, sprak hij het ook op krasse manier uit, dat Jacobus z'n vriend niet was. Maar Luther vergiste zich. Want Jacobus is volstrekt niet met Paulus in strijd. De zaak staat zóó : Paulus veroordeelt de goede werken als grond voor de zaligheid ; absoluut waardeloos zijn ze dan, ook de allerbeste werken. Jacobus daarentegen prijst de goede werken als vruchten van den nieuwen levensboom des geloofs ; en dan zijn ze onmisbaar. Dat is het verschil. En zóó past het heerlijk bij elkaar. Als grond voor de zaligheid waardeloos, als vruchten der dankbaarheid noodzakelijk tot eere Gods, tot des naasten welzijn, tot eigen vrede en vreugd.
Gods Woord is ook hier weer bevonden volmaakt te zijn, om te wezen een lamp voor onzen voet én een licht op ons pad ! Neen ! Luther — gij hebt het toen niet bij 't rechte eind gehad, toen gij, in uw voortvarendheid. Jacobus' brief met den naam van „stroo-brief" bestempelde. Het is Gods stem die hier spreekt tot de geloovigen : „laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien en uw Vader, die in de hemelen is verheerlijkt worde".
Zoutend zout, lichtend licht te mogen zijn is het genadevoorrecht van de kinderen des lichts, die de Heere uit de duisternis overzette en van den dood bracht tot het leven. In den wijnstok Christus gemaakt tot levende ranken, mogen zij weten : zonder Hem kunnen wij niets doen, met Hem en in Hem is genade overvloedig ten leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's