STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN SLECHT BEGIN.
Het gaat met de opbrengst der Rijksmiddelen nog steeds in dalende lijn.
Dat de opbrengst der middelen over Januari 1932 bijna 12 millioen gulden ten achter bleef bij de gelijknamige maand van 1931, is niet wat in de eerste plaats verontrustend is, dit lagere cijfer was te verwachten, ook al is de tegenvaller wel wat heel groot. Maar wat ernstiger is, dat is het feit, dat de opbrengst over de vorige maand het bedrag van één twaalfde der raming voor 1932 niet kon bereiken. De opbrengst over Januari was zelfs niet minder dan 3, 5 millioen gulden lager dan over deze maand was geraamd geworden.
Neemt men nu in aanmerking, dat bij het vaststellen der middelen op het einde van het vorig jaar, toen de Rijksbegrooting aan de orde was, de opbrengst der middelen zeer voorzichtig is geraamd geworden en dat de uitgaven door deze inkomsten moeten worden gedekt, dan is een mindere opbrengst van 3, 5 millioen gulden in één maand een zaak van groote beteekenis, want door die mindere opbrengst komen de inkomsten bij de uitgaven ten achter.
Nu kunnen, wat Januari aan middelen te weinig opbracht, de daarop volgende maanden wel weer goed maken, doch rekening houdend met de financiëele crisis, die ons volk op dit oogenblik doormaakt, benevens de nog steeds toenemende werkloosheid, waardoor de inkomsten verminderen, zou het ook best kunnen gebeuren dat ook de opbrengst der middelen in de komende maanden tegenvalt.
De opbrengst der middelen over de maand Januari 1932, in vergelijking met de raming van dat jaar en de opbrengst over hetzelfde tijdvak van 1931, geeft in het Overzicht, dat op 16 Februari in de Staatscourant verscheen, deze cijfers : opbrengst der middelen over de maand Jan. 1932 — circa 31, 5 millioen gld.; over de gelijknamige maand van 1931 ruim 43 millioen gulden, terwijl één twaalfde der raming van 1932 een bedrag aangeeft van bijna 35 millioen gulden.
Uit deze cijfers, en ook uit hetgeen wij hierboven mededeelden, blijkt, dat de eerste maand des jaars een slecht begin gaf, wat ongetwijfeld voor de schatkist een tegenvaller is.
MOEILIJKE TAAK.
Is de regeertaak reeds in normale tijden tengevolge van de voortdurende splitsing der partijen en van de uiteenloopende gevoelens, die zich op politiek en maatschappelijk terrein voordoen, niet gemakkelijk, hoeveel te meer is dit op het oogenblik het geval, nu daarenboven de wereldcrisis het sociale en economische leven van ons volk ontwricht.
Het is schier niet anders dan critiek, wat men in onze dagen over het beleid van de regeering hoort.
De boer klaagt over den onhoudbaren toestand, waarin het bedrijf verkeert, de pachten zijn te hoog en de hypotheekrenten te drukkend. De handeldrijvende en de neringdoende middenstand ziet zijn inkomsten verminderen wegens de verminderde koopkracht van het publiek. De nijverheid is gedwongen haar zaken in te krimpen, omdat de bestellingen uitblijven. De arbeider zoekt te vergeefs naar werk. De werklooze acht zich misdeeld ter oorzake van de onvoldoendheid der steunmaatregelen.
Het is één en al klacht wat men om zich heen verneemt.
De schuld van dit alles ligt — zoo zegt men — bij de regeering, die den toestand niet goed inziet en met te weinig voortvarendheid te werk gaat.
Nu willen wij niet zeggen, dat de regeering niet meer zou kunnen doen dan op dit oogenblik gebeurt. Zij zal in den noodtoestand, waarin verschillende groepen van ons volk verkeeren, nog krachtiger maatregelen moeten treffen.
Maar om te zeggen, zooals men dikmaals hoort, dat de regeering in gebreke blijft om in den nood, waarin ons volk j verkeert, voorzieningen te treffen, is onbillijk.
Het Protestantsche Zuiden, dat aan enkele der hierboven genoemde klachten aandacht schenkt, geeft over wat de regeering reeds ter leniging van den nood deed, eenige beschouwingen, die wij met instemming hier laten volgen.
Wat den landbouw betreft — zoo zegt 't blad — zien we allereerst, dat de tarweteelt dit jaar gesteund zal worden met 11 a 12 millioen gulden. Met juistheid is dat bedrag niet op te geven, omdat het afhankelijk is van verschillende factoren, zooals de prijs van de tarwe en een al of niet overvloedigen oogst, maar in deze raming is daarmede rekening gehouden en zijn we aan den voorzichtigen kant. Nu kan men opmerken, dat deze som niet rechtstreeks komt uit 's lands kas, maar dat brengt geen wijziging in ons uitgangspunt, want deze steun moet worden opgebracht door de gemeenschap. De suikerteelt wordt gesteund met ƒ 14 millioen. Voor uitkeeringen ten behoeve van de aardappelmeelindustrie in de Veenkoloniën, uit te betalen in 1931 en zoo noodig in 1932, is bij suppletoire begrooting op 21 October 1931 aangevraagd ƒ 2 tot 4 millioen. Voor de vlasbewerking 1 millioen. Aan den tuinbouw in West-Friesland is een renteloos crediet verstrekt van ƒ 1 millioen.
Alles bijeen genomen, kunnen wij gerust zeggen, dat de Overheid land-en tuinbouw steunt dit jaar met ƒ 30 millioen. Voor wat nu de werkloozenzorg aangaat, komen we het eerst terecht bij de werkloozenverzekering. Derhalve bij de begrooting van Arbeid uitgetrokken voor steun in den vorm van Handel én Nijverheid, waarop bedragen staan, subsidiën aan den werkloozensteun ten bedrage van 100% van de bijdragen der leden, of meer dan die 100%, doordat de Regeering den reglementairen uitkeeringstermijn heeft verlengd of aan die verlenging haar goedkeuring heeft gehecht, zooals thans reeds voor 1932, voor de landarbeiders.
Deze bijdrage wordt voor de helft gedragen door het Rijk en voor de andere helft door de Gemeentekas. Op de begrooting is voor werkloozenverzekering het gewone bedrag aangevraagd van ƒ5.5 millioen, maar dit is veel te gering, zooals de Regeering zelf toegeeft. Voor 1931 is dit bedrag dan ook bij suppletoire begrooting reeds verhoogd met ƒ 7, 2 millioen, waarbij de minister zelfs nog verklaart, dat ook deze post maar een voorloopige schatting is. We zijn dus zeer aan den zuinigen kant, als we de bijdrage voor Rijk. en Gemeente IEDER stellen op ƒ6 millioen.
Tot zoover het Protestantsche Zuiden, dat ook nog een opsomming geeft van wat de regeering doet speciaal ten behoeve van de werkverschaffing en steunverleening aan de werkloozen.
Alleen willen wij ten aanzien van dit punt nog vermelden, dat de onder-voorzitter van den Volkenbond onlangs verklaarde, dat Nederland op het gebied van werkloozenzorg in deze tijden, den toets der critiek met andere landen schitterend kan doorstaan.
Uit hetgeen wij uit het bovengenoemde blad overnamen, blijkt Voldoende, dat de regeering niet stil zit. En het is goed, dit eens te constateeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's