De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

9 minuten leestijd

DE RIJKSFONDSEN.
Het blijkt zoo telkens wanneer ter voorziening in de vele nooden en behoeften van onze dagen een beroep moet worden gedaan op de overheidskassen, van welk een onschatbare beteekenis en waarde wel is de sociale wetgeving.
Wij hebben daarbij in het bijzonder het oog op de verschillende fondsen, die in den loop der jaren gevormd zijn geworden, om daaruit te kunnen bekostigen de uitkeeringen, welke behooren te worden gedaan bij ongevallen, invaliditeit en ouderdom.
Uit de laatste cijfers, die ons met betrekking tot de invaliditeits-en ouderdomsverzorging ten dienste staan, te weten die van 1 Januari 1931, blijkt, dat uit die fondsen op dien datum krachtens de invaliditeitswet 58223 personen, waaronder 16672 weduwen en 12225 weezen, benevens 87077 ouden van dagen rente genoten en daarenboven nog 132703 personen op grond van de ouderdomswet ouderdomsrente trok ken. Het totale bedrag, dat aan renteuitkeeringen alleen voor deze personen uit het invaliditeitsfonds moest worden beschikbaar gesteld, beliep over het jaar 1931 tegen de 40 millioen gulden.
Stel nu eens, dat de fondsen met betrekking tot de invoering van de invaliditeits-en ouderdomsverzorging niet bestonden en dus de genoemde 40 millioen gulden, plus de millioenen guldens die nog benoodigd zijn — en thans ook Inderdaad beschikbaar zijn voor de verzorging bij ongevallen, uit de overheidskassen zouden moeten komen, dan zal het een ieder toch wel duidelijk zijn dat in de huidige tijdsomstandigheden noch de rijksbegrooting, noch de gemeente-begrootingen meer sluitend waren te krijgen.

Inflatie stond dan voor de deur.
Of wel, de regeering zou moeten besluiten geen cent meer beschikbaar te stellen voor de leniging van den nood, waarin landbouw en nijverheid verkeeren.
Dat de regeering op dit oogenblik nog in staat is belangrijke bedragen ter beschikking te stellen om in allerlei behoeften te voorzien, dankt zij voor een niet onbelangrijk deel aan het bestaan der rijksfondsen, die de zorg van een groot aantal gebrekkigen, invaliden en ouden van dagen voor zijne rekening neemt en daarvan de Overheid ontlast.
Vandaar dat het een zegen is, dat deze rijksfondsen er zijn.
Het doet dan ook in dit verband wonderlijk aan, dat er nog heel wat menschen worden gevonden die de fondsen ter verzorging bij ongevallen, invaliditeit en ouderdom uit den booze achten en die niets liever zouden zien, dan dat onverwijld tot liquidatie dezer fondsen werd overgegaan.
Wij gaan op dit oogenblik niet in op de bezwaren die deze lieden hebben tegen het betalen van premie, uit welke gelden de fondsen moeten worden opgebouwd, evenmin zeggen wij iets over het beginsel, dat deze personen zijn toegedaan, dat voor 't geval zij die bij ongeval, invaliditeit of ouderdom over geen eigen vermogen beschikken en nooddruftig worden, zich dan maar tot de liefdadigheid hebben te wenden. Wij laten deze dingen thans rusten.
Het was alleen onze bedoeling om er de aandacht op te vestigen, dat, wanneer de regeering naar de inzichten van deze bezwaarden handelde, naast de economische crisis een financieele crisis zou komen, die ons volk in de grootste rampen zou storten.
Dat het in sommige gevallen, b.v. voor den landbouw, moeilijk gaat worden om de kosten van de sociale verzorging van het personeel te betalen, willen wij niet ontkennen. Toch moeten de moeilijkheden hier niet worden overschat.
Wij zijn het geheel eens met wat de heer Van den Heuvel, het antirevolutionaire Kamerlid, bij het landbouwdebat van de vorige week in de Tweede Kamer zeide : dat de regeering de landbouwbedrijven zóó moet steunen, dat deze in staat zijn de lasten, die op de bedrijven rusten, te dragen.
Deze raad lijkt ons van meer waarde en beteekenis te zijn dan die van hen, die aansturen op een financieele crisis, die ook den landbouw zou ten gronde richten.

WONDERLIJKE POLITIEK.
Eenigen tijd geleden schreven wij het een en ander over de gemeentepolitiek van Krabbendijke, een plaatsje in Zeeland, waar de coalitie tusschen Staatkundig Gereformeerden en Christelijk Historischen het voor het zeggen heeft.
Zooals wij toen mededeelden, bestaat de gemeenteraad van Krabbendijke uit 2 Staat kundig Gereformeerden, 2 Chr. Historischen, 2 Antirevolutionairen en de vrijzinnige oud-biirgemeester, de heer Welleman.
De burgemeester is Christelijk Historisch.
Nu deed zich, naar onze lezers zich zullen herinneren, bij de behandeling der begrooting in het najaar de moeilijkheid voor dat de posten der begrooting, die met assurantie, verzekering en pensioen-premie verband hielden, niet konden worden vastgesteld omdat de stemmen over deze posten staakten. De helft der coalitie, de Chr. Historischen, stemden vóór, de beide Staatkundig Gereformeerden tegen de posten. De Antirevolutionaire raadsleden, benevens het vrijzinnige raadslid, hielden zich bui­ ten stemming, wijl de minderheid van den Raad door de meerderheid stelselmatig buiten de zaken werd gehouden.
De coalitie moest het nu maar alleen opknappen.
De poging van den burgemeester, om den wagen weer in 't rechte spoor te brengen, mislukte, zoodat de toestand in Krabbendijke aldus werd, dat voor de gemeente eigendommen geen brandpremie meer werd betaald en de pensioen-premies van de gemeente-ambtenaren ongeïnd zouden blijven.
Intusschen waren Gedeputeerde Staten van Zeeland, van meening, dat de toestand in Krabbendijke zoó niet kon blijven.
Wij hebben dit relaas laten voorafgaan, om het woord thans te geven aan „De Zeeuw", die de vorige week over het wonderlijke Krabbendijksche geval dit vervolggedeelte schreef :
Men herinnert zich (zegt „De Zeeuw") hoe de Antirevolutionaire fractie door de meerderheid geheel werd uitgeschakeld, hoe in geen enkel opzicht met haar werd gerekend, met het gevolg, dat deze fractie, daarin gesteund door den heer Welleman, nu ook de meerderheid de volle verantwoordelijkheid wilde laten dragen, wat er toe leidde dat alle posten, op verzekering betrekking hebbende, van de begrooting werden geschrapt.
Om aan de hieruit voortvloeiende moeilijkheden te ontkomen, werd in een volgende vergadering voorgesteld de begrooting opnieuw aan de orde te stellen. De Staatkundig Gereformeerde leden werkten hiertoe mede, met de klaar blijkelijke bedoeling de verzekeringsposten, waartegen zij zelf principieel bezwaar hebben en die zij in strijd achten te zijn met Gods Woord, door de Antirevolutionaire leden op de begrooting te laten brengen.
Zooals vanzelf spreekt, bedankte de A.R. fractie onder deze omstandigheden voor de eer. Zij had geen behoefte om, terwijl zij zelf zonder meer terzijde wordt geschoven, de meerderheid uit het moeras te helpen en dan later nog het verwijt te hooren dat zij principieel op de verkeerde lijn is.
Nu kwam j.l. Dinsdag — daar Ged. Staten een dergelijke begrooting niet mogen goedkeuren — deze zaak opnieuw aan de orde.
En wat gebeurde nu ?
De Staatk. Gereformeerde wethouder, de heer Hirdes, verklaarde, dat nu Ged. Staten eischen dat genoemde posten op de begrooting worden gebracht — wat bij de behandeling van de begrooting toch óok al bekend was ! — de Staatkundig Gereformeerden onder protest voor bedoelde posten zouden stemmen.
Onder protest. Maar dan toch vóór. En dat voor een zaak, waarvan men niet nalaat te verklaren dat ze principieel verkeerd is en in strijd met Gods Woord.
Toen het er op aankwam, durfden deze heeren de consequentie van hun beginsel niet aan.
In plaats van zelf te doen wat ze van anderen eischen, n.l. vast te houden aan hun beginsel, wat er dan ook van moge komen, lieten ze hun principe los.
Geheel anders dan een Luther, die verklaarde: hier sta ik, ik kan niet anders.
Deze heeren kunnen wél anders, als hun politiek belang dat meebrengt.
Intusschen is nu wel duidelijk geworden waar het heengaat als de S.G.P., die zoo sterk is in het critiseeren, tot verantwoordelijk werk wordt geroepen.
Tot zoover „De Zeeuw".
Nu moet men intusschen de beide Staatkundig Gereform. raadsleden van Krabbendijke niet te hard vallen, want hun voorgangers in de Tweede Kamer brengen het er niet beter af.
Worden deze in de Tweede Kamer voor de verantwoordelijkheid gesteld, dan halen ook zij oogenblikkelijk bakzeil.
Een paar voorbeelden om dit toe te lichten.
De Volkenbond is volgens het gevoelen van de Staatkundig Gereformeerden een gruwelijke instelling, die 't best kan worden vergeleken bij den torenbouw van Babel, doch als het subsidie, dat Nederland ten behoeve van den Volkenbond op de begrooting uittrekt, aan de orde komt, laten de Staatkundig Gereformeerden dit rustig passeeren.
Hetzelfde geldt de spoorwegbegrooting. Tegen het beleid der Spoorwegdirectie en niet het minst tegen dat van den Minister van Waterstaat, worden ernstige bezwaren aangevoerd. De treinenloop op Zondag moet stilstaan. En toch, wanneer de begrooting in stemming komt, houden de Staatkundig Gereformeerden-zich in de Kamer muisstil.
Wonderlijk was zelfs onlangs het optreden der Staatkundig Gereformeerden bij de behandeling van de begrooting van het Zuiderzeefonds.
Een der Staatk. Gereformeerde Kamerleden was naar Harderwijk gegaan om met de Zuiderzeevisschers daar ter plaatse te overleggen over het niet sluiten van de Vlieter, het laatste stuk van den afsluitdijk. Toen het echter in de tweede Kamer tot stemming kwam over de afsluiting van de Vlieter, maakten de Staatkundig Gereformeerden geen bezwaar hun stem aan de begrooting te geven. Zij stemden zelfs vóór de motie-Colijn, die erop gericht was tot verdere inpoldering van de Zuiderzee over te gaan.
Wij zouden deze drie voorbeelden nog met een reeks van andere kunnen vermeerderen, waaruit zou kunnen blijken dat de Staatkundig Gereformeerden voor niets zoo bang zijn dan voor het dragen van verantwoordelijkheid.
Het is een wondere politiek, die deze partij in Kamer, Staten en Raden voert.|
't Lam Gods, dat op aard' geslacht werd, — Tevens Leeuw uit Juda's stam —, Dat de zonde kwam verwinnen, Toen 't de zonden op zich nam. Zij de heerlijkheid, de kracht. Nu, en eeuwig toegebracht!
Lof, aanbidding, dank en eere Zij den Zone Gods gebracht! Die als Koning zal regeeren Van geslachte tot geslacht. Hem, den Heer' der heerlijkheid, Prijze men in eeuwigheid !
Ja, den Leeuw uit Juda's stam Zullen alle volken loven ;
Hier op aard' slechts in begin, In volmaaktheid eens hierboven.
In den Hemel en op aard' Is, Hij aller lofzang waard !
Hij, de Silo, Vredevorst, Zal Zijn volk den vrede geven. Niet slechts voor deez' spanne tijds. Maar tot in het eeuwig leven.
Zulk een Heiland, zulk een Heer' Geev' men nu en eeuwig eer !

W. C. V. N. A.—V. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's