JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
Waarom zal hij het echter niet doen ? Hij is immers nog flink genoeg voor dat werk ? Heeft hy hier ook niet, evenals zijn vrouw, de leidende hand Gods op te merken, waar zij thans uit velerlei zorg kunnen komen? "
Slechts kort duurt de tweestrijd. Met een paar oogen, waaruit de blijdschap straalt, kijkt hij den Jonker aan en zegt dan :
„Als mijnheer denkt, dat ik daarvoor geschikt ben ? " — „'k Zou niemand beter weten." — „En wanneer moet dat dan ? "
— „Liefst morgen, en verder wanneer en zoo vaak je maar wil; de stallen staan voor je open. Heb je ze wel eens gezien ? " — „Nooit, mijnheer". — „Zou je eens een kijkje willen nemen? " — „Als het mag ? " — „Kom dan maar eens mee ; 't kan nog juist voor den donker. Wacht, steek dit even in je zak en geef dat aan je beste vrouw".
Met deze woorden reikt hij Douwe een enveloppe toe. Deze weet niet hoe hij het heeft. Natuurlijk zit daar wat in dat brievenzakje, maar wat, dat weet hij niet. Het voelt zoo dun, maar het komt van 'n goed adres en dus is het ook goed. Wat hij daarop gezegd heeft, wist hij zich later niet meer te herinneren. Wèl weet hij, dat die vervelende kleur weer gekomen is, want hij begon opeens zoo te gloeien, en dat hij eenige woorden gestotterd heeft, waarin iets voorkwam van dank. Gelukkig maar, dat de Jonker er niets van gehoord heeft, want deze keerde zich aanstonds om en ging hem voor naar buiten.
Nu kon Douwe met meer vrijmoedigheid die sierlijke gangen, met hun schoone plafonds en sneeuwwitte beelden in de nissen en bij de poorten, opnemen. Verbazend wat een rijkdom ! En dan daar tegenover die eenvoud van den rijken bewoner. Wat had hij zich dien man anders voorgesteld. Hoe slecht kenden dé bewoners van Kleiterp hem, door over hem te spreken als over iemand, die haast niet te naderen is en die menschenschuw werd en die leed aan de een of andere kwaal, ja, wat niet al. Alleen komt het Douwe vreemd voor, dat zoo'n rijke heer hier alleen woont met zijn dienst personeel. Waarom trouwt zoo'n man niet, denkt hij. Als hier nu nog een vrouw in huis was, zooals hij er een heeft, natuurlijk mooier en voornamer en rijker, maar dan zoo verstandig en bovenal zoo Godvreezend en zoo goed, wat zou de Jonker, dunkt hem, dan een hemel op aarde hebben.
Maar langen tijd tot denken heeft hij niet; spoedig zijn zij buiten het Slot en nu gaat het langs den linkervleugel van het groote gebouw, 't welk Douwe nu eerst in zijn vollen omvang ziet, naar de daarachter gelegen paardenstallen, vlak naast 't koetshuis.
Een stalknecht, die rustig op een bank zit te dommelen, springt haastig op en opent de hooge deur. Ook hier weer alles keurig en net.
„Verbazend" — roept Douwe uit — „het lijkt wel een paleis!.
Onwillekeurig maakt hij een vergelijking tusschen deze luxe inrichting, waar geen sprietje gras of hooi ligt waar het niet behoort, en de stallen in de boerderijen, waar hij zoo achtereenvolgens gediend heeft. Daar is zelfs de stal van Lettinga niets bij, en deze gaat toch door voor de mooiste uit de gansche grietenij. Hij kijkt zich bijna de oogen uit het hoofd. Dat dit een woonplaats voor het vee is ! Dat moest z'n vrouw eens zien. Wat heeft hij met de zijnen dan een treurige woning. Doch even snel als zij opkomt wordt deze gedachte weer verdreven. Immers, hij is al zoo gelukkig met de ontvangen opdracht.
En wat glimt hier alles ! Geen wonder, dat die paarden zoo goed op den weg uitkomen. Twee, vier, zes, negen, telt hij ; allen merries, en elk met een afzonderlijken, ruimen stal. O, daar staan die schimmels ; prachtdieren zijn het; zéker wel 12 honderd gulden per stuk waard. Wat een nek, en in evenredigheid daarmee die ferme lichaamsbouw. Als een kenner beziet hij de dieren ; hun schoften, hun flanken, hun hoeven, hun breede borst, hun tanden, die warempel ook wel gepoetst konden zijn.
Zou 't waar wezen ? Hij weet wel, dat er menschen zijn die dat doen.
Daar van de buurlui doet het ook, en die heeft het tegen Jap gezegd, dat ze d'r ook mee beginnen moest; ze kreeg dan lang niet zoo gauw kiespijn. Maar Jap heeft geantwoord, dat zij daar geen drukte mee hebben kon. De menschen van ouds deden dit ook niet, en wat hadden die een gebit. Kolossaal, wat een prachtstal ! Wat heeft dat een geld gekost om 't zoover te krijgen.
Daarna gaat het door een zijdeur naar de hengstenafdeeling, waar zich een drietal uitgezochte beesten bevinden, die allen beginnen te hinneken als er menschen komen.
„Wat mooi, wat mooi!" roept Douwe in verrukking, „precies zooals de Bijbel er van spreekt!"
„Wat zeg je daar ? " vraagt de Jonker, die er schik in heeft dat deze eenvoudige man, die zulk een kennis van vee toont te hebben, zijn hart zoo voelt opengaan bij 't aanschouwen van deze uitgezochte collectie.
Aanstonds komt die kleur weer. Waarom is hij ook zoo dwaas dat te zeggen. Hij Is immers niet thuis.
„Spreekt de Bijbel ook over de paarden ? " vraagt de Jonker.
„Ja, mijnheer", antwoordt hij schuchter, evenwel spoedig zijn vrijmoedigheid weer terug krijgend als hij merkt dat zijn woord niet kwaad wordt opgenomen.
„Wat staat daar dan van ? "
O wee, wat is hij begonnen. Was zijn vrouw hier nu maar, want hij weet 't zoowat, maar zij is veel meer Bybelsch „'t Staat in het boek Job", zegt Douwe „Precies weet ik het niet uit mijn hoofd maar het begint met: „Zult gij het paard sterkte geven ? Kunt gij zijn hals met leeder bekleeden ? De kracht van zijn gestel is een verschrikking. Het graaft in de grond en het is vroolijk in zijn kracht: „Verder ken ik het niet".
„Vreemd, denkt Jonker Van Sterrenburg? wat er ook al niet in den Bijbel voorkomt. En wat een stijl ! Wacht eens, wat heeft Rousseau ook eens gezegd ? Daar heeft het: „de majesteit der Schriften verbaasd mij ; de grootheid des Evangelies spreekt tot mijn hart".
Hij wil toch dien Bijbel weer eens beginnen te lezen. Al zal het alleen maar uit letterkundig oogpunt. Kwaad kan 't nooit. En als het dan al eens wezen mocht dat die Bijbel hem ook in beslag nam, zo dat hij geheel onder zijn invloed komt, zo: als dat het geval bij die geloovigen is, t lijk het dat ook bij zijn lieve moeder welnu, dan zij het zoo, dan zal hij zich gevangen geven onder dat Woord, dan moet er nog heel wat anders gebeuren: Hij geeft zich zoó maar niet gewonne:
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's