KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE PAASCHCOLLECTE.
Aan alle Gereformeerde Kerkeraden nog een laatste opwekking om toch vooral dit jaar te denken aan de Paaschcollecte voor het Studiefonds.
Waar zéér vele gemeenten vacant zijn en vele jonge predikanten zoo uitnemend werk zouden kunnen doen, daar willen we nog eens wijzen op het groote nut van het Studiefonds.
Laat niemand achterblijven. De behoefte aan aller steun dringe overal tot medewerking.
PLAATSELIJKE ACTIE.
Ook waar in de Kerk niet kan worden gecollecteerd, kan toch een Paaschcollecte voor het Studiefonds worden gehouden. Maar dan bij de vrienden en geestverwanten aan huis.
Daarvoor zijn plaatselijke comité's' noodig. Alom moeten dan een paar actieve vrienden de hoofden bij elkaar steken. Er moet dan een lijst van adressen worden aangelegd (welke lijst bewaard moet worden, ook voor volgende jaren!) en aan de huizen van alle bekende vrienden en geestverwanten — ook al zijn ze niet bepaald lid van den Gereformeerden Bond of abonné van „De Waarheidsvriend" — moet een circulaire worden verspreid.
Een aantal van die circulaires kan men aanvragen te Maassluis, bij de Drukkerij van „De Waarheidsvriend". Ze worden dan gratis toegezonden.
Wanneer men zoo allerwegen, in 't Noorden en in 't Zuiden van ons land, ook in de Oostelijke en Westelijke deelen van ons Vaderland, meewerkt kan de opbrengst van deze Paaschcollecte langs de huizen nog een aardig sommetje opbrengen !
De Heere zegene ook dit werk en zij ons genadig !
GOEDE VRIJDAG.
Te midden van al de verschrikkingen is deze dag een dag van goede tijding. Het doel, dat de Heiland Zich had voorgesteld is bereikt. En daarom klinkt het ook met groote stem : het is volbracht. Het doel is bereikt. God is gekomen tot aan de verzoening van een arm zondaarsvolk en voor doemschuldigen is gerechtigheid verworven. Wat de Vader Zich had voorgesteld, om Zich een zondig volk te verkiezen tot zaligheid, vergaderd uit alle geslacht en natie, is bereikt. Wat de Zoon Zich had voorgenomen, om Sion te verzoenen met God, te bevrijden van alle straf en de erfenis des eeuwigen levens te geven, is nu gekomen. En de Heilige Geest kan nu uit Christus nemen, om steenen harten te verbrijzelen en die in het stof liggen neergebogen weer op te richten, zeggende : wees getroost, uwe zonden zijn u vergeven !
Het is de dag van goede tijding. Want deze Vrijdag, de dag toen Christus als Sions Borg en Middelaar aan het kruis gehangen is om daar te sterven den meest vervloekten dood, komt met de vertroostende boodschap tot een arm zondaarsvolk van alle plaatsen en alle tijden, dat er nu een volkomen zaligheid is verworven voor degenen, die anders den eeuwigen dood zouden moeten sterven; terwijl allen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid telkens aan den voet van het kruis mogen komen om daar te hooren : het is volbracht !
Ons Avondmaalsformulier zegt het zoo eenvoudig, zoo ernstig, zoo ontroerend schoon. Daar staat, dat wij telkens bij brood en beker moeten gedachtig zijn aa" den bitteren en smadelijken dood des kruises. Want dan wordt ons herinnerd dat Jezus Christus is de aan de Vaderen van den eersten tijd af beloofde Messias, Die in de volheid des tijds ons vleesch en bloed heeft aangenomen en den toorn Gods (onder welken wij eeuwig hadden moeten verzinken) van het begin Zijner menschwording tot het einde Zijns levens op de aarde, voor ons gedragen heeft. Dat Hij, als Sions Borg, alle gehoorzaamheid en gerechtigheid der goddelijke wet voor ons vervuld heeft; voornamelijk, toen Hem de last van ónze zonden en van den toorn Gods het bloedige zweet in den hof uitgedrukt heeft; v/aar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zou ontbinden. Daarna heeft Hij ontelbare smaadheden geleden, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden ; onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij voor het gerichte Gods zouden vrijgesproken worden. Ja, Hij heeft Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daaraan zou hechten ; en heeft alzoo de vervloeking van óns op Zich geladen, opdat Hij óns met Zijne zegening vervullen zou. Hij heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel, met lichaam en ziel, aan het hout des kruises, toen Hij riep met luider stem : Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ? — opdat wij tot God zouden genomen worden en nimmermeer van Hem verlaten worden. En ten laatste heeft Hij met Zijn dood en bloedstorting het Nieuwe en eeuwige Testament, het Verbond der genade en der verzoening besloten, toen Hij zeide: Het is volbracht.
Tot die goede, blijde boodschap van genade en verzoening mogen we ook nu weer gebracht worden op dezen Goeden Vrijdag.
Genade en verzoening.
Hebben we te veel gezegd, dat de Goede Vrijdag een dag is van goede tijding ? Immers neen !
Het is de dag, dat de Heiland al de Zijnen, arme, verdoemelijke zondaren zijnde, wil vervullen „met Zijne zegening".
Zalig de armen van geest. Zalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Zij zullen verzadigd worden.
DES HEEREN HEILIG AVONDMAAL.
Wij zijn zoo bang, dat bij velen onder ons een verkeerde gedachte heerscht ten opzichte van des Heeren Heilig Avondmaal. De Heiland wil dan een maaltijd bereiden voor armen en ellendigen, voor lammen, kreupelen, blinden ; voer degenen, die telkens moeten klagen : ik ellendig mensch. Die telkens moeten uitroepen : ik geloof, Heere, kom. mijn ongeloof te hulp.
Wij zijn zoo bang dat bijvelen de gedachte heerscht dat zij hun leven lang moeten pogen om het zelf te doen ; om zich te verbeteren ; om zich zelf gerechtigheid en heiligheid te verwerven ; om te staan naar allerlei gestalten en allerlei ervaringen ; om aldoor zelf werkend in het diensthuis, te moeten ervaren : vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al de woorden der wet.
Het is telkens een in-en uitgaan door de deur van het werkhuis.
En daar is geen vertroosting, geen vrede, geen zaligheid. Daar is geen verzadiging met het goede.
De Heiland zou dan met al Zijn arbeid tenslotte tot niets anders dienen dan om onze tekortkomingen aan te vullen. Als wij dan zóóver zijn dat we een behoorlijke en waardige gestalte hebben verkregen, dan zouden we mogen aangaan aan des Heeren tafel, om daar dan aan te zitten als waardige dischgenooten !
Maar dat is hetzelfde als Christus ijdel maken.
Neen, wij zullen door genade begeerig moeten zijn, om ons geheel en al te laten bedienen uit het volbrachte werk van Christus, om op de reis naar Sion, genade voor genade, telkens weer nieuwe genade te ontvangen, zoodat onze zielservaring is: wij niets — Hij alles !
Het Avondmaalsformulier zegt het zoo mooi.
„Maar dit wordt ons, zeer geliefde Broeders en Zusters in den Heere, niet voorgehouden om de verslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken, alsof niemand tot het Heilig Avondmaal des Heeren gaan mocht, dan die zonder eenige zonde ware. Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen dat wij in onszelven volkomen en rechtvaardig zijn ; maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten ons zelven in Jezus Christus zoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat wij midden in den dood liggen. Daarom, al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigen, zoo bekennen wij daarmede, dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulk een ijver om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn ; maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof en de booze lusten van ons vleesch te strijden hebben; nochtans, desniettegenstaande overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn, en wij begeeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven — zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geene zonde, noch zwakheid, die nog (tegen onzen wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen dat ons God niet in genade zou aannemen en alzoo deze hemelsche spijze en drank waardig en deelachtig maken".
Waardig maken staat er.
En deelachtig maken.
Hier vinden we dus het antwoord op de vraag: wie waardige Avondmaalgangers zijn ?
Zijn het niet arme, ellendige zondaren, die bij alle tobben en werken door genade geleerd hebben, om zich geheel en telkens te laten bedeelen uit de volheid van de gerechtigheid en de genade, welke is in Jezus Christus onzen Heere ?
Het is niet zóó, dat wij wat moeten doen, dat wij telkens zooveel mogelijk moeten doen, waarbij Jezus Christus dan mag aanvullen wat wij nog tekort komen.
Neen ! het is en het blijft zóó bij Gods kinderen : zij niets — Hij alles.
En aan Zijn tafel wil de Heere daarvan bizonderlijk bewijs en bevinding geven ; daar wil Hij vertroosting, zegen en blijdschap schenken aan allen, die, vermoeid en beladen, geloovig tot Hem vluchten.
Daarom zingen de Avondmaalgangers ook, als zij zich gereed maken om zich rondom den disch des Heeren te scharen, om te eten van het brood, dat gebroken wordt, en te drinken van den wijn, die uitgegoten wordt:
Een stroom van ongerechtigheden. Had d' overhand op mij ; Maar ons weerspannig overtreden Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren. Dien G' uit al 't aardsch gedruisch Doet nad'ren, en Uw heilstem hooren, Ja, wonen in Uw huis.
DE OVERHEID EN DE KERK.
Onze Gereformeerde Vaderen hebben in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis uitvoerig en keurig uiteengezet dat de Kerk des Heeren een eigen levensorde en levensterrein heeft, onder de opperhoogheid staande van haar éénig Hoofd Jezus Christus, Die aan Zijn Kerk eigen ambten en bedieningen gegeven heeft.
Het ambt en het terrein van de Overheid is geheel en al daarvan verschillend.
Nu heeft men altijd geprobeerd om Kerk en Staat en Staat en Kerk zóó bij elkaar te brengen, dat óf de Kerk zeggenschap kreeg over den Staat óf dat de Staat heerschappij voerde over de Kerk.
Eenerzijds stuurde men aan op een Kerk staat. Dat is een Kerk, waar men belijdt dat de Kerk over den Staat moet heerschen ; dat de Kerk de Overheid de wet moet voorschrijven.
Dat wil Rome doen. Daar heerscht de legende, dat Jezus aan Petrus twee zwaarden heeft gegeven (!!). Het eene zwaard moest Petrus zelf houden om heerschappij te voeren over de Kerk, het andere zwaard moest hij in bruikleen geven aan den keizer, die heerschappij voerde in den Staat, maar dan zóó, dat hij altijd te bedenken had dat hij het zwaard ontvangen had van de Kerk (den Paus).
Voor Rome is dus de Kerk één en al; en de Staat, de wereldlijke Overheid, is van de Kerk afhankelijk. De Kerk moet heerschen over den Staat. De Paus oppergezag-Voerder op aarde, niet alleen in de Kerk, maar ook de geestelijke heer over de Overheden en Machten, die de volkeren regeeren.
Het Remonstrantisme en Liberalisme wil natuurlijk van den Paus niet weten. Geen Kerk-Staat.
Zij willen de Overheid almachtig verklaren. De Staat moet Manusje-van-alles zijn. De Overheden moeten den scepter zwaaien ook in de Kerk. Want het is niet veilig de Kerk aan zichzelf over te laten. Dan gebeuren er ongelukken. En daarom bemoeiden de Regenten zich in alles met de kerkelijke zaken. De Kerk was van het Stadhuis afhankelijk in alles. De Kerk moest alles uit de handen van de Staten ontvangen. En de Remonstrantsche Overheden, deden met de Kerk wat zij wilden. De Staatskerk werd gecreëerd. De Kerk, die in niets vrij was, maar als een gewillige dienstmaagd naar de oogen van de politieke heeren moest opzien, om hulp te vragen.
Als we dien kant uitgaan, dat de Staat buiten haar boekje gaat en de Overheden zich met alles gaan bemoeien, loopt 't mis.
De Schoolstrijd is daarin leerzaam. Een dwingeland is de Staat hier geweest; om te heerschen over de geesten en ons volk te leiden in een anti-godsdienstige richting. Maar de vrije school heeft het gewonnen van de met dwang opgelegde Overheidsschool, waar de Overheid uitmaakte hoe de geestelijke leiding van ons volk zou zijn. Ons volk duldt geen geestelijken dwang.
Ook de Kerkgeschiedenis spreekt van Overheidsdwang. De Regenten hebben lang de Dordtsche Synode tegen gehouden om te verhinderen dat de Kerk zelve in vergadering zou samenkomen met afgevaardigden van zuster-kerken, om over de belangrijkste dingen, rakende de leer en het Ieven der Kerk, te spreken. En na 1619 hebben de politieke heeren aanstonds een duren eed gezworen, dat het ééns nu geweest was, maar dat het nooit weer gebeuren zou ! „De protestantsche clericalen" — zoo schreef prof. Eerdmans in „De Vrijheid" (Mei 1924) — „vonden de Overheden tegenover zich, toen zij in hunne Dordtsche Kerkorde (1619) bepaalden, dat iedere drie jaar een nationale Synode der Gereformeerde Kerken zou samenkomen om kerkelijke vraagstukken te bespreken en geschillen te beslechten. De Overheid liet deze Kerkorde onaangeroerd, maar zij weigerde het verlof te geven deze bepaling der Kerkorde uit te voeren, toen na 1618 de tijd aanbrak voor een tweede nationale Kerkvergadering. De Overheid had leergeld betaald met de toestemming die zij had verleend voor het samenkomen der eerste en : bekende Synode van 1618 binnen Dordrecht. Zij zag geen heil in kerkelijke uitbanning, als den Remonstranten daar was overkomen, en geen nut in het aanwakkeren van kerkelijk krakeel. En zij hield voet bij stuk. De Synode nationaal binnen Dordrecht is gedurende den tijd der Republiek door geen tweede gevolgd !"
Dat is nog altijd de twijfelachtige eer van de Remonstrantsche, liberalistische Regenten, dat zij de Kerk van Christus in dezen lande met alle macht heeft geknecht en van haar vrijheid beroofd, haar in haar rechten heeft geschonden !
En diezelfde prof. Eerdmans prijst de Ned. Hervormde Kerk gelukkig, dat zij in 1816 van de Overheid de Synodale besturen-organisatie verkregen heeft, waarbij de kerkelijke vergaderingen totaal zijn genegeerd en de Kerk aan handen en voeten is gebonden.
Geen wonder dat mr. Groen van Prinsterer, die Hervormd Antirevolutionair was, een ander oordeel velt over de Regenten en de Staten in de 17de en 18de eeuw dan prof. Eerdmans. Groen zegt : „De Staten van Holland, als wdren zij ook in geloofszaken oppermachtig, drongen als christelijk liefdebetoon, aan de Kerk óp het dulden van een leer, welke de Kerk voor onwaar, onbijbelsch, verderfelijk hield. Vrijheid van spreken werd aan de Remonstrantsch-gezinden, vrijheid van tegenspraak weldra niet meer aan de rechtzinnigen vergund.
De leus van Oldenbarneveld c.s. was, dat de Overheid toezicht moest houden en dat de Overheid helpend, leidend, beslissend en dwingend moest tusschen beide komen, opdat het met de Kerk niet den verkeerden kant uitging, n.l. de richting van Schrift en belijdenis.
Schandelijk is de Kerk altijd behandeld door de Overheid.
Als men de ordeningen Gods omkeert, gaat het altijd verkeerd !
De Staat heeft z'n eigen terrein, de Overheid haar eigen roeping en taak.
De Kerk des Heeren heeft óok haar eigen terrein, haar eigen orde en levenswet.
Hoe meer dat gezien en gevoeld en betracht wordt, hoe beter het is ! Ook hier geldt, dat in het houden van Gods ordeningen groot loon ligt.
EEN GELOOFSSTUK.
We kunnen overigens over de Vrije Universiteit denken zooals we willen, maar we zullen niet mogen achterblijven in onze diepe en groote bewondering voor deze Stichting, die helaas ! practisch voor ons. Hervormden, zoo goed als onbruikbaar is.
In 1912 sprak dr. A. Kuyper, die wel de geestelijke vader van deze Stichting voor Hooger Onderwijs is, van „een geloofsstuk". En hij zei : „niet drie, maat vijf faculteiten en in elke faculteit ten minste vijf hoogleeraren, moet onze leus blijven. Daar moet het heen, spoedig liefst".
Er zijn nu twintig jaren over heen gegaan. En de Vrije Universiteit is sterk uitgegroeid. Vooral in de laatste jaren.
In 1912 waren er twaalf hoogleeraren, nu zijn er drie en twintig.
De studentenlijst van den cursus 1911— '12 telde 163 namen. Nu zijn er 510 studenten ingeschreven.
Toch is het ideaal nog niet bereikt.
De Vrije Universiteit heeft thans vier faculteiten : de Theologische, de Juridische, de Litterarische en de Wis-en Natuurkundige faculteit.
Bovendien is in de Medische Faculteit prof. dr. L. van der Horst als gewoon hoogleeraar en prof. dr. L. Bomnan als buitengewoon hoogleeraar werkzaam.
Maar de Faculteit der Wis-en Natuurkunde heeft nog slechts het bij de wet gestelde minimum van drie hoogleeraren en één buitengewoon hoogleeraar (prof. dr. Van Haaften, de eenigste Hervormde professor aan de Vrije Universiteit).
Voor deze laatste faculteit moet nu nog ƒ 30.000.— worden gevonden, waarvoor nu middelen en wegen worden gezocht om het bijeen te brengen.
Onvermoeid gaat men voort, ook in dezen malaise-tijd, om het benoodigde geld bijeen te brengen. En de ervaring heeft geleerd dat de offervaardigheid in de kringen van de Vrije Universiteit buitengewoon groot is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's