KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONZE NIEUWE LIDMATEN.
Allerwegen zijn, in stad en dorp, weer vele jonge menschen — soms ook wel ouderen onder hen — als nieuwe lidmaten „aangenomen".
Gelukkig slijt dat woord „aannemelingen" en „aangenomen" uit.
Men spreekt méér van „openbare belijdenis", van „Geloofsbelijdenis doen".
En dat is ongetwijfeld een verbetering. Want het afleggen of doen van belijdenis moet in het middelpunt staan.
't Gaat om de belijdenis des geloofs.
Door dat woord „aannemen" wordt zoo gemakkelijk een misverstand in de hand gewerkt. We gaan dan onwillekeurig denken, dat de Kerk ons, groot geworden zijnde, „aanneemt". En het is dan, alsof we tot nu toe buiten alles gestaan hebben en nu pas tot de gemeente worden toegelaten ; nu pas in het midden van de gemeente worden opgenomen.
Maar zóó staan de dingen toch niet! Onze jonge menschen, die nu in het openbaar belijdenis des geloofs hebben afgelegd, zijn uit Christen-ouders geboren. En door Gods goedheid en naar Zijn wonder, genadig bestel behoorden zij tot Zijn gemeente bij hun geboorte. En de Heere heeft hen aanstonds, kleine kinderen zijnde, in Zijn Verbond opgenomen, hetwelk door den Doop op heerlijke wijze afgeteekend en bezegeld is geworden in Gods huis.
Van kind af zijn zij dus door God aangenomen in Zijn Verbond en vanaf de geboorte zijn zij in de gemeente des Heeren begrepen.
Hierin zijn Gods wegen heel wonderlijk en vol liefde geweest en Hij heeft het nooit aan Zijn goedheid en trouw doen ontbreken.
En wanneer het goed is, zal ook de opvoeding en het onderwijs geheel gestaan hebben in het teeken van Gods Verbond en van den Doop ; waarbij telkens gesproken is van de liefde Gods in Christus voor zondaren geopenbaard in het midden van een wereld, die veelszins zoo arm en ellendig is, juist omdat men die liefde Gods, in den Heiland geopenbaard, niet kent.
Dat hebben we van onze prilste jeugd af aan uit den mond van onze moeder, van onzen vader, van onze onderwijzers, in huis, op Zondagsschool, op de dagschool gehoord en beluisterd.
En nu zijn onze jonge menschen, die tot de jaren des onderscheids zijn gekomen, met deze heerlijke dingen nog weer eens bizonder in aanraking gekomen in de ure der belijdenis.
Neen, ze zijn toen niet „aangenomen" door de Kerk. Want ze behoorden tot de gemeente en ze waren kinderen des Verbonds, met het teeken en zegel van het genadeverbond voorzien.
En behoorend tot de gemeente, hebben zij nu zelf belijdenis van hun geloof afgelegd en zijn zij nu als belijdende lidmaten tot de Kerk toegelaten, waarbij de toegang tot het Heilig Avondmaal voor hen is opengegaan.
Dat is het groote en heerlijke feit van deze dagen voor zoo vele jonge menschen, in stad en dorp, die in de dagen die achter ons liggen, in het openbaar belijdenis des geloofs hebben afgelegd. En nu voelen we het met elkaar wel — dat hierover nog wel wat te praten valt.
Want we mogen nu maar niet doen, alsof nu alles in orde is bij allen. Want stel eens een oogenblik, dat men belijdenis des geloofs heeft afgelegd in het midden van ae gemeente des Heeren en men zou dan eigenlijk niemand nog hebben in Wien men gelooft.
Dan heeft men zich laten „aannemen" — zooals de menschen dat zoo dikwijls heel verkeerd noemen. Men heeft dan langer oï korter tijd de catechisatie bezocht, men is onderwezen in de stukken der waarheid, men heeft meer of minder uit het hoofd geleerd en opgezegd — maar om nu te zeggen, dat het om Christus ging, om Zijn discipel te mogen zijn, om deel te mogen hebben aan Zijn genade — om met de gemeente des Heeren mee te leven, om mee aan te zitten aan den disch des Heeren, waar in Jezus Christus en dien gekruisigd alle heil en zaligheid wordt gezocht en gevonden — neen daarom ging het nu eigenlijk niet!
Zou dat niet vreeselijk zijn ? Heel het leven van onze jonge menschen (0, denkt men er wel genoegzaam aan en wordt het ons ook wel genoegzaam voorgehouden, in huis en in de Kerk ? ) staat op zoo bizondere wijze in verband met God en met Zijn Koninkrijk.
Eerst gedoopt — toen zij van niets zich nog bewust waren. In het Verbond Gods opgenomen — toen zij van niets nog wisten.
Daarna opgevoed en onderwezen in de dingen van Gods Koninkrijk.
Nu vrijwillig belijdenis des geloofs afgelegd.
Nu als belijdend lidmaat tot de gemeente des Heeren toegetreden.
Nu de toegang tot het Heilig Avondmaal ontsloten.
Is het alles niet heerlijk en vol beteekenis ?
En als nu eens getuigd moest worden : om diè dingen is het bij mij niet gegaan in de ure der belijdenis.
Zou het niet vreeselijk zijn ?
Misschien zijn ernstige vragen in dit verband op de ziele aangestormd, waarbij licht en duisternis zich afwisselden.
Misschien is gevraagd : Zou, ik wel belijdenis des geloofs mogen afleggen ? De vrees voor de wereld, de vrees voor de zonde kon zoo beangstigen. Ach, wie zijn wij, — ook als we jong zijn, ja, vooral als we jong zijn, — wie zijn wij voor God ? En het leek soms maar veiliger om geen belijdenis te doen.
Maar toen kwam het op in ons hart : „Bij U, Heer, is de levensbron ; Uw licht doet, klaarder dan de zon, ons het heuglijk licht aanschouwen." Tóen ging het door onze ziel : „indien Ik u de voeten niet wasch, zoo hebt gij geen deel aan Mij".
Daar wil Juist de kerk ons zoo gaarne van spreken bij Woord en Sacrament. Zij wil zoo gaarne een verkondigster zijn van goede boodschap, sprekend van Jezus Christus en dien gekruisigd. De Kerk wil zoo gaarne spreken van den weg, waarin God Zijn hoogste liefde voor de wereld wil openbaren, om alle heilbegeerigen door het Woord toe te leiden tot de vertroosting en blijdschap van het Sacrament.
En ja — als dat dan weer door onze ziel gaat, dan stormt het op ons aan : die vèr van U de weelde zoekt, vergaat eerlang en wordt vervloekt. En het komt in ons harte op, om zacht te getuigen : Wien heb ik nevens U omhoog, wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten — niets is er waar ik in kan rusten. En ja, — dan komt ook de begeerte op om belijdenis te doen in het midden der gemeente, waar het volk vergaderd is.
Natuurlijk blijft dan de vrees en komt telkens het kleingeloof. De angst voor struikelen en vallen, voor ontrouw en ongehoorzaamheid komt binnen. Maar 't is beter u klein te achten en met voorzichtigheid uw weg te wandelen, dan dat gij zoudt wanen het eind van den weg reeds bereikt te hebben en de overwinning in den strijd te hebben behaald. Dat doet den mensch vallen in valsche gerustheid, wat de geopende poort is om ten verderve te gaan. Maar de overtuiging van gevaren, die van alle kanten dreigen, brengt tot waakzaamheid, tot voorzichtigheid, tot gebed — ook, tot gebruik van de genademiddelen, welke God aan Zijn gemeente geeft in Woord en Sacrament, en daarin ligt een onbeschrijfelijke kracht en een niet te waardeeren zegen. „Welzalig hij, die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht, die kiest de welgebaande wegen". (Ps. 84 : 3).
Dat vele jonge menschen — en ook ouderen — de wegen des Heeren in het harte mogen hebben en begeeren mogen om in het midden van de gemeente bij Woord en Sacrament mee te leven met degenen, die den Naam des Heeren belijden in oprechtheid.
OVER DE KERK.
Wat Calvijn er van zegt in De Institutie. (1).
In het IVde Boek van De Institutie — waarvan pas een mooie nieuwe vertaling van dr. A. Sizoo is verschenen, keurig uitgegeven bij Meinema te Delft — spreekt de groote Hervormer, de vader van het Gereformeerd Protestantisme, uitvoerig over de Kerk. In enkele artikelen willen we trachten de gedachten van Calvijn na te vertellen.
God wil Zijn geloovigen tot Christus noodigen en hen dicht bij Hem houden. Hiertoe gebruikt de Heere de Kerk, met hare bediening van Woord en Sacrament, met haar belijdenis, regeering en macht. In haar midden wil God Zijn kinderen verzameld zien, zoowel volwassenen als zuigelingen. Zij is onze moeder, waar God onze Vader is.
Wanneer wij Zondag "aan. Zondag belijden : „ik geloof eene Kerk" en tegelijk : „de gemeenschap der heiligen", dan is dat bewijs, dat al de geloovigen bij elkaar hooren als het ééne lichaam van Christus. Alle uitverkorenen (hoe het er op aarde ook uitzie) zijn één in Christus, hun Hoofd. En dat niet alleen als onzichtbare Kerk, maar ook als „gemeenschap der heiligen" in onderlinge gemeenschap op aarde. Bij alle verscheidenheid van gaven, hebben alle leden van Christus alle weldaden gemeen. En deze gaven zullen ze als één lichaam, in broederlijke liefde met elkander deelen. (Hand. 4 vs. 32 ; Ef. 4 vs. 4). Daardoor wordt ook het, geloof van ieder en van allen saam gesterkt.
Calvijn wil dan bizonder handelen over de zichtbare Kerk, zooals deze hier op aarde onder de menschen openbaar wordt in de ambten, in de bediening des Woords en der Sacramenten, in de belijdenis en kerkelijke orde.
't Woord „moeder" toont reeds hoe nuttig en noodig ons is omtrent de Kerk de rechte kennis te bezitten. Gods Vaderlijke gunst is over haar. En daarom is de afwijking van de Kerk ten diepste te betreuren ; ja, het is doodelijk.
Natuurlijk had God met Zijn geloovigen gansch anders kunnen handelen. Maar dat heeft Hij niet gedaan. De Heere had de Zijnen in één oogenblik kunnen volmaken en opnemen in heerlijkheid. Maar dat doet Hij niet. En wat Paulus ons leert in Efeze 4 vers 11, zegt ons, dat Christus gegeven heeft sommigen tot Apostelen, profeten. Evangelisten, herders en leeraars. In dien weg wil Hij Zijn gemeente opbouwen en volmaken ; en nu zullen wij ons aan die bizondere wijze van opvoeding moeten houden ; alle leden zullen aan deze instelling Gods gebonden zijn en blijven, tot aan het eind der dagen.
Door alle tijden heen heeft de Heere Zich van die zelfde wegen en middelen — zij het ook verschillend onder Oude en Nieuwe bedeeling — bediend. Heilige plaatsen, heilige personen, heilige tijden, opdat het geloof der Zijnen zou worden gewekt en versterkt en in de geslachten Zijn Koninkrijk zou komen. Zijn Kerk zou worden opgebouwd. En ook nu is het: „het geloof uit het gehoor" (Bom. 10 vers 17). Ook ons wil Hij door menschen onderwijzen. Wij moeten niet alleen Gods Woord lezen en onderzoeken, maar óók de leeraars in de bediening des Woords hooren, als gezanten van Christus' wege. De Heere wil in deze gehoorzaamheid van ons en van onze kinderen ; en in den weg der gehoorzaamheid wil Hij velerlei zegening bewijzen. Het is genade, dat God menschen in deze wil gebruiken tot onze zegening ; tegelijk is het oefening tot onze gehoorzaamheid. Niet zonder groote schade kan men deze ordening Gods verachten. In de prediking komt de heerlijkheid Gods in Christus tot ons (2 Cor. 4 vers 6). Van ouds is er groot verlangen bij de vromen geweest naar Gods heiligdom. In' dien weg wordt de gemeente des Heeren opgebouwd tot op dezen dag. (Efeze 4).
Men kan ten opzichte van de bediening des Woords over velerlei strijden. Van twee zijden is wel overdreven. De Heilige Schrift, kent groote beteekenis toe in de verkondiging des Woords. De verstanden zullen worden verlicht, de harten bekeerd (Mal. 4 vers 6). Veel vrucht zou worden gezien (Joh. 15 vers 16). Uit onvergankelijk zaad zouden er velen worden wedergeboren (1 Petrus 1 vers 23). Door het Evangelie zouden er kinderen Gods worden geteeld (1 Cor. 4 vers 15 ; 9 vers 2 ; Gal. 3 vers 2).
Maar zou de mensch dat velerlei goed deelachtig worden door het Woord, buiten God om ?
Immers neen ! Verlichting des verstands en vernieuwing des harten zijn alleen Gods werk. (1 Thess. 3 vers 4; Gal. 2 vers 8 ; 1 Cor. 3 VS. 7 ; 15 vs. 10).Niet de mensch, niet het Woord als zoodanig — maar God de Heere is de Werkmeester, door Zijn Geest. Doch de Heere wil Zich in deze bedienen van dat middel. Niet het Woord zonder God, niet God zonder het Woord. Zoo staat de bediening des Woords in het midden van 's Heeren Kerk van alle eeuwen ; en daar ligt ook de weg van uitbreiding onder dé niet-christelijke volkeren. De Kerk moet zijn Kerk des Woords. En de Geest des Heeren maakt levend, gebruikende het Woord.
Wat nu de zichtbare Kerk betreft — want daarover gaat het hier — daarmee bedoelen wij : „de geheele menigte dergenen, die belijdt één God en Christus te vereeren ; die door den Doop in Zijn Verbond wordt ingelijfd; door de gemeenschap des Avondmaals hare éénheid in de ware leer en liefde betuigt; met het Woord des Heeren instemt en, om dat te verkondigen, den dienst, door Christus ingesteld, onderhoudt".
Deze zichtbare Kerk — hoewel er ten allen tijde vele huichelaars zullen gevonden worden — moeten wij eer bewijzen en wij moeten gemeenschap met haar onderhouden.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's