VRAGENBUS
Vraag: Wat beteekent het als er staat: „de zaligmakende genade Gods is verschenen allen menschen" (Titus 2 vers 11).
Antwoord: De sluier is weggenomen — zegt Paulus, de heidenapostel, die er midden in staat. Het is nu niet meer voor de Joden alléén. Jezus heeft alle volkeren begeerd en verkregen. (Psalm 2). De genade Gods in Christus presenteert zich nu aan alle menschen, van welke natie, van welke taal ze ook zijn. Het is voor den Heere te gering om Israël alléén Zijn volk te noemen. Ook aan de heidenen, aan alle menschen moet het Evangelie verkondigd worden. En de zaligmakende genade Gods zal nu indalen tot vergeving der zonden en vrede des harten onder alle geslachten en natiën. Onder alle natiën zullen er nu verwekt worden, die door de zaligmakende genade Gods zullen mogen getuigen : „ik sta niet meer voor eigen rekening, maar ik mag weten het eigendom te zijn van Jezus Christus". Dat is nog iets, anders, dan dat de algemeene genade Gods over ons is, zoodat de zon over ons opgaat en de regen op ons nederdaalt, en voedsel en kleeding ons geschonken wordt. Want dat is óók genade. Maar het leven kan nóg zoo schoon zijn — dat we toch ellendig omkomen ! Daarom moet het gaan om de zaligmakende genade Gods in Christus, welke nu zich presenteert aan alle vleesch, opdat van alle vleesch zal komen tot de erve der heiligen. Waartoe de inwendige genade noodig is door de werking des Heiligen Geestes, , in den weg der wedergeboorte en bekeering, in den weg der rechtvaardiging en heiligmaking, straks uitloopend in een volkomen verlossing tot heerlijkheid.
En die zaligmakende genade Gods is nu in Christus verschenen aan alle menschen en moet gepredikt worden aan alle creaturen in de bediening des Woords.
Vraag: Welke Naam is beter : Jehova of Jahwe .
Antwoord : De Naam Jehova, onder ons gebruikelijk, is eigenlijk foutief. Deze schrijfwijze en uitspraak berust op een misverstand. En als men dus vraagt, wat taalkundig en ook in werkelijkheid beter is, dan staat het vast dat Jahwe beter is dan Jehova, hoewel deze laatste Naam door het gebruik onder ons een bepaalde beteekenis heeft verkregen, nu eeuwen lang, en onder ons ook wel in gebruik zal blijven. Het is een taalkundige kwestie, die in verband staat met de Hebreeuwsche letters en schrijfwijze en ook verband houdt met het foutieve gebruik onder de Joden. Ook onder Gereformeerde theologen wordt niet anders geoordeeld, dan dat Jahwe juister is dan Jehova.
Vraag: Mogen we in een brandassurantie gaan ?
Antwoord : We zouden ook kunnen vragen : mogen we maatregelen treffen dat de oordeelen des levens zooveel mogelijk verzacht worden ? En dan moet het antwoord zijn : ja. Om der zonde wil liggen we onder de oordeelen Gods, maar de Heere wil in Zijn algemeene goedheid en liefde Zelf die oordeelen temperen ; en Hij wil ook, in Zijn algemeene goedheid, dat wij zelf ons zooveel mogelijk beschermen en dekken voor Zijn oordeelen. Hij wil niet, dat we onverschillig noch onbewegelijk zijn onder Zijn oordeelen ; dat we in valsche lijdelijkheid neerzitten, maar dat we gebruik maken bij Zijn oordeelen van de verzachtende middelen, die de Heere als bewijs van Zijn goedheid ons schenkt. In het midden van Zijn oordeelen komt Hij met Zijn barmhartigheden en de Heere wil, dat we Zijne barmhartigheden gebruiken en aanwenden. Hem dankend, dat Hij ons slaat, maar met mate en met ontferming. Zoo wil de Heere, dat als we ziek zijn de middelen, die Hij Zelf beschikt, aanwenden tot onze genezing. Hier kan het schijnen dat wij den Heere dan willen tegenwerken ; immers de Heere wil dat we ziek zijn, en wij gebruiken de middelen, om niet ziek te zijn, maar beter te worden. Zoo ook als het donker wordt, dan steken wij 't licht aan ; als 't regent, gebruiken wij een parapluie, opdat we niet nat worden en onze hoed en onze kleeren niet leelijk worden ; als het winter wordt en de Heere wil dat het koud zal zijn, dan zetten wij de kachel of steken de centrale verwarming aan ; als het nacht wordt en de Heere waakt, doen wij de deur op slot en gebruiken een wachthond op de boerderij of als we buiten wonen. Zóó beschouwen we ook het gaan in een pensioenfonds, om door voorzorgsmaatregelen voor den ouden dag te zorgen, opdat we, als straks de verdiensten van den arbeid ophouden, dan toch nog inkomsten hebben. Wat we natuurlijk niet doen, omdat we gelooven dat de Heere niet bij machte is ons in onzen ouderdom bij het leven te behouden ; maar we handelen zóó, omdat we van God geleerd hebben in de jaren van het zaaien te zorgen voor de dagen van den oogst.
Zóó beschouwen we ook de brandassurantie. Dat is niet om te zeggen : nu kan God mij niet treffen. Want de Heere kan ons wèl treffen. Maar het is om in de dagen dat de Heere ons spaart, te zorgen dat we de middelen gebruiken, opdat als de kwade dag van brand en vernieling komt, wij in den middellijken weg gezorgd hebben dat wij met onze vrouw en onze kinderen niet geheel hulpeloos en broodeloos staan.
Natuurlijk kan alles verkeerd gebruikt worden ; maar daar hebben we 't nu niet over. Doch die het zóó doet, - als boven omschreven is, wandelt naar ons oordeel geenszins in een weg van goddeloosheid ; integendeel, doende wat onze hand vindt om te doen, mogen we des te meer onzen weg op den Heere wentelen, terwijl wanneer in een weg van valsche lijdelijkheid de weg der middelen verwaarloosd wordt, straks onze consciëntie ons moet beschuldigen dat we lui en nalatig en gierig geweest zijn.
Natuurlijk kunnen we persoonlijk ook voor ons zelf alleen allerlei maatregelen treffen in ons leven ; maar dan leert de practijk toch wel dat we met elkaar, in bond of vereeniging, plaatselijk of landelijk, altijd veel makkelijker en financieel voordeeliger werken. Daarom zijn plaatselijke of landelijke brandassuranties altijd veiliger en voordeeliger dan dat we persoonlijk voor ons zelf werken.
Dat geldt ook voor onze Scholen met den Bijbel. Laat men gerust in een brandassurantie gaan. Wij voor ons vinden het onbehoorlijk en roekeloos als men het niet doet; vooral daar een school geen persoonlijk eigendom, maar gemeenschappelijk bezit is. Wil men persoonlijk voor z'n huis of z'n vee niet in een brandassurantie gaan, dat moet men zelf weten. Men zal het zelf dan ook moeten dragen als er brand komt. Maar als men mee beheert het goed van anderen, dan is men naar onze meening verplicht maatregelen te treffen, dat men, wanneer de kwade dag komt, niet geheel naakt aan den dijk komt staan.
Vraag: Heeft Luther den brief van Jacobus werkelijk een „strooien brief" genoemd en heeft deze Hervormer dien brief niet erkend als Gods Woord ?
Antwoord: Luther, die nogal eens heftig kon uitvallen en scherpe woorden kon gebruiken, heeft inderdaad, in den beginne, toen hij zoo geheel en al leefde bij de brieven van Paulus aan de Romeinen en de Galaten, waarin beschreven wordt : „hoe God goddeloozen rechtvaardigt om niet, zonder de werken der wet, door het geloof in Christus" — den brief van Jacobus, die handelt over de werkzaamheid des geloofs, genoemd een brief van stroo. Maar toen Luther verder ingeleid en doorgeleid was in de geestelijke kennis van het nieuwe leven, dat opbloeit uit den levensboom Christus en alle levende ranken doortrekt, heeft Luther ook een geheel ander oordeel gehad en uitgesproken over den Jacobus-brief. In zijn voorrede tot dien brief in 1522 begint Luther aldus : „Dezen brief van den heiligen Jacobus, hoewel hij van de ouden verworpen is, prijs ik en houd ik daarom voor goed, omdat hij volstrekt geen menschenleer brengt en krachtig Gods Wet handhaaft".
Luther heeft dus aanvankelijk te weinig oog gehad voor de rijke onderscheiding, welke in het geïnspireerde Woord des Heeren te vinden is. Het is niet overal hetzelfde wat God zegt in Zijn Woord. Het is telkens, dat de dingen van een anderen kant benaderd en bezien worden ; waardoor juist de rijkdom van de Heilige Schrift des te meer uitkomt en de zegen voor het geloofsleven des te grooter en des te ruimer is.
Die deze dingen niet zien bij het licht des Geestes, ergeren zich niet zelden aan .die rijke verscheidenheid en heerlijke onderscheiding ; en spreken wel van tegenstrijdigheid in den Bijbel; door welk vleeschelijk oordeel Gods werk onverdiend dan weer een schop krijgt.
Vraag: Wat beteekent Matth. 28 vers 1: „En laat na den sabbath, als het begon te lichten, enz. ?
Antwoord: Dit is wat vreemd uitgedrukt. Wij zouden dat woord „laat na" hier niet gebruiken. Maar de bedoeling is duidelijk. De Apostel wil laten uitkomen dat de Sabbathdag — de zevende dag — voorbij was ; dat Jezus dus n i et op den zevenden dag is opgestaan ; want na dat de sabbath reeds lang voorbij was en het licht van den eersten dag begon door te breken, is de opstanding geschied. De Apostel wil dus goed doen uitkomen en vastleggen, dat de Sabbathdag lang en breed voorbij was en de eerste dag der week was aangebroken, toen de vrouwen grafwaarts gingen en daar het graf geopend vonden. Prof. Van Leeuwen vertaalt dan ook in „Tekst en Uitleg" : „Na den sabbat, in den morgenstond van den eersten dag der week, enz."
Vraag: Hoe is het mogelijk dat de Joden van Jezus konden getuigen : „Ziet daar een mensch, die een vraat en een wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren" (Lukas 7 vers 34) ? Gaf Jezus door overdadig eten en buitensporig drinken aanleiding tot zulk een beschuldiging ?
Antwoord : We moeten dezen tekst in z'n geheel nemen — gelijk in de vraag ook is geschied. Het eten en drinken van Jezus moet hier in verband gebracht worden met „een vriend van tollenaren en zondaren". Er waren „rechtvaardigen" en er waren „zondaren" in het midden van 't Joodsche volk. Het grootste deel voelde zich „rechtvaardig" en was in eigen oogen deugdzaam en braaf, verzekerd van een plaats straks in den hemel, om „aan te zitten met Abraham, Izaak en Jacob". Zij zouden met de aartsvaders deelen straks als „kinderen des Koninkrijks" in heerlijkheid. Denk maar aan de Parizeen en b.v. aan den rijken jongeling. Zij waren de bloem der natie !
Daar naast was een deel des volks, dat veel minder fatsoenlijk en deugdzaam en godsdienstig was ; dat waren „de zondaren" ; Joden en niet-Joden bij elkaar ; dat waren de „onrechtvaardigen", de „tollenaren en zondaren" ; misdadigers-typen en menschen die hun volk en vaderland afvielen enz.
Natuurlijk dat „de rechtvaardigen" niet met „de zondaren" omgingen ! Zij ontvingen ze niet, zij lieten zich niet met hen in ; en nog minder „aten en dronken" zij met hen. Daar was een scheidingslijn, welke „de rechtvaardigen" (in eigen oog) niet gaarne zouden overschrijden. Ze hielden geen gemeenschap met elkaar.
En wat doet Jezus nu ?
De Heiland spreekt „de rechtvaardigen" niet aan als rechtvaardigen, maar als zondaren, die de wederbarende genade Gods noodig hebben en de verzoening van hunne zonden — wat groote ergernis verwekt bij „de rechtvaardigen", die, naar eigen oordeel, de bekeering niet van noode hebben. En zij haten Jezus en keeren Hem den rug toe. Zij voelen zich beleedigd en verwenschen Hem !
Daarbij wil Jezus „de weg, de waarheid en het leven" zijn voor „de zondaren", die Zijn hulp inroepen en bij Hem het leven zoeken, Die ontvangt Hij. Hij geeft den zondaren gehoor en spreekt met hen. Die ontvangt Hij en eet met hen, opdat zij van Zijn liefde en van Zijn genade zullen overtuigd worden en er deel aan mogen krijgen. „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt", weerklinkt in hun midden, „en Ik zal u ruste geven".
Dat is de tweede ergernis bij „de rechtvaardigen". Ten eerste, dat Jezus hen niet met méér eerbied behandelde en hen niet prees vanwege hun „rechtvaardigheid", doch hen „zondaar" noemde. En ten tweede, dat Hij „zondaren" gehoor gaf en hen ontving, ja, dat Hij vriendelijk „de zondaren" tegemoet trad en met hen aanzat en met hen at en dronk; zoo als b.v. met Zacheüs.
Dat nu gaan „de rechtvaardigen" (in eigen oog) uit haat en vijandschap opblazen en overdrijven, om er lasterlijk van te maken. „Hij is een vraat en een wijnzuiper". Door bittere ergernis gedreven, gaan zij dat schandelijk verkeerd voorstellen en gaan zij dit in alle opzichten valsch gerucht, overal rondvertellen.
Jezus ging niet tot tollenaren en zondaren om overdadig te eten en te drinken. Niets daarvan ! Maar „de rechtvaardigen" ergerden zich aan het feit, dat Jezus „een vriend van tollenaren en zondaren" zich betoonde. Uit die ergernis komt deze schandelijke lasterpraat voort !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's