De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

DE NIEUWE LIDMATEN (3) (Slot).
Dan zijn er ook de Sacramenten, als zichtbare teekenen en zegelen van Gods genade voor alle degenen, die Hem zoeken en liefhebben en in het midden der Gemeerite willen meeleven met degenen, die den Heere vreezen, 't zij bij aanvang of voortgang.
Eerst het Sacrament van den Heiligen Doop, waardoor ons telkens, in Gods huis vergaderd zijnde, wordt gezegd, dat God onze God wil zijn en dat Hij Zich een volk wil vergaderen, in de geslachten, dat Hem geheiligd is, om Hem lief te hebben en te dienen met een volkomen hart en met alle krachten. Geen heerlijker prediking dan in het Sacrament van den Heiligen Doop, van Gods verbondstrouwe, waarbij telkens mag worden gezongen :
„God zal Zijn waarheid nimmer krenken ; Maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Zijn Woord wordt altoos trouw volbracht. Tot in het duizendste geslacht, 't Verbond met Abraham, Zijn vrind. Bevestigt Hij van kind tot kind".
(Psalm 105 vers 5).
Waarbij de Gemeente altijd weer wordt opgewekt, na gehoord te hebben van Gods venbondstrouwe, om te zingen :
„Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, opdat het altoos Hem zou vreezen. Zijn wet betrachten en voortaan Volstandig op Zijn wegen gaan. Men roem' aan d' Oppermajesteit, Om zooveel gunst in eeuwig'heid".
(Psalm 105 vers 24).
Daarvan moeten onze jonge lidmaten telkens getuigen zijn, omdat zij ook zélf gedoopt zijn. En — naar we hopen — zullen zij spoedig, als vader of moeder van een kind, dat God hun schenken wil in het huwelijk, nog op andere wijze daarmee in betrekking komen te staan, tot vertroosting voor hart en huis.
Het tweede Sacrament dat we vinden in het midden van Christus' Kerk is het Heilig Avondmaal. En een Gemeente des Heeren zonder het Heilig Avondmaal is niet denkbaar. En een Gemeente van Christus met het Heilig Avondmaal is zoo heerlijk, voor allen, die, bij aanvang of voortgang den Heere vreezen en Jezus als hun Heiland hebben leeren begeeren.
Bij het Heilig Avondmaal wil de verhoogde Heiland allen, die in Hem gelooven en Hem aanhangen, telkens vergaderd zien, om Zijn dood te gedenken en daar uit de volheid van Zijn liefde, genade, vrede en barmhartigheid te ontvangen. Daar wil Hij, dat onze schuld zal worden beleden en dat onze ziel zal uitzien naar Zijne gerechtigheid, als het alles bedekkende kleed voor arme zondaren. En het is de lust van den goeden Herder, Die Zijn schapen kent en bij name roept, om de Zijnen bij het Avondmaal te sterken in het geloof — bij brood en beker — opdat ze wél getroost kunnen leven en straks zalig kunnen sterven.
Juist bij het Avondmaal wil de Heiland er ons zoo ernstig aan herinneren, dat wij niets in onszelf hebben, maar dat Hij alles voor ons wil zijn. Daar wil Hij telkens zeggen : „Zonder Mij kunt gij niets doen". Om dan ook tot onze ziele te spreken : „Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de landman. Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, en alle die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij méér vrucht drage" (Joh. 15 vers 1, 2).
Tot de Kerk, met de schatten van het Woord en de Sacramenten, zijn onze jonge lidmaten nu toegetreden in volle rechten en zij weten, dat ieder, die zonder God en zonder Christus is, ook zonder hope is in de wereld. Wanneer wij het waarachtig zaligmakend geloof in Christus missen, derven wij alles. Daarom mag het zelfonderzoek bij ons niet ontbreken. De schijn kan ons hier niet redden ; 't schijngeloof, zonder wedergeboorte en hartelijk begeeren naar de genade, kan ons niet helpen. „Beproef uzelf, of gij in het geloof zijt; beproef uzelf nauw", zegt de Apostel. En hij doet dit om ons te brengen tot den Borg en Middelaar Jezus Christus, in Wien verzoening is voor onze zonden. Die Hem vinden, die trekken een welgevallen bij den Heere. Die in Hem gelooven, hebben het eeuwige leven.
Laat dat zelfonderzoek dan door ons niet worden nagelaten ! „Indien wij zeggen, dat wij geene zonden hebben, zoo verleiden wij onszelven en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonde belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid". (1 Joh. 1 vers 8, 9).
Het onderzoeken der Schriften kan voor ons tot grooten zegen zijn.
Denkt slechts aan de geschiedenis van den Kamerling, die uit Moorenland was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem, en van wien wij in Handel. 8 lezen, dat hij op zijn reisiwagen gezeten, de profetieën van Jesaja las, hetwelk oorzaak werd, dat hij zijn weg met blijdschap verder reizen mocht, omdat hem Christus is voorgesteld en de schatten van den Zaligmaker hem als zijn eigendom uit louter genade geschonken zijn geworden.
Leest uw Bijbel, leest er veel in; en laat het gebed daarbij niet ontbreken, om de leiding des Heiligen Geestes af te smeeken. Dan zult , gij ervaren dat Gods Woord wondere schatten van hemelsche heerlijkheid in zich bergt, welke God Viril toepassen in ons leven, naardat Hij weet wat we van noode hebben.
Gods Woord is een wondere, hemelsche schat, uit genade aan de menschenkinderen geschonken !
Het is een licht op ons pad, een lamp voor onzen voet; een veilig kompas bij het zwerven op de wateren van de levenszee ; brood en water in de woestijn ; een zwaard des Geestes in den strijd tegen de zonde, de wereld en den duivel. Neemt en leest het Boek der boeken I Schatten des heils liggen in dat Woord Gods verborgen en de Heilige Geest wil onderwijzen ieder die zoekt en vraagt. Hij laat geen bidder staan. Dan komt er licht, vrede en blijdschap in ons leven, ook al gaat 't soms langs wegen die wij nooit zouden hebben begeerd. Houdt dan wat gij hebt; bewaart het pand u toevertrouwd : volhardt bij de goede keuze ; strijdt den goeden strijd des geloofs ; wandelt in de liefde ; hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Draagt het schild des geloofs, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen. En neemt den helm der zaligheid en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord ; met alle bidding en smeeking biddende ten allen tijde in den geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeeking voor alle heili'gen. (Efeze 6).
En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus.
Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal. (1 Thess. 5 vers 23, 24).

OVER DE KERK.
Wat Calvijn er van zegt in De Institutie (3).
Vergeefs zoeken wij dus eene Kerk op aarde, zonder vlek of rimpel.
Maar — zoo zegt men — de pest der zonde grijpt al te veel om zich heen.
Let dan eens op de Corinthische gemeente : schier de heele gemeente is aangetast. Vele zonden zijn er, niet onbeduidende dwalingen in de leer, schending van de heilige bediening der Sacramenten. En wat doet de Apostel ? Hij erkent haar voor eene Kerk van Christus, eene vergadering van heiligen. Er was niet slechts één soort van zonde, maar zeer vele ; en het waren geen lichte dwalingen, maar er waren gruwelijke schandalen ; er was niet alleen bederf van zeden, maar ook van de leer. En wat doet nu de heilige Apostel, die 't instrument van den hemelschen Geest is, door Wiens getuigenis de Kerk staat en valt ? Zoekt hij een scheiding van hen ? Verstoot hij hen uit het Rijk van Christus ? Treft hij hen met den laatsten bliksem der vervloeking ?
Hij doet niet alleen niets van deze dingen, maar hij erkent en predikt, dat zij is een Kerk van Christus en een gemeenschap der heiligen.
Indien onder de Corinthiërs de Kerk blijft, waar twisten, secten en naijver woeden, waar geschillen en kijverijen zijn, waar men elkander verbijt en vereet, waar hebzucht is en openlijk een schanddaad goedgekeurd wordt, die zelfs in de oogen der heidenen verfoeielijk zou zijn, waar men dronken is bij de liefdemaaltijden, waar onbeschaamd de naam van Paulus, de gezant van Christus, wordt beschimpt, dien zij als een vader hadden behooren te vereeren ; waar sommigen de opstanding der dooden bespotten, met welker omverwerping het geheele Evangelie instort — wanneer de Kerk daar dan blijft, omdat de bediening des Woords en de bediening der Sacramenten er gevonden Wordt, moet ons dat dan niet tot voorzichtigheid manen om niet lichtvaardig een Kerk te schelden en te verlaten ? Zij, die zoo zeer woeden tegen de tegenwoordige Kerken, wat leert ons de Galatenbrief ? Zij hebben daar bijna het Evangelie verlaten en toch vond de Apostel Kerken bij de Galaten.
Calvijn erkent, dat als de Kerken wel geaard zijn, zullen ze geen boosdoeners in haar midden dulden, gelijk Paulus de gemeente van Corintie ook bestraft.
„Maar omdat de herders niet altijd zoo ijverig waken, soms ook wel eens wat toegeeflijker zijn dan behoorde ; of verhinderd worden die gestrengheid te oefenen, die ze wilden, gebeurt het soms, dat niet altijd zij, die in 't openbaar slecht zijn, uit het gezelschap der heiligen verwijderd worden. Ik erken, dat dit een fout is, en ik wil die niet verzachten, daar Paulus haar in de Corintlhiërs scherp berispt. Maar ook al zou de Kerk in haar plicht nalatig zijn, dan mag daarom nog niet terstond ieder lid oordeelen, dat hij zich moet afscheiden.
Wanneer men zegt, dat het heiligschennis is met zulke onwaardigen het brood des Heeren te gebruiken, dan zijn dezulken „veel strenger dan Paulus. Want wanneer hij ons tot een heilig en zuiver gebruik aanspoort, eischt hij niet, dat de een den ander onderzoekt, of een ieder de gansche Kerk, maar dat een ieder zichzelf beproeve. (1 Cor. 11 vers 28). Indien het niet geoorloofd was met een onwaardige het Heilig Avondmaal te gebruiken, zou Paulus ons ongetwijfeld bevelen, rond te zien, of er soms onder de menigte iemand is, door wiens onreinheid wij zouden kunnen besmet worden. Maar daar hij nu slechts eischt, dat - leder zichzelf onderzoeke, toont hij aan, dat het ons allerminst schaadt, wanneer sommige onwaardigen zich bij ons indringen".
Ook zelfs bij de goeden komt niet zelden een onberaden ijver op, waarbij we dan zullen vinden, dat al te groote gemelijkheid meer uit hoovaardij en trotschheid en uit een valschen waan van heiligheid, dan uit ware heiligheid en ware begeerte tot haar ontstaat. En zoo hebben zij, die als 't ware de voormannen zijn, meestal geen andere reden, dan opdat ze met verachting van allen, mogen toonen dat zij beter zijn dan de anderen.
In den regel zal dus hoogmoedige zelfverheffing en starre gestrengheid oorzaak zijn, dat men om dergelijke redenen de Kerk verlaat en het lichaam van Christus verscheurt. Goed en verstandig zegt dan ook Augustinus (Calvijn citeert hier breed) „dat wij met barmhartigheid moeten verbeteren wat wij kunnen ; en wat wij niet kunnen verbeteren, moeten wij geduldig dragen en met liefde betreuren, totdat God het of verbetert of in den oogst uitroeit." „Laat alle vroomen hun best doen zich met deze wapenen te versterken, opdat ze niet, terwijl ze meenen flinke en moedige verdedigers der gerechtigheid te zijn, van het Koninkrijk der hemelen, dat het eenige Rijk der gerechtigheid is, afwijken. Want die den band met de Kerk verbreekt slaat een weg in, waarop men gemakkelijk afvalt van de gemeenschap der heiligen. Laat men bedenken, dat er in een groote menigte verscheidenen zijn die oprecht en vroom zijn en aan God (bekend, maar die voor onze oogen verborgen zijn. Laat men bedenken, dat er ook onder hen die ziek schijnen, velen zijn die tegen hun gebreken strijden meer dan wij weten, en naar grootere zuiverheid streven. Laat men bedenken, dat er tot het bijeenbrengen der Kerk te veel gewicht gelegen is zoowel in de bediening des Woords als in de uitdeeling der heilige verborgenheden, dan dat die kracht door de schuld van sommige goddeloozen geheel zou kunnen verdwijnen.
De Kerk wordt heilig genoemd (Efeze 5 vers 25) en Christus heeft Zich Zelf voor de Kerk overgegeven, .opdat Hij haar zou heiligen ; doch hare heiligheid is hier op aarde nooit volmaakt. Maar ofschoon meer malen slechts zeldzame teekenen van zulk een heiligmaking onder de menschen gezien worden, moet men toch vaststellen, dat er van de schepping der wereld af, geen tijd geweest is, waarop de Heere Zijn Kerk niet gehad heeft, en dat er ook tot de voleinding der wereld geen tijd zal zijn, waarop Hij haar niet zal hebben. Dit heeft Hij met vaste beloften betuigd. Ps. 89 vers 4; 132 vers 13 ; Jeremia 31 vers 35.
(Wordt voortgezet).

DE LAMBETH-CONFERENTIE VAN 1930 EN HET HUWELIJK EN SEXUEELE VRAAGSTUKKEN. (1)
De Lambeth-conferentie is een vereeniging van Anglicaansche bisschoppen der geheele wereld, die om de 10 jaar samenkomen en, in geestelijk opzicht, een vertegenwoordiging der gezamenlijke Anglicaansche Kerken der wereld vormen.
De aartsbisschop van Canterbury is het geestelijk hoofd en de leider van deze conferentie. Een commissie voor de bestudeering der sociale vragen heeft tenslotte allerlei conclusies voorgesteld, die zijn aangenomen en als een soort sociaal program der Lambeth-conferentie beschouwd kunnen worden. (1920)
In dit sociale program komen allerlei merkwaardige uitspraken voor. Om een voorbeeld te geven voor 't oogenblik slechts dit:
„Wij wenschen uiting te geven aan ons geloof, dat het najagen van zuiver eigenbelang op individueel en collectief gebied de wonden der maatschappij nooit zal genezen. Onze eenige hoop is gelegen in ootmoedige overgave aan den persoon van Christus, Wiens Wet de wet der liefde is, en in de aanvaarding van Zijn leer en in het vertrouwen op Zijne kracht.
Een der belangrijkste plichten der Kerk bestaat hierin : hare leden tot de overtuiging te brengen dat een essentiëele verandering in den geest en in het karakter van ons sociale leven noodig is. Deze verandering kan slechts komen, wanneer als grondslag der sociale betrekkingen het beginsel van samenwerking in wederkeerigen dienst aan het gemeenschappelijk welzijn aangenomen wordt en de onbeperkte strijd om winst en groepsvoordeel daardoor wordt vervangen".
Als wij dit lezen, denken we aan ons ageeren tegen den klasse-strijd der S.D.A.P. Waarbij wij echter dikwijls sterker zijn in het negatieve — om te zeggen wat niet mag — dan in het positieve — in het aangeven van wat, naar onze christelijke beginselen en naar de Wet van Christus wel moet geschieden dan.
Daarom doet het goed, om in deze de taal van de Lambeth-Conferentie (1920) te beluisteren.
„In gehoorzaamheid aan Christus" — zoo lezen we verder — „die hebzucht en eigenbaat veroordeelt, roept de Conferentie alle leden harer Kerk op, om alles te doen, zoowel door persoonlijk gedrag als door offer, opdat het belang van het menschelijk leven boven het belang van het bezit gesteld worde.
Te dien einde legt zij den nadruk op den plicht van alle Christenen, om bij de uitoefening van hun zaken de menschelijke waarden te stellen boven dividend en voordeel, uitspatting en verkwisting te vermijden en in allen arbeid een ideaal van eer en betrouwbaarheid hoog te houden. Enz."
„Het Evangelie van het Godsrijk sluit een sociale boodschap in".
Dit is iets uit het sociale program van 1920.
ar nu hebben we voor 't oogenblik meer op het oog wat de Lambeth-conferentie van 1930 gepubliceerd heeft inzake het huwelijk en sexueele vraagstukken.
Hierin hebben de Anglicaansche Kerken aldus gesproken :
„De Conferentie gelooft, dat de toestanden in het moderne leven vragen om een nieuwe verklaring van de Christelijke Kerk aangaande het sexueele vraagstuk.
Zij verklaart, dat de sexueele functies als een door God geschonken bestanddeel van het menschelijk leven, in hun diepste wezen edel en opbouwend zijn. Er moet des te sterker nadruk gelegd worden op het rechte gebruik dier functies wegens de toenemende verwording, zoowel in gedachte als in gedrag, wat betreft sexueele aangelegenheden.
De Conferentie gelooft, dat  - dit het verheven standpunt, dat Christus tegenover het huwelijk inneemt, de oplossing te vinden is van de problemen, die zich aan ons voordoen. Zijn leer wordt gesteund door vaste factoren, waarop in het moderne leven opnieuw de nadruk moet worden gelegd, met name de heiligheid van ieders persoonlijkheid, de meerdere gelijkheid van mannen en vrouwen en de biologische belangrijkheid van het monogame huwelijk (het huwelijk tusschen één man en één vrouw).
De Conferentie gelooft, dat met dit ideaal voor oogen, de Kerk zich moet bezig houden met het echtscheidingsvraagstuk en met alles wat de positie van de vrouw en de stabiliteit van het huiselijk leven bedreigt. Gedachtig aan Jezus' woorden : „wat God heeft samengevoegd, scheide de mensch niet", eischt ze als Jezus' beginsel en maatstaf voor het huwelijk een levenslange, onontbindbare verbintenis in voor en tegenspoed, van één man met één vrouw, met uitsluiting van alle anderen, zoowel van de zijde van den man als van de vrouw, en doet een beroep op alle Christenen om voor dezen maatstaf te pleiten en hem te handhaven.
In geval van echtscheiding :
a. De Conferentie adviseert, zonder een oordeel te vellen over het gebruik in gewestelijke of nationale kerken binnen onze kerkgemeenschap, het huwelijk  van een, wier of wiens levensgezel(lin) in leven is, niet kerkelijk te bevestigen.
b. In geval de onschuldige partij van een ontbonden huwelijk een echtverbintenis aangaat, bekrachtigd door de burgerlijke overheid, en hij of zij wenscht het Heilig Avondmaal te ontvangen, adviseeren wij de zaak ter beoordeeling aan den bisschop voor te leggen, met inachtneming van de plaatselijke verordeningen.
c. Tenslotte wenschen we de aandacht te vestigen on de altijddurende verantwoordelijkheid van de kerk voor het geestelijk welzijn van al haar leden, die naar haar maatstaf in eenig opzicht niet hebben geleefd, en op het feit, dat het doel van de Kerk, individueel en gemeenschappelijk, is verzoening met God en verlossing van zonde. Ze spoort daarom alle Bisschoppen en geestelijken aan dit doel voor oogen te houden.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's