JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Reeds vroeg in den middag komen de boeren en boerinnen van buiten, natuurlijk op z'n mooist gekleed en met al de sieraden van den rijken Frieschen boerenstand omhangen, 't Schijnt wel tevens een wedijver te zijn wie bij deze gelegenheid zich het meest kan laten schitteren en blinken. Doch ook de arbeidersbevolking blijft niet achter ; elk heeft het werkpak uitgetrokken. Wie niet met een breed-gouden oorijser voor den dag kan komen doet het met een smalgouden en anders met een zilver, waarbij natuurlijk de floddermuts niet mag ontbreken.
In breede rijen gaat jong en oud, rijk en arm, vrije en dienstbare de kermis op, eerst langs de kramen en tenten, eerst kijkend en luisterend, straks koopend en etend, drinkend of dobbelend, draaiend, schietend en werpend, om dan eindelijk, vermoeid van al het hooren en zien, huiswaarts te keeren; de kleinere met een. blaasfluitje, de grootere kinderen met een stuk speelgoed en de ouderen met een doorweekte zak oliekoeken of een half pond kermisduimpjes, om thuis bij de koffie te gebruiken.
De grootste pret komt evenwel als het donker wordt en de lichten ontstoken worden, want dan krijgt de oude kermis haar schoonste glans, Omdat haar veelkleurig glas dan het meest schittert en de gebreken — het arme, het bedriegelijke, het leelijke — van de pret dan niet gezien worden, en ook, omdat hetgeen tot de duisternis behoort, dan niet zoo uitkomt.
En niet één van al die vroolijke kermisgasten, die er aan denkt wat onder die maskers en achter die coulissen, in die kermisscheepjes en woonwagens door jong en oud, bij dag en nacht, naar lichaam maar bovenal naar geest, menigmaal geleden wordt; aan weedom, aan zelfverwijt, aan hartzeer, aan een altijd sterker dorstende begeerte naar verzadiging, zonder dat er ooit bevrediging komt.
Vooral dit jaar is de kermis van Kleiterp druk ; dat komt omdat het vele vreemde werkvolk bij de spoorbaan den arbeid heeft neergelegd, om van deze gelegenheid tot vermaak te profiteeren. Er wordt ditmaal oneindig meer gedronken dan anders, meer gezongen dan anders, ook meer gevochten dan anders ; want hoe rustig de Kleiterpers uiteraard ook mogen zijn — zoodat de veldwachter in gewone tijden zoowat niets te doen heeft en gerust zijn vrouw kan gaan helpen in het drukke huishouden, of in z'n tuintje de vruchten kan gaan verzorgen — als het kermis is, en de vreemdelingen uit den omtrek komen om misschien bij deze gelegenheid tevens een oogje te slaan op de Kleiterper meisjes, wordt het wel eens een kloppartij, waarbij ook 't mes wel gebruikt wordt en dus de sabel van den veldwachter te pas moet komen. Vandaar dat reeds sinds jaren tegen den avond politieversterking uit naburige gemeenten op het feestterrein verschijnt, om mede een oog in het zeil te houden.
Terwijl aldus van de eene zijde door jong en oud feest gemaakt wordt, zijn van de andere zijde de jongelui van Christelijken huize samengekomen om zich op hun wijze te vermaken. Weliswaar ondervinden deze anti-kermisbijeenkomsten geen onverdeelde belangstelling en boer Brandsma is er zelfs in het geheel niet voor dat zijn volk er heen gaat. Over Jap is hij nu eenmaal geen baas ; als zij 's avonds na het melken zich verkleedt om derwaarts te gaan, kan hij daar niets aan doen, maar zijn eigen kinderen hebben vroeger nooit vrijheid gekregen om deze vergaderingen bij te wonen. Hij zegt, dat het niet noodig is. De jongelui moesten in plaats daarvan laten zien, dat zij buiten alle vermaak kunnen ; dat zij niet der wereld gelijkvormig willen zijn ; dat zij ver daarboven verheven zijn.
Dat hij zelf ook jong geweest is en in zijn jonkheid óok wel eens uit wilde, dan is hij dat totaal vergeten, of hij zegt, dat hij toen nog in zijn natuurslaap was en dus alles, wat hij toen deed, tot den ouden mensch behoorde; want toen hij nog jong was stond hij, gelijk zoovelen, in eigen zwakke kracht, maar sinds de Heere hem op zijn weg tegengehouden heeft, is het bij hem anders geworden. Hij heeft ingezien dat zijn eigen armzalig leven niets is geweest dan één stuk bederf, tastbare duisternis, ook al was hij naar de wereld een voortreffelijk jonkman, en dat de Heere van den zondaar alles opvordert. Daarom, zegt hij, is het : „alles of niets". Een half Christendom, dat Zondags God dient en in de week op eigen weg gaat, 'n gedeeld leven tusschen de kerk en de wereld, acht hij in den diepsten zin nog verderfelijker dan de goddeloosheid der zondaren, en daarom is er in zijn gansche optreden dat resolute, dat besliste, hetwelk velen niet kunnen hebben, maar waardoor elk weet wat hij aan hem heeft; waardoor er ook een goed getuigenis van zijn belijdenis uitgaat; waardoor hij respect afdwingt, zelfs bij de tegenstanders. Weliswaar speelt de Friesche stijfhoofdigheid in dat alles ook wel eens een rol en is een zekere hardheid van karakter oorzaak, dat het teedere in den dienst des Heeren min of meer verloren gaat, doch deze hardheid toont hij niet in de eerste plaats jegens anderen, doch het meest jegens zich zelf. Het woord des Heeren : „die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig ; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig, en die zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mijns niet waardig", staat met vlammend schrift in zijn ziel gegrift; vandaar dat hij bij een onkreukbaar rechtsgevoel, 't welk niet de minste aanranding duldt, ook een even onkreukbaar plichtsbesef heeft, waarvan niets ter wereld hem kan afbrengen. Neen, dat is niet altijd doof de menschen begrepen geworden. Toen hij herhaalde malen zijn eigen vleesch en bloed moest afstaan aan den kouden dood, heeft men het er over gehad dat de boer van „de Eendenkooi" met droge oogen zijn kinderen ging begraven, doch zij wisten niet, hoe zwaar hem het brengen van die offers viel en welk een innerlijke strijd gestreden was, alvorens hij tot die overgave kwam ; waarbij zelfs gedankt kon worden voor hetgeen de Heere in Zijn wijsheid en liefde ontnam.
Maar zoo is het dan ook te verstaan, dat het niet in de lijn van boer Brandsma's leven lag om b.v. de verzoekingen der wereld voor de jonge menschen gemakkelijker te maken, door hun iets, waarop geen naberouw zou volgen, daarvoor in de plaats te geven, teneinde te trachten hen aldus voor de verleiding te bewaren.
Verreweg de meesten denken echter anders, zoodat bijna al de leden der Jongelings-en Jongedochtersvereeniging present zijn, als het uur van vergaderen geslagen heeft. Slechts een enkele die verhinderd is of — bezweek voor de lokstem der wereld, om bij haar het genot te zoeken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's