De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

10 minuten leestijd

Jezus zeide tot hem : Ik ben de weg. Johannes 14 vers 6.

„DE WEG".
Nadat de mensch van den Heere is afgevallen, is hij een ongelukkig mensch geworden. En daardoor werd hij zoekende om uit de ellende, waarin hij zich moedwillig en vrijwillig gestort had, verlost te worden. Het gansche schepsel zucht. Zucht om verlossing. Adam en Eva zochten de verlossing al door .zichzelf te bedekken met schorten van vijgebladeren en in den weg van verontschuldiging. Kaïn door afleiding te zoeken. Saul door snarenspel. En nog steeds is de mensch bezig om verlossing te zoeken. Ook in onzen tijd is dat nog zoo, ja, zelfs in bijzondere mate. De een zoekt hier en de andere daar. En telkens staan er weer op, die meenen den weg van verlossing gevonden te hebben. Vandaar die scheuring in de partijen, die zeggen : dit is de weg. Want nauwelijks hebben zij eenigen tijd in dien aangeprezen weg heil gezocht, of er komen er die zich teleurgesteld van hen afkeeren en meenen dat zij den weg des heils gevonden hebben. Zij beloven een heilstaat voor de kinderen der menschen. Het blijken echter allen valsche profeten te zijn, die den waren profeet naroepen : „Dit is de weg, wandelt in denzelven".
Geen wonder dat er meerderen zich afwenden van die zoogenaamde heilsprofeten en een anderen weg gaan zoeken, of moedeloos of troosteloos gaan neerzitten, zonder echter den eenigen waren weg te kiezen.
Gelukkig echter degene, die als een moedelooze en troostelooze Thomas het woord van onzen tekst uit den mond van den grooten Leeraar der gerechtigheid mag hooren en verstaan en beoefenen, want niemand is ooit daarmede bedrogen uitgekomen. Hebben wij dat woord al eens gehoord, verstaan en beoefend ? Zeker niet, als wij nog voortgaan op eigen gekozen wegen en meenen het buiten Christus te vinden. Ook Thomas verstond het nog niet, toen hij deze troostrijke woorden uit den mond des Heilands mocht hooren. Zoovele malen hebben wij het gehoord ; maar verstaan wij het en beoefenen wij het ? Gelukkig, indien wij door genade „ja" hebben leeren zeggen.
„Ik ben de weg", zegt de Heere. Welke weg is dat ? De weg des heils, de weg tot waren vrede, de weg tot God.
Nu is het opmerkelijk, dat iedere heilsprofeet zooveel volgelingen vindt die hem korter of langer tijd naloopen en dat er zoo weinigen dezen hoogsten Profeet en Leeraar volgen. Opmerkelijk en toch geen wonder, want het is een weg tegen vleesch en bloed in. Een weg van zelfverloochening ; een weg van „zijn kruis opnemen", in plaats van wegwerpen.
On wederstandelijke genade is noodig, anders blijft de mensch een vijand van den weg Christus. Licht des Heiligen Geestes is onmisbaar, anders blijft hij tot den einde toe buiten dien weg zoeken en dwalen.
Ik ben de weg, de eenige weg.
Vrede en heil is verloren, toen wij in Adam van God zijn afgevallen., Vrede en heil zal ons deel zijn, als wij tot den Heere zijn wedergekeerd. Buiten Christus is geen wederkeeren mogelijk. De Heere heeft alleen in Christus den weg gegeven. Door Hem alleen is verbinding mogelijk. Dat wordt ervaren door hen, die hunne ellende hebben leeren kennen. Niet hunne werken, niet hunne tranen, niet hunne gebeden, niet hunne bekommering, of wat ook, geeft vrede, waren vrede en verzoening met God, maar alleen Christus. In den weg van bevinding wordt geleerd dat Christus de eenige weg is. „Die door den Zoon vrijgemaakt is, zal waarlijk vrij zijn". Vrij van alles-wat scheiding maakt tusschen God en zijne ziel! Het is dan ook een kenmerk van genade als een ziel niet rust voordat zij Christus gevonden heeft. Wat een kind des Heeren ook ondervonden en genoten heeft in dit leven ! Hoezeer hij ook niet durft te ontkennen dat de hand der genade hem heeft aangeraakt en hij kan spreken van een „voorheen en thans", ja, zelfs dag en uur van zijn omkeering kan noemen ; hij heeft geen rust voordat hij weet in Christus te zijn overgebracht. Dan, maar ook dan alléén is hij uit de engte in de ruimte, uit de vreeze in den vrede. Vóór dien tijd is hij wel op weg naar den weg, maar dan is hij er nog niet. Die op weg is naar den trein, is nog niet in den trein. Hoe dikwijls bekruipt hem de vrees of hij den trein wel halen zal. En menigeen, die al te gerust is, haalt hem niet.
„Wee den gerusten te Zion, en den verzekerden op den berg van Samaria".
Die naar de vrijstad vluchtte, was er nog niet in, en daarom haastte hij zich zoo hard hij kon, daar hij wist dat de bloedwreker hem achtervolgde.
Er is in onze dagen wel veel zoeken naar verlossing uit de maatschappelijke ellende, waarin de menschheid ligt verzonken. Wat wordt daarover gedacht en gepeinsd en wat worden er tal van wegen aangewezen. Maar hoe weinigen zijn er die door hun geestelijke ellende gedrukt worden. „Wat klaagt een levend mensch, een iegelijk klage vanwege zijne zonde", zoo roept Jeremia. „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden 't zoo leert de groote Leeraar.
Voor verlossing uit de stoffelijke en geestelijke ellende is Christus alleen de weg. Ook uit de stoffelijke ellende ? Ja. Want die in Christus Jezus zijn, mogen nog veel druk-en proefwegen moeten doorgaan, geen nood ! Straks zullen zij daaruit geheel verlost zijn. Dan zullen geen tranen meer geschreid en geen zuchten meer geslaakt worden, en dan zal niemand meer zeggen : „ik ben ziek", dan is er geen gebrek en geen gevaar meer voor degenen die in Christus Jezus zijn, al zijn hier nog de tegenspoeden der rechtvaardigen vele.
Maar ook uit de geestelijke ellende zullen zij verlost zijn. Hier kennen zij tijden, dat zij zijn „alsof zij nooit eenige zonde gehad of gedaan hebben", maar dan geheel en voor eeuwig verlost van zonde en schuld, van aanvechtingen des Satans en verzoekingen van hun eigen vleesch, waaraan ook zij, die den weg Christus hebben leeren kennen, zijn en blijven blootgesteld.
„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar heb goeden moed ! Ik heb de wereld overwonnen".
„De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Hij kan ze niet verstaan". Ja, niet alleen niet verstaan, nog erger. Het Evangelie van Christus, de weg van verlossing, is „den Grieken een dwaasheid en den Joden een ergernis".
Voor hoevelen is de weg Christus een dwaasheid en ergernis, zoo zelfs, dat zij er openlijk mede spotten en dien heftig bestrijden. O, wat zou de toestand gansch anders zijn als de onkunde eens meer beleden werd en de bede in de ziele oprees: „Heere, dat ik ziende mag worden", met heilige jaloerschheid vervuld op degenen, die Christus als den weg hebben leeren kennen en die in dien weg zalig en welgetroost hebben geleefd' en zijn gestorven, die van den vrede in Hem hebben genoten en daarvan in de moeilijkste tijden des levens, ja, zelfs in de doodsure hebben getuigd. De Heere heeft toch Zijn volk tot jaloerschheid gesteld ?
Wellicht zijn er onder degenen die dit lezen die in verzoeking zijn om den weg van dezen of genen leugenprofeet te volgen, die hunne oogen verblindt door de schoonste beloften, die zullen vervuld worden als zij hem volgen. Die onder bekoring zijn gekomen van zijn vurige rede, waarin hij de wonden der wereld heeft aangewezen en die met kracht en klem betoogde : als dit maar aldus, en als dat maar alzoo was, dan waren wij uit de ellende. Gelooft hem niet. Welke wegen ook worden aangewezen en aangeprezen, buiten of tegen den eenigen weg, het is bedrog. Of de mond der Waarheid zou hebben bedrogen ! Maar dat kan niet. Er is nooit bedrog over Zijne lippen gekomen. Zoudt ge een nietig, zondig, ellendig, vijandig, goddeloos mensch gelooven en Christus tot een leugenaar stellen ? De oude beproefde waarheid verwerpen om de oude leugen van den Vader der leugen te gelooven ?
Waar wilt ge liever mede reizen, met de ware Christenen, die psalmen zongen in den nacht, die al hunne bekommernissen op den Heere wierpen, die stil waren in de verdrukking, in één woord, die in Christus den weg hebben gevonden, óf met hen, die oproer en revolutie prediken, die van den weg Gods niet willen weten, die een en al bitterheid en nijdigheid zijn, die de tanden in hunne woede soms knersen en de vuisten ballen. Och, vraag u zelf eens af of dat ooit de weg van verlossing zou kunnen zijn en hoor liever naar het Woord van Christus : „Ik ben de weg".
Velen, vooral onder de jongeren, dwalen al verder en verder af. Mochten uwe oogen daarvoor geopend worden, want het is een weg die wel recht schijnt, maar waarvan het einde is het verderf.
Anderen zijn er, die nog niet mede doen aan en niet gaan met zulke openbare oproermakers en die ook in dezen tijd nog al gemakkelijk leven en die nog wel overtuigd zijn dat het den weg van opstand niet op moet. Nu is het echter de vraag, of zij al eens tot zich zelf ingekeerd zijn en gedacht hebben over : „Wat is noodig om welgetroost te leven en te sterven? " Mocht ge daar nu eens bij stilstaan. „Het leven is een damp en de dood wenkt ieder uur". Zijt gij op den weg Christus ? Hebt gij er al eens naar gevraagd ? Ja, hebt ge de noodzakelijkheid er al eens van ingezien ? Zoo neen, dan zijt gij nog op den breeden weg, die ten verderve leidt. Hoe vreeselijk zal het dan zijn te vallen in de handen van den levenden God, die een verterend vuur en een eeuwige gloed is voor degenen die buiten den weg Christus voor Hem zullen verschijnen. En daarom : heden, zoo gij Zijne stemme hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.
Hebt gij echter door genade uwe dwaling leeren inzien en zijt gij zoekende geworden ? Welk een groote en gelukkige verandering. Meen evenwel niet, dat gij er nu al zijt. Want te weten op den verkeerden weg te zijn, daarmede is men nog niet op den rechten weg. Velen zijn zoekende naar den rechten weg omgekomen. Gij kunt daarom met uw zoeken naar den weg Christus niet tevreden zijn. Integendeel, hoe langer gij zoekt, en niet vindt, hoe onrustiger gij moet worden, zal het wèl zijn. Want de tijd gaat zoo snel en het kan zoo spoedig te laat zijn.
Mogelijk vraagt gij : zou het voor mij al niet te laat zijn ? Ik heb al zoolang gezocht maar nog niet gevonden ! Hij, die zegt: Ik ben de weg. Hij laat zich ook vinden. Moge dit uw troost zijn. Niet, om daardoor zorgeloos te worden, want dat zou een bewijs zijn dat gij geen ware zoeker zijt, maar om des te volhardender te zoeken. Die volharden zal tot het einde toe, zal zalig worden. Want die zoekers zijn van Hem gevonden.
Die allen, maar ook die alleen! Die alleen, maar ook die allen!

Elburg

den Ouden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's