De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS.

9 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord. De ontkerstening der Westersche volken, in voorgaande eeuwen opgekomen, heeft in onze dagen zeer diep doorgewerkt in het bewustzijn der massa. Het eeuwigheidslicht, waarin voorgaande geslachten hebben gewandeld, dat aan hun leven eene wondere bekoring verleende, die nog tot ons spreekt tot zelfs uit de kunst, die zij ons na hebben gelaten, ging onder over de moderne menschheid. Zij beroemt er zich op bij monde harer leiders op sociaal en politiek gebied, dat „de lichten aan den hemel" werden uitgedraaid. En inderdaad, dit is voor de groote massa de ontroerende werkelijkheid, zoodat zij rondwaart in een nacht van donkerheid, waarin geene ster der hope haar lichtglans meer schijnen doet. Het beeld, dat dit Westersche leven te zien geeft, niet slechts thans, nu eene bange crisis op economisch gebied ons teistert, maar ook dan als voorspoed de weelde en rijkdommen vermenigvuldigt, is uit geestelijk oogpunt verre van bekoorlijk. Het materialisme viert hoogtij. Duizenden. bij duizenden, ook onder die volken, die onder de levenwekkende opstandingskracht van Christus eene rijke, schoone cultuur zich verwierven, stierven af van alle hooger leven, kennen geen andere idealen dan die der oude Epicureeën, wier leuze was : „eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij". Uit den mond der massa gaat al luider de roep op om wat dit aardsche leven lang en rijk en genotvol maken kan. Een grooter deel van den rijkdom dezer wereld is het eenige, dat zij nastreven om aan de begeerten des harten den vrijen teugel te kunnen vieren. Maar over eeuwige dingen, over dood en graf, over zonde en oordeel, over de verantwoordelijkheid, die op den mensch rust, omdat tot hem gezegd worden zal: „geef rekenschap van uw rentmeesterschap", daarover denken zij nimmer, spreken zij nimmer. En als er over gerept wordt, klinkt het in hunne ooren als eene vreemde sprake uit een onbekend verleden, waarvoor zij geen oor en geen hart, geen oog en geen zin hebben.
De moderne menschheid is over het geheel genomen minder godvruchtig dan de voorgeslachten. Men kan niet zeggen, dat zij minder godsdienstig is. Uit dat oogpunt gezien, is zij als het Athene, waarover Paulus' geest in hem ontstoken werd, ziende dat de stad zoozeer afgodisch was. De mannen van Athene waren „alleszins gelijk als godsdienstiger". Zij waren zeer godsdienstig. En wie zou meenen, dat de moderne menschheid geen godsdienstige gevoelens koesterde, die zou zich zeer vergissen. Het godsdienstig gevoel is voor velen het surrogaat der religie. Zij teren er op, zij doen er alles voor om het te laten spreken, zelfs in kringen en groepen, materialistisch als de sociaal-democratie onzer dagen. Overal rijzen de verzamel-localen uit den grond en week aan week verkondigen de advertenties in onze groote bladen, dat religieuse samenkomsten worden gehouden van allerlei aard. Neen, ook de moderne menschheid is op hare wijze godsdienstig. Zelfs in de meest brute revolutionaire bewegingen openbaren zich religiouse, meestal wel ziekelijk religieuse gevoelens. De wereld is er vol van in onze dagen, meer dan ooit te voren. Maar de Ware godsvrucht is een zeldzaam goed.
Er zijn oorzaken in onze cultuur, die daartoe medegewerkt hebben. De geweldige verfijning der techniek, de rijke productiekracht, de schoone vruchten der moderne Wetenschap, toet vele dat de moderne menschheid kan voortbrengen en vermag te doen, hare te voren ongekende heerschappij over de krachten der natuur, al de wonderen op schier elk gebied, die onze Vaderen nooit hebben gekend, zij hebben in het bewustzijn van den modernen mensch een besef van volkomen onafhankelijk zijn van hoogere macht aangekweekt. De moderne mensch meent het alles zelve te kunnen. Zie maar, hoe men meent op internationaal gebied alle bezwaren en moeilijkheden te kunnen vermijden, allen oorlog en alle economisch leed meent te kunnen overwinnen. Ja, inderdaad leeft de moderne wereld ook internationaal in den waan, dat zij zichzelve helpen, zichzelve verlossen kan van al wat haar 'beklemt. En ook al werd zij reeds vele malen teleurgesteld in hare hope op eigen reddend vermogen, toch gaat zij door, telkens opnieuw, op het pad harer zelfmisleiding.
En te midden dezer wereld leeft nu ook Gods Kerk. Zij staat met het oude Evangelie, heeft te getuigen van den levenden God en van Zijnen Christus en zij moet het maar al te dikwijls hooren, hoe de smaad uitgaat en de wereld, die in haar cultuur-weelde zich toch ten diepste ontevreden en ongelukkig gevoelt, haar toevoegt, dat Christus' werk is mislukt, dat het Christendom een fiasco werd, dat na zoovele eeuwen niets vervuld werd van alle schoone beloften, die Hij ons voorgespiegeld heeft. Ja, men kan het hooren, hoe van alle zijden de smalende vraag wordt toegeroepen tot Gods kinderen : waar is nu uw God ?
Vooral deze crisis-tijden met hunne ontberende nooden, met de diepe ellende, die zij brengen, met hunne verliezen aan levensvreugde, aan goederen dezer wereld, met hunne vreeze, die zij wekken, voor een donkere toekomst, waar niemand in-en doorzien kan, vooral in deze tijden worden de smaadwoorden vernomen, die herinneren aan de woorden van den God-loozen moordenaar aan het kruis, die Hem lasterde en zeide : „indien gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons. Dat woord drukt de stemming uit, die in vele kringen kan worden beluisterd. Het schaamtelooste ongeloof en de domste dwaasheden worden als de hoogste wijsheid der wereld in onze daden publiekelijk uitgevent. Ja, deze moderne menschheid, verteerd als zij wordt door den onvrede van het materialisme, dat haar bezielt, balt soms wel de vuisten tegen den hemel, als zij gedwongen wordt tegen den muur van wat zij gaarne het noodlot noemt en smalend zegt zij den ganschen dag tot Gods kinderen : waar is u uw God ?
En waarlijk het is geen wonder, dat er dan soms gepoogd werd op die vraag een antwoord te geven, alsof het mogelijk ware de wereld in hare wijsheid met andere wijsheid te weerleggen. Er is in den loop der tijden zooveel vergeefsche moeite gedaan om te komen tot eene verstandelijke weerlegging van wat zy hare wetenschappelijke bezwaren graag noemt. En het bleek steeds te vergeefs. De wereld van het ongeloof zwicht daarvoor niet. Haar mond wordt er niet door gestopt. Heeft niet de Heere Jezus zelve het ons gezegd, toen de rijke man uit de gelijkenis bad, dat Lazarus gezonden zou worden tot zijns vaders huis : zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die hooren ? En heeft Hij niet, toen de bede kwam, dat iemand van de dooden tot de levenden gaan zou, opdat zij zich zouden begeeren, geantwoord : Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, ware het dat iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen ? Welnu, dat antwoord werd en wordt de eeuwen door bewaarheid. Immers, de Heere Jezus Christus zelve is opgestaan uit de dooden, Hij heeft het woord des levens gesproken tot alle geslachten en Hij spreekt het nog en zij hebben zich niet bekeerd.
Niet tot verstandelijke wederlegging van de wijsheid der wereld heeft de Heere Jezus Zijne discipelen geroepen. Hij beloofde hun de kracht Zijns Heiligen Geestes, die over en komen zou en, zoo zeide Hij, „gij zult zijne getuigen zijn". Getuigen, dat is de opgelegde roeping, waartoe de Heere zelf de zijnen wenkt. En dat getuigenis, gedragen door Gods eigen, onwederstandelijken Geest, heeft de belofte des heils. Dat getuigenis heeft het merkteeken Gods, van den God der waarheid, die als Hij haar verkondigen laat, haar paart met den levenwekkenden adem van Zijnen Geest. En waar zulk een getuigenis valt, daar gaat het gepaard met die overreding, die den onwilligen zondaar dringt zich met geloof te leggen op Gods eigen Woord. De Heere Jezus behoeft niet eene apologie, omdat Hij Zijn eigen apologeet is. Hij is het, die Zijne prediking tot een getuigenis des Geestes maakt. Meen niet, dat ooit iemand tot het waarachtig, levend geloof gekomen is onder den indruk van groote geleerdheid, onder de overtuigende kracht eener redeneering. Het Evangelie des kruises is er niet door gebracht tot heerschappij over de volken van het Westen, zoo min als het er ooit, tot zelfs in onze dagen toe, door uitgeroeid werd. Welke felle aanslagen het ooit heeft te verduren gehad, het bleef door Gods Heiligen Geest als de levensschat van Gods kinderen. Hun aantal mocht gering soms zijn en onder dezen slechts weinigen, die in de wereld als edel en voornaam golden, de Heere behield Zich de eeuwen door een overblijfsel, dat naar de verkiezing is. Aan die Kerk betrouwde Hij zijn Woord toe, dat volk liet Hij het in de ooren klinken, dat volk deed Hij het doorleven in de ziel, omdat Hij aan die Kerk ook zijn Geest heeft beschikt, die hun het oor doorboort en hun het hart verlicht. Ja, die Kerk zelve is het sprekend bewijs der waarheid Gods door de vruchten des Geestes in alles wat lieflijk is en welluidt. Die Kerk zelve is het teeken van de waarachtigheid van Gods Woord, dat Hij haar te lezen geeft in Natuur en Schriftuur beide, dat Hij haar geeft uit te dragen in eene wereld, die in het booze ligt.
En als er dan ook van de kracht des Woords gesproken kan worden in deze wereld, die zoo ver is afgeweken van hetgeen zij van de voorgeslachten heeft gehoord, dan is juist dit de beschaming van Gods Kerk, dat zij zoo weinig door haar levensdaden verschijnt als een brief der genade en der ontferming Gods, geschreven uit den hemel aan een wereld, die neigt tot haren ondergang. Daarom te midden van den ontroerenden afval onzer dagen past aan Gods kinderen de belijdenis hunner ontrouw, de belijdenis ook van hun gebrek in het beleven van Gods waarheid, in de openbaring ook dier liefde van Christus, die haar voor het oog der wereld tot eene getuige kan maken van Hem, die de Vorst en Gebieder der volken is en Zich te Zijner tijd betoonen zal. Maar daarvoor is aan Gods kinderen noodig weer te komen tot den weg der Vaderen, die ons het Woord hebben voorgehouden als een lamp voor den voet en een licht op het pad. En dat Woord zagen zij geschreven in Natuur en Schriftuur beide.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's