De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

VAN DE JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORMEERDEN BOND OP 14 APRIL, DES MORGENS ELF UUR IN HET GE­ BOUW VAN KUNSTEN EN WETENSCHAP­ PEN TE UTRECHT,

40 minuten leestijd

VAN DE JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORMEERDEN BOND OP 14 APRIL, DES MORGENS ELF UUR IN HET GE­BOUW VAN KUNSTEN EN WETENSCHAP­ PEN TE UTRECHT,
Terwijl buiten de boomen beginnen te knoppen en op het veld zich alles voorbereidt voor de lente, die traag komt, maakten zich honderden uit alle deelen des lands op om naar Utrecht te reizen ter bijwoning van de Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen.
Precies 11 uur, toen de zaal behoorlijk gevuld was — waarna nog velen binnenkwamen — opende de VOORZITTER, ds. M. van Grieken, van Rotterdam, het samenzijn en verzocht te zingen Psalm 89 vers 1. Het ging immers vandaag om den opbouw van 's Heeren Kerk in dezen lande, als toewijs van Gods liefde en trouw, die bestaat in eeuwigheid !
Gelezen werd Nehemia 4, waar Gods Woord ons spreekt van den schamperen spot bij velen, toen amechtige Joden bezig waren de vervallene muren van stad en tempel te herstellen en op te bouwen. Hoe vijandig, beleedigend zei Tobia de Ammoniet: „Al is het dat zij bouwen, zoo daar een vos op kwame, hij zou hun steenen muur wel verscheuren". Maar geen nood ! Bij de kloeke bouwers werd geen moedeloosheid gevonden. „Doch wij bouwden den muur, zoodat de gansche muur samengevoegd werd tot de helft. Want het harte des volks was om te werken".
Hoe meer de spot werd gehoord bij de vijanden, hoe meer bij de kerkbouwers de ijver vermeerderde en het gebed in innigheid won. „Zij maakten zich op om te spotten" — „maar wij baden tot onzen God en zette den een wacht tegen hen, dag en nacht"
Zóó was het harte des volks om te werken
Dat woord heeft ons Donderdag den ganschen dag niet losgelaten, maar heeft ons sterk vastgehouden
Na de voorlezing van Nehemia 4 ging de VOORZITTER voor in gebed en sprak toen ongeveer het volgende als
Openingswoord :
Geachte Vergadering, Broeders en Zusters,
Door Gods goedheid mogen wij vandaag in Jaarvergadering samenkomen als leden en vrienden van den Gereformeerden Bond tot verdediging en verbreiding van de Waarheid in de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk. Dat is altijd voor ons een bewijs van Gods zorgende trouw en rijke liefde, wat aangaat onzen gemeenschappelijken arbeid. Hoe goed kan het niet doen, elkanders aangezicht te aanschouwen, elkander even de hand te drukken, samen te bidden, samen te zingen en samen te spreken over hetgeen ons gemeenschappelijk werk is, in het belang van onzen Gereformeerden Bond en van ons kerkelijk leven.
Het zit in het wezen en in de natuur van den mensch, dat we elkander noodig hebben en dat we samen moeten werken. De mensch is een sociaal wezen, voor de gemeenschap geschapen. In de gemeenschap komt het leven pas tot ontplooiing. Het huwelijk en het huisgezin bewijzen het. Vooral het godsdienstig en kerkelijk leven is ten bewijs, dat we op elkander aangelegd zijn, dat we bij elkaar hooren, dat we elkaar moeten zoeken, helpen en bijstaan.
Daarom belijden we ook elken Zondag in het midden der gemeente : „ik geloof de gemeenschap der heiligen".
En onze Heidelb. Catechismus geeft daarvan zoo'n mooie, beteekenisvolle omschrijving. Want in Zondag 21 lezen we, dat we met dat geloofsartikel dit bedoelen uit te spreken : „dat de geloovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijne schatten en gaven gemeenschap hebben" — en vervolgens : „dat elk zich moet schuldig weten zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.
Daaraan dachten we, toen we ons gingen bezinnen op dit Openingswoord van deze onze Bondsvergadering, waaraan we ten grondslag willen leggen : „Want het harte des volks was om te werken". (Nehemia 4 vers 6b).
Door Gods goedheid mogen we nu een geheelen dag als leden en vrienden van onzen Gereformeerden Bond bij elkaar zijn. In Bond, door den band der liefde vereenigd en met lust en ijver vervuld voor ons gemeenschappelijk werk ! Dat is : om gewilliglijk en met vreugde het onze in dienst te stellen voor 's Heeren zaak en ook elkander te helpen en bij te staan.
Dat is altijd noodig wanneer de Heere ons als broeders en zusters in het geloof en als leden van één en denzelfden Bond tot den arbeid roept, dat we elkander gewillig en met vreugd moeten helpen en bijstaan.
Maar het is bizonder noodig onder de huidige tijdsomstandigheden ! Want immers we zijn vandaag hier met de levendige overtuiging, dat we zware, moeilijke tijden beleven ; bizonder moeilijk en buitengewoon zware tijden, wat betreft het volksleven, maar óók wat aangaat het kerkelijk leven. En immers dan juist hebben we elkander dubbel noodig !
De Heere beproeft de volkeren, ook óns volk.
De Heere laat de Kerken, ook ónze Kerk, in welker midden wij en onze kinderen leven, moeilijke wegen doormaken.
En nu beproeft Hij ons, hoe wij ons als belijders van Zijn Naam, als vrienden der Waarheid, als leden onzer Hervormde Kerk, als bondgenooten in onze Vereeniging, zullen gedragen !
Hoe zullen de volkeren zich aanstellen nu de crisis, nu de critiek des hemels, nu de beproevingen des Heeren over de natiën gaat ?
Hoe zal ónze natie, ons Vaderland zich gedragen, nu de Heere ons te kennen geeft dat het niet goed gaat binnen onze landpalen ?
Hoe zal de houding zijn der Kerken, die zijn verspreid onder de volkeren in de oude wereld en in de nieuwe wereld óver de zee ?
Hoe zal het Gereformeerd Protestantisme zich gedragen hier en elders ?
Hoe zal onze Ned. Hervormde Kerk haar beslissing nemen voor de komende tijden ?
Hoe zal het onder óns gaan als leden van denzelfden Bond, die de verdediging en de verbreiding der Waarheid in het midden van onze Kerk bedoelt, tot wederoprichting van het huis der Vaderen ?
Allemaal ernstige vragen — waarop zóó maar geen antwoord is te geven; maar waarop wij ons saam ernstig hebben te bezinnen.
De crisistijd is een tijd van het Godsoordeel.
Hebben de volkeren wel geleefd naar uitwijzen van de ordinantiën Gods, ons in Zijn Woord geopenbaard, waarvan de Heilige Geest getuigenis wil geven in de consciënties ?
Hebben de Kerken zich naar behooren aangesteld in de belijdenis van den Naam van Hem, Die Slons Koning is en de algenoegzame Borg van een arm zondaarsvolk, in Wien ons gegeven is wjjsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing ?
Is er bij de Kerken een uitleven geweest van de schatten en gaven in Christus geschonken aan Zijn gemeente, zooals de levende ranken uitbotten, bloesemen en vruchten dragen, ingeënt in den waren Wijnstok ?
„Weest Mijne getuigen, onderwijzende de volkeren, makende hen tot Mijne leerlingen", heeft de Heiland gesproken ter voorbereiding en tot bevordering van het Rijk Gods, dat gekomen is, komt en komen zal, om straks een nieuwen hemel, een nieuwe aarde, een nieuw geestelijk volk tot openbaring te brengen. Is de houding van de Kerken in deze geweest naar den wil onzes Gods ?
Wij denken aan het Gereformeerd Protestantisme van alle landen.
Wij denken aan de Gereformeerde gezindheid in ons Vaderland.
Wij denken aan de Kerk onzer Vaderen, waartoe wij behooren en welke wij trouw gezworen hebben, met de belofte gewilliglijk en met vreugde onze gaven aan te wenden ten nutte en ter zaligheid van anderen. Ook belovende immers, om mee te werken tot wederoprichting van 't huis des Heeren, door Gods hand zelf gesticht in dezen lande en tot op onzen dag, ten spijt van de vele en velerlei zonden en afdwalingen, wonderlijk bewaard en in stand gehouden in het midden van onze Hervormde (Geref.) Kerk.
Wij gaan van deze plaats geen debat aan met degenen, die, wel van Gereformeerde geloofsovertuiging zijnde, de Ned. Hervormde Kerk niet als Kerk willen erkennen, zij 't een Kerk in krankheid, — en liefst spreken van „het Genootschap", om zelf in andere Kerkgemeenschap te leven buiten de muren van het huis, dat de Heere óns nog; liet, om er ons nog vele zegeningen te geven.
In lange rij zien we Gereformeerde Kerkgemeenschappen week aan week staan in de predikbeurtenlijst van ons Christelijk dagblad. Gereformeerde Kerk, Chr. Gereformeerde Kerk, Gereformeerde Gemeente. Oud-Gereformeerde Gemeente, Dordtsch Gereformeerde Gemeente, Gereformeerde Kerk in H.V., Gereformeerde Gemeente in H.V., enz.
En dan komt ons voor den geest het artikel van onze geloofsbelijdenis : „ik geloof de gemeenschap der heiligen", welk artikel volgt na de woorden : „ik geloof één heilige, algemeene, Christelijke Kerk" — en welk artikel gevolgd wordt door de woorden : „ik geloof de vergeving der zonden". Drie artikelen in bond ! waarbij de Kerkgemeenschap van de grootste beteekenis blijft.
In dezen crisistijd, nu God Zijn oordeelen op aarde zendt en ons slaat met Zijne roede, opdat wij Zijne straffen zullen opmerken en ter harte nemen, kunnen deze dingen ons soms geweldig aangrijpen.
En tot blijdschap is ons als weer even gehoord wordt: dat Gods eisch is, dat we elkander zullen zoeken en dat we elkander niet zullen verbijten en vereten.
Maar dan komt het teere puntje van de Kerk-vraag telkens weer. En velen zeggen, de een méér, de ander minder fel : de Hervormde Kerk is geen Kerk meer, — aan ons adres de boodschap achterlatend, dat wij onbetrouwbare broeders en zusters zijn, die in zonde leven ; en als onze woorden wat beteekenen zullen, moeten we de Hervormde Kerk verlaten en elders een onderdak vragen. Dan eerst zijn we menschen uit één stuk, menschen van stavast, menschen die te vertrouwen zijn, menschen waarmee wat gedaan kan worden ! Nu liggen we zwaar onder verdenking bij velen.
Het is hier de plaats niet, om met dezulken die zóó oordeelen, zóó denken en dikwijls ook zóó spreken, een debat te openen.
Maar van deze plaats, op onzen toogdag, in onze Bondsvergadering met broeders en zusters van hetzelfde huis vergaderd zijnde, willen we nog wèl wéér eens verklaren, dat we het een ramp voor Kerk en Volk zouden achten, indien de Gereformeerden in de Hervormde Kerk — en ze zijn er bij honderden en bij duizendtallen, — de Hervormde Kerk den scheidsbrief zouden geven !
Want niet alleen, dat we waarlijk niet zouden weten waarheen we ons zouden moeten wenden, om onderdak te vragen — maar het zou een miskenning zijn van de bemoeienissen en de barmhartigheden des Heeren met en over het huis onzer Vaderen, waarvan de kenmerken zonder meer volstrekt niet zijn, dat zij is een valsche Kerk, waar de anti-Christ heerschappij voert en het Woord en de Sacramenten zijn verbannen.
Zeer zeker kunnen hier vele vragen worden gedaan èn liggen hier vele en groote moeilijkheden. Maar indien de Gereformeerden in de Hervormde Kerk in deze crisisdagen, nu de Heere ons zwaar be­proeft en over de geslachten Zijn oordeelen doet gaan, daarop antwoorden zouden met de Hervormde Kerk den rug toe te keeren, zouden ze de bemoeienissen des Heeren wreed weerstaan en Zijn beproevingen beantwoorden met het omgekeerde van wat de Heere er mee bedoelt, blijkens den gang der historie.
Met de getuigenissen in de hand van niemand minder dan Calvijn, blijkens het 4de boek van zijn Institutie, waar van wij bezig zijn een kort overzicht en getrouw uittreksel te geven in „De Waarheidsvriend", durven we te verklaren dat de Hervormde Kerk van den huldigen dag niet is te noemen, zonder meer, een valsche Kerk. En wij gelooven vastelijk, dat voor deze Kerk in het midden van ons Volk en Vaderland nog een grootsche taak is weggelegd, indien zij zich meer en meer mag gaan openbaren naar uitwijzen van Schrift en belijdenis, waarnaar duizenden in den lande verlangen. Indien ze meer en meer mag komen staan als een pilaar en vastigheid der Waarheid, met Gods Woord als richtsnoer, Jezus Christus eerend als Verlosser en Koning.
Als we ons niet bedriegen, is er op de vergadering van predikanten der Gereformeerde Kerken, enkele weken geleden te Utrecht gehouden, bij monde van prof. Grosheide, een ietwat anderen toon beluisterd dan wij in den kring van de kerkelijk van ons gescheiden levende broederen gewoon waren te hooren, zij 't dan ook, dat er ook aanstonds weer waren, die, onwennig aan zulke taal, zich hebben beijverd de Gereformeerde Kerken als schier volmaakt te prijzen. De éénige weg voor de Hervormd Gereformeerden bleef daarbij „het Genootschap" te verlaten en over te komen tot die Kerken, waarvan de gebreken niet mochten worden genoemd, omdat ze er eenvoudig niet zijn. Het geneesmiddel voor alle kwalen is er en moet met onverdroten ijver worden aangeprezen, waarbij de twijfelaars dienen op den mond geslagen te wórden.
Voor ons. Gereformeerden in de Hervormde KerK, is bij alles wat er wat er geschiedt de taak niet makkelijk.
Uit het midden van de Kerk en van de zijde der synode dreigen telkens weer gevaren. Gelukkig is de vrouwelijke predikant, voor de deur staande, toegang geweigerd en is deze zaak weer van de baan. Maar andere dingen zijn óp de baan; en met name dreigt ons nu een in de Synode klaar gemaakt plan, om in de Hervormde Kerk, als ware het een „Vereeniging van elk wat wils", aan de meest heterogene richtingen officieel een plaats te geven, met ruimte om zich kerkelijk in te richten naar eigen beginselprogram, waardoor de Kerk van haar natuur zou worden beroofd en als Kerk vaneengescheurd zou worden. Hier moet, meé door de Gereformeerden in de Hervormde Kerk, een krachtig halt! worden geroepen; en allen die kerkelijk voelen moeten hier hun protest laten hooren, op grond van Schrift en belijdenis, van historie en kerkelijk recht.
De tijden zijn zwaar en moeilijk. Barsten de vulcanen, die uitgebrand schenen, niet los om vuur te braken en aschwolkén los te laten, waarbij duizenden menschen het leven verliezen of in levensgevaar zijn, met verwoestingen die ontstellend zijn ?
Wankelt niet alles in het midden der natiën en wordt ook in ons Vaderland niet alles geschud, waarbij het sterkste ineenstort of afknapt als ware het een riet ?
Donkere wolken pakken zich samen. Op het platteland is de zorg en de moeite nameloos groot en zal nog gróóter worden. In de steden klimmen de zwarigheden met den dag hóóger. Gezin na gezin, familie na familie wordt bezocht.
En de zorgen voor de Kerk, voor de plaatselijke gemeenten, als voor de Kerk in haar geheel, zullen niet uitblijven. Geestelijk en stoffelijk is de nood hóóg geklommen en de vloedgolf van moeite en ellende is nog bij lange niet tot staan gebracht; is nog niet tot het gevreesde punt gekomen, maar nadert het met den dag.
Niemand kan zeggen, wat de toekomst in haar schoot bergt. Maar het is niet veel goeds. Blijde verwachting bestaat niet.
Het oordeel Gods is op aarde, ook onder ons aanzwellend met verschrikkingen, die vele zijn.
En alles roept ons toe dat we niet gewandeld, niet gehandeld, niet geleefd hebben in de vreeze Gods, doende Zijnen wil. De macht des Woords en des Geestes, de macht van Christus den Heere, de macht van den Heere onzen God hebben we verlaten en tegengestaan.
Dat de Heere weer over ons heersche. Dat Zijn Woord en Geest weer over ons kome met kracht en heerschappij, en dat wij gewillig en met vreugde Hem mogen gaan dienen en elkander helpen en bijstaan !
Dat óók de Kerk — ja, de Kerk vooral, zich moge wenden tot den God des heils, om Zijn Naam te vreezen ên bij het licht van Zijn Woord te wandelen.
Dan liggen er beloften, zoo vol wonder erbarmen, zoo overvloeiend van genade, zoo rijk aan trouw en waarheid. Beloften voor Kerk en Volk. Om ook óns te lokken en op te wekken als Gereformeerde Bond in geloove en met ijver voort te gaan, doende het werk, dat de Heere ons nu 25 jaar en langer heeft toebetrouwd.
Geve de Heere ons gewilliglijk en met vreugde voort te gaan om te leven uit de gaven en schatten van Christus en van het ontvangene geloovig en blij uit te deelen ook aan anderen. Make de God onzes heils het waar, dat ook onder óns gezegd kan worden : „en het harte des volks was om te werken".
Nooit moet er harder gewerkt worden dan wanneer de gevaren dreigen en de nood overal stijgt.
Dan is het niet de tijd om te slapen èn te sluimeren, maar dan zal ons innerlijk zijn gespannen moeten wezen tot het werk, dat niet ijdel zal zijn in den Heere, die mildelijk vergeeft en niet verwijt aan degenen, die nederig naar Hem vragen.
De verhoogde Heiland, zoo rijk in Zichzelf aan geestelijke schatten en gaven, staat borg, dat degenen, die op Hem betrouwen, ook in hun zwakheid niet beschaamd zullen worden.
In Zijn Naam zij ons begin, de voortzetting en het einde voor dezen dag, èn voor de dagen, die voor ons liggen.
Ik heb gezegd.

De VOORZITTER sprak er zijn blijdschap over uit, dat ds. J. A. VAN NIE van Hoogeveen bereid gevonden was op de Bondsvergadering een onderwerp te behandelen en gaf Z.Ew. het woord om te spreken over :
„Het Woord der Schrift in de bedeeling der Kerk",
(Volgende week hopen we dit belangrijk referaat op te nemen).
De VOORZITTER sprak zijn grooten dank uit voor het gehouden referaat. Aangezien het echter reeds één uur geworden was, stelde de voorzitter voor om eerst te pauzeeren en dan in de middagvergadering het referaat in bespreking te brengen.
Nadat men Psalm 119 vers 17 gezongen had, ging ds. VAN NIE voor in dankgebed, waarna de morgen-vergadering gesloten werd.
De middagvergadering werd geopend om 2 uur. Na Psalm 84 vers 3 gezongen te hebben, ging ds. BATELAAN voor in gebed. Nu werd het eerst de verkiezing van 3 bestuursleden aan de orde gesteld. Aan de beurt van aftreding waren de heeren ds. J. J. Timmer, L. F. Duymaer van Twist en J. L. Verbeek Wolthuijs. Deze werden alle drie met bijna algemeene stemmen herkozen. Met dank voor het door de vergadering in hen uitgesproken vertrouwen, namen ze de benoeming aan.
Terwijl de stemming rustig plaats had, was men voortgegaan met de afwerking van de agenda.

De secretaris, ds. TIMMER, bracht verslag uit over de werkzaamheden van den Gereformeerden Bond in 't afgeloopen jaar.
Hij sprak als volgt:
Mijnheer de Voorzitter ! Geachte Ver­gadering !
Als secretaris van onzen Bond zij het mij vergund om in een kort verslag een en ander van de werkzaamheden van den Bond vanaf 1 December 1930 tot 30 November 1931 weer te geven.
Door het Hoofdbestuur werd in het afgeloopen jaar elf malen vergaderd. De agenda's van deze vergaderingen waren zoó vol, dat meestal niet alle zaken op één vergadering konden worden afgedaan.
De behandeling van de zaken van het Studiefonds vereischten altijd veel tijd. De commissie tot behartiging van de belangen van het Studiefonds vergaderde nog eenige malen apart.
Het Hoofdbestuur is er dankbaar voor, dat in vele gemeenten spreekbeurten werden gehouden voor onze fondsen. Onzen dank aan de sprekers, die zich voor dit werk wilden geven. Jammer, dat er echter nog steeds gemeenten overbleven, die niets van zich laten hooren voor onze fondsen. Waar de roep om zuivere prediking naar de Schriften in alle deelen van ons Vaderland gehoord wordt, is het ook zoo hoog noodig dat meerderen voor dit gewichtig ambt zullen worden opgeleid. Geen wonder, dat dan ook het Studiefonds de volle aandacht van het Hoofdbestuur blijft houden.Prof. dr. Visscher ging voort om namens onzen Bond te Utrecht colleges te geven in de Gereformeerde beginselen. Moge God hem nog lang ook voor onzen Bond sparen, opdat nog vele studenten zijn gezegenden invloed bij hun studie mogen ondervinden. Dat het Hoofdbestuur er ook over denkt om ook elders leerstoelen te vestigen, hoop ik, dat spoedig een bewezen zaak zal wezen.Verscheidene malen is ook de stichting van een Kweekschool ter tafel gebracht. Er werd geconfereerd met den Scholenbond in het Gooi en met eenige andere vereenigingen, die hetzelfde doel beoogen. Alle plannen zijn tenslotte afgestuit op financieele bezwaren. Met de stichting van een Kweekschool is zeker minstens 30 a 40 duizend gulden gemoeid. En dan blijft het nog een open vraag, of dan de regeering de gestichte Kweekschool geheel voor hare rekening zou willen nemen, als we na eenige jaren van gunstig verloop bij haar om steun en erkenning zouden aankloppen.
Merkwaardig blijft het afgeloopen jaar voor onzen Bond vooral hierom, dat op 16 April in het Jaarbeursgebouw het 25-jarig bestaan van onzen Bond mocht worden herdacht. Op deze Herdenkingssamenkomst werd gesproken door den voorzitter, ds. Van Grieken, en ds. Remme en prof. dr. H. Visscher.
Op den avond, daaraan voorafgaande, werd te Veenendaal een Wijdingssamenkomst gehouden, waar gesproken werd door ds. Van Wijngaarden, ds. Wolthers en ds, Goslinga. Door middel van de radio-uitzending konden de vrienden van onzen Bond in de verre hoeken des lands dien avond meeleven.
Groote dank is het Hoofdbestuur verschuldigd aan de Jubileumcommissie, bestaande uit de h.h. ds. J. C. Wolthers, ds, G. van der Zee, W. Barneveld. P. Brinkers, Z. H. de Groot, A. van Loo en mr. Verkerk, Door deze commissie is een bedrag van ruim 33 duizend gulden verzameld, hetwelk op den herdenkingsdag aan het Hoofdbestuur werd aangeboden.
Ter gelegenheid van het jubileum werd een Gedenkboek uitgegeven, waarin men allerlei wetenswaardigs vindt over onze Bondsactie.
Dit Gedenkboek is nog steeds verkrijgbaar.. In het bestuur kwamen groote veranderingen. In de vacature van wijlen ds. Jongebreur moest op de jaarvergadering worden voorzien. En doordat ook ds. Van der Snoek na zijn ziekte het penningmeesterschap neerlegde, waren er dus twee vacatures. Met overgroote meerderheid werden gekozen ds. Remme en ds. Woelderink, die tot onze blijdschap de benoeming aannamen.
We hadden nu ook een nieuwen penningmeester noodig. Wie zou daarvoor geschikt wezen ? Met alle waardeering, voor wat de vorige functionarissen gedaan hebben, mogen we zeker op uw aller instemming rekenen, als we zeggen, dat we zeker in ds. Goslinga niet den slechtsten penningmeester hebben getroffen. Onze keuze was niet moeilijk. Die viel onmiddellijk op hem. Het werd hem als 't ware op de hand gezet. Moge God dezen wakkeren penningmeester lang sparen voor onzen Bond.
Ds. Batelaan, die ook reeds secretaris van de Studiecommissie is, begeerde, dat een ander bestuurslid nu ook eens een poos het secretariaat zou waarnemen. Hier was voor mij geen ontkomen. Bij den velen arbeid dit secretariaat er ook nog maar bij.
De jaarvergadering werd vanwege de Herdenkingssamenkomst in April, naar 't najaar verlegd. Ondergeteekende hield op die jaarvergadering een referaat over de rechtvaardigmaking door het geloof.
Ook het Evangelisatiewerk vroeg voortdurend onze aandacht. Door middel van ondergeteekende, die tevens voorzitter van de Evangelisatiecommissie is, was er steeds contact tusschen Hoofdbestuur en Commissie. De gaven voor de Evangelisaties vloeiden wel niet rijk, maar het werk kon toch nog worden uitgebreid. We denken aan den post Vledderveen, waar Evangelist Van Reenen aan den arbeid is.
Te Alkmaar werd een nieuwe afdeeling opgericht. Mogen er nog meerderen in het donkere Noord-Holland volgen. Vele afdeelingen zonden keurige verslagen ; anderen lieten weinig van zich hooren. De afdeeling te Enter verkeert tengevolge van allerlei tegenwerking in groote moeilijkheid. Ook in Soest kwam het Gereformeerde deel in de verdrukking. De Heere regeert!
De regeering heeft het werk van onzen Bond willen erkennen, door aan ds. Goslinga, onzen penningmeester, een ridderorde toe te kennen. Wij zijn de regeering zeer erkentelijk voor deze waardeering.
Zoo kom ik dan aan het einde van mijn jaarverslag. Het volk, hetwelk in onze Kerk nog naar de oude paden vraagt, is verre in de minderheid. De afval is groot. Ook aan het werk van onzen Bond kleefden allerlei zonden en zwakheden. Moge de Heere er genadig verzoening over doen. Stelle Hij de verbreiding van Gods Woord naar de Schriften in ons land en daarbuiten nog ten rijken zegen. Voor de ontredderde wereld is maar één redmiddel : Terug naar 't kruis in diepe verootmoediging !
Geve de Heere mannen als Ezra en Daniël, die in de bres hebben gestaan voor het volk. Ik heb gezegd.

De VOORZITTER bracht zijn dank uit aan den secretaris voor zijn verslag, hetwelk weer zooveel uit het afgeloopen jaar in herinnering roept en hij spreekt den wensch uit dat ds. Timmer het secretariaat van den Bond nog vele jaren zal mogen waarnemen.

Hierna kreeg 't woord ds. J. GOSLINGA, die als penningmeester verslag had uit te brengen over de financiën van het afgeloopen boekjaar.
Verslag van den Penningmeester.
Geachte Vergadering, 't Is voor de tweede maal, dat ik in de functie van Penningmeester van den Gereformeerden Bond mij de taak zie opgelegd om verslag te doen van het jaar dat achter ons ligt.
Als Penningmeester.
Neemt in elk bestuur deze functionaris zijn bizondere plaats in, in het Hoofdbestuur van den Bond wel een zeer bizondere. Dit is vrijwel van het begin af zoo geweest. Wie zou zich nog niet levendig herinneren. want elke jaarvergadering doorleefden allen weer hetzelfde, als de voorzitter aan den heer Fliehe het woord gaf om verslag uit te brengen als Penningmeester.
Ook al zou hij een andere functie hebben waargenomen, dan die hij zoo jaren achter elkander zoo uitnemend bekleed heeft — gij gelooft het dadelijk met mij — ook dan zou hij de harten van de vergadering-menschen gestolen hebben. Maar nu deed hij dat wel heelemaal.
Alles luisterde en ieder leefde mee. De cijfers schenen bijzaak. Wat hij zei en wat hij opmerkte omtrent de zaken van onzen Bond, vond zulke gereede ooren en zoo'n ontvankelijken bodem, dat zonder overdrijving kon worden gezegd : hij was het middelpunt van de belangstelling.
En hoe hij dit geworden was, is een publiek geheim. Door de verzorging van de rubriek „Financiën" in De Waarheidsvriend. Hij had van God de gave ontvangen om in zijn wekelijksch overzicht zóó de belangen te bepleiten van onzen Bond, dat belangstellenden en meer van verre staanden vanzelf naar De Waarheidsvriend grepen. Wat ons blad is en onze fondsen voor beteekenis hebben, ja, de Bond zelf incluis, is onder Godes zegenende hand voor geen klein deel vrucht van onzen Fliehe. En waar hij zelf en zijn gade, thans beiden van ons zijn heengegaan, ons zelfs in het stoffelijke na hun dood gedacht hebben, komt het mij als een schuldige plicht voor ook van deze plaats hun beider gedachtenis met groote erkentelijkheid en dank aan God te eeren. Door de hand van een eenvoudig iemand, doch met een warm hart begiftigd, heeft God een bedding doen graven, waarlangs de wateren, waardoor onze akkers nog worden bevochtigd, zich nog altijd voortbewegen. In figuurlijken zin gesproken : de rente van het kapitaal, door hem verzameld, wordt tot nu door ieder die als Penningmeester fungeert in ruimen zin genoten. Zonder het minste af te doen van de verdiensten van wijlen collega Jongebreur of Snoek, de wijze waarop onze Fliehe de zaak hanteerde blijft navolgenswaardig.
Hieromtrent kan slechts één meening zijn : veel, o zoo veel zijn wij aan dezen vriend verschuldigd.
Neem maar een voorbeeld uit het gewone natuurlijke leven. Wanneer een jonggeborene in den allereersten tijd een periode van levenszwakheid doormaakt en alle middelen schijnen uitgeput, en daar komt iemand, die het raadt, die het levensvonkske als 't ware doet opvlammen, zoo is er slechts één dank.
Dit kan in werkelijkheid worden getuigd van onzen Bond. 't Is hier ook weer : niet de wijsheid der wijzen, noch de wetenschap van mannen van naam heeft ons doen worden wat wij zijn in dezen lande, maar de zegeningen Godes door 't kleine. Klein, o zoo klein zijn we begonnen.
Toch ging de groei straks wonderlijk snel.
We kregen een eigen leerstoel, bezet door een professor, wiens naam met den onzen schier onlosmakelijk is verbonden. Wie prof. Visscher noemt, laat er als vanzelf op volgen : dat is de professor van den Bond.
Onze alumni, geen klein aantal voorzeker, hebben in den lande een goeden naam en menige gemeente geniet van onzen arbeid de rijkste vruchten. Uit de vraag, welke haast dagelijks tot ons komt, blijkt hoezeer deze arbeid wordt gewaardeerd. 't Is alleen maar jammer, dat de stekken nog niet veel wijder kunnen worden uitgezet.
„Kunnen" — zegt ge ?
Kan dit dan niet ? En nu raakt ge een punt, waarvan ik wel een enkel woordje wil zeggen.
't Kan niet alleen, maar 't móét.
Zoo langzamerhand hebben wij de jeugdjaren achter ons. Vergeet niet, dat een jubileum, een herdenkingsperiode van 25 jaren achter ons ligt. Wij zijn jongeling geworden. De volle levenstaak komt tot ontplooiing. Waarbij komt: de nood is ons opgelegd. Wanneer ons Gereformeerde volk zijn roeping niet verstaat, wanneer in plaats van groei, verslapping intreedt, zoo nemen straks andere handen onze taak over. De vorige maal is van deze plaats daarop reeds door ons gewezen. Van alle zijden worden de troepen mobiel gemaakt. En van ethischen èn van modernen kant staan de zeilen bol. Er wordt gegrepen naar de leiding.
Zeg, nu niet: wat zou zoo'n groepje Gereformeerde menschen toch uitwerken.
Zij kunnen niets zonder de gunst van Boven, edoch, zij zijn tot groote dingen bekwaam als zij worden aangevuurd en bezield door den Geest der gebeden en der genade. Wat nu nog klein is en uitermate gering, ziet voor zich een onoverzichtelijk terrein dat wacht op de hand, die door des Hoogsten vingeren wordt bestierd.
Want twee dingen gaan ons niet sprakeloos voorbij. En dit zeg ik in aanvoegende wijs, d.w.z. dat deze beide verschijnselen niet zonder klank ons passeeren mogen.
In de allereerste plaats : wat stoelen op den grondslag, waarop onze Vaderen eens bouwden, op de Gereformeerde belijdenis, tal van groepen, van Kerkformaties, of hoe ge ze ook noemen wilt, uit. De stuwing die daarvan uitgaat is zoo geweldig dat ieder, die dit of van nabij óf van verre gadeslaat, wel de bekentenis moet ontlokken: wat schuilt hier een geheime levenskracht. Uit tal van gemeenten, waar voorheen niet of zeer geringe vraag werd gevonden, worden thans de begeerten openbaar: geef ons predikers van de aloude beproefde Waarheid.
En wat hiermee onafscheidelijk samenhangt : wat is de vrees voor een ontwaken in dezen geest bij velen duidelijk merkbaar. Aan vrees van de tegenstanders gaf ik duizendmaal de voorkeur boven ontsluitende armen, die deze sprake vertolken: we duchten van u geen kwaad meer.
Is dit het eerste feit, dat we willen vastleggen, het tweede mag evenmin onopgemerkt aan ons oog voorbijgaan.
Wat werkt de Heere wonderlijk mede. Wat loopt dit heel anders dan gij en ik verwacht hadden. Natuurlijk past ons geen ijdel roemen. Dat de Heere ons daarvoor genadiglijk beware. Maar wat even zondig zou zijn, als wij Zijn grootheid niet zouden vermelden in wat Hij dagelijks ons schenkt in zulk een mate, dat we het noode inhouden :
Geloofd zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag Met Zijne gunstbewijzen.
Waar alles wijst op ineenstorting, waar tal van zaken en instellingen als met lamheid worden geslagen, mogen wij niet anders dan in stilheid en in vertrouwen onzen weg bewandelen. „Gij, Heere, hieldt en houdt de handen over ons uitgebreid". De tijden zijn ongetwijfeld ontzaglijk ernstig. Van alles is meer dan genoeg, en toch verkommeren de natiën. Alles was zoo veilig mogelijk gesteld, 't Had den schijn alsof men den Allerhoogste tartte, zeggende : „wie doet me wat ? " En wat zien onze oogen : de machtigste combinaties bezwijken. Wat dezer dagen iemand me schreef, is volkomen waar : „De grooten geven het op, terwijl de kleinen blijven bestaan". Zouden wij onder de laatste rubriek worden gerekend ?
De Heere geve er ons veel om te vragen.
Wat voor ons vaststaat is dit, dat wat wij voorstaan, Zijne eer geldt en dat ons heilig bedoelen is Zijn zaak te dienen. De Gereformeerde Bond is uit den nood geboren. Des Hoogsten Naam werd smaadheid aangedaan. Vandaar dat de broeders, als in bond vereenigd, zich zelven en elkander de vraag voorlegden : wat kan door ons worden gedaan ? Op dezen weg zijn wij door gegaan, trots veel en velerlei. En al is het in zwakheid en in tal van gebreken, wij zullen doorgaan om de Waarheid Gods te verdedigen en te verbreiden. Wij doen dit met de middelen, welke de Heere ons gaf.
Gij kent ze. Onder de bekende hoofden willen we u een kort overzicht daarvan geven.
We beginnen met den Gereformeerden Bond, en wel hierom, omdat we meenen dat met het hoofd moet worden begonnen. Tot nu toe was het regel, , dat het jaarverslag eerst melding maakte van „De Waarheidsvriend". Niet, dat ik deze geen goed hart toedraag — ge zult het aanstonds wel anders hooren —, maar omdat het gevaar niet denkbeeldig is, wanneer 't organisch verband der dingen uit het oog wordt verloren, de gevolgen zich straks op pijnlijke wijze zullen laten gevoelen.
De Gereformeerde Bond zelf heeft èn De Waarheidsvriend in het leven geroepen èn is de stichter van het Leerstoel-en Studiefonds beide. Dus de Bond zelf mag niet alleen voorgaan, maar móét de leiding hebben en houden. Hij mag door eigen creatuur niet in een hoek worden gezet. Neen, hij moet de van God hem aangewezen plaats weer innemen. Volkomen eerherstel wordt voor hem opgevorderd.
't Is niet onmogelijk dat ge bij uzelven zegt: „nu, zoo'n formeele zaak behoeft niet eens te worden genoemd, doe het maar zoo. Geen mensch zal het u beletten. Dit spreekt vanzelf dat het zoo behoort".
Zie, dat is nu een alleszins begrijpelijke zwakheid geweest van onzen besten vriend Fliehe. Hij was zoo ingenomen met zijn beide pleegkinderen, die elke week weer opnieuw aan de lezers van De Waarheidsvriend werden aanbevolen, dat hij zicnzelf vergat. De Waarheidsvriend kwam als de kinderwagen elken morgen voorrijden.
Daarom kreeg deze een plaats te hoog. Hij, de Bond moest even wachten. Dat is natuurlijk niet zooals het wezen moet. Maar als het nu maar daarmee ophield. Zijn oudste dochter, de Leerstoel, kreeg elke cent die Pa in den zak had. Terecht of niet terecht — hij erkent het zelf — krijgt zij alles van mij.
En toen nummer twee kwam, het Studiefonds, had deze kleine haast geen ruimte om ergens een fatsoenlyk plekske te vinden. Hoezeer  het onzen vriend Fliehe aan zijn hart ging toen de Gebr. H., de onbekend gebleven gevers uit Leiden, hem 't voorstel deden om de 4000 gulden, door hen verstrekt, over te boeken van het Leerstoelfonds naar het Studiefonds, blijkt u wanneer hij zegt: zij hebben mij een kies getrokken, een leelijke kies.
Wat ook gekund had, en zeker veel verstandiger was geweest, dat hij naar aanleiding van dezen wenk, die toch opkwam uit het natuurlijk aanvoelen der dingen, het roer in zooverre had omgeworpen, dat hij zelf, de Bond n.l., weer de gelden op eigen naam had geboekt. Dan zouden de beide kinderen met dezelfde liefde kunnen worden behandeld. Dan kon elk jaar worden vastgelegd wat zij ieder kregen te verteren. Eik jaar een begrooting, dat was toch aangewezen.
Want let nu eens op.
De Gereformeerde Bond had verleden jaar en het jaar daarvoor, ja, ga maar jaren terug, altijd hetzelfde te verantwoorden. Hij eindigt precies zooals hij begint, d.w.z. platzak. Hier zit een fout. 'k Vertrouw dat ge mij zult helpen deze uit de wereld te werken. Wij zijn het aan de nagedachtenis van onzen besten vriend Fliehe verplicht.
De pater familias mag niet afhankelijk worden van de kinderen. Hierbij laten wij het formeele verder rusten.
Een enkel cijfer wordt daarna aan de vergadering voorgelegd.
De inkomsten van den Gereformeerden Bond en van de fondsen, dekten ten naastenbij de uitgaven. Het Studiefonds alleen vorderde voor zich op de som van bijna 22000 gulden.
Met dank aan den Heere mogen we melding maken van het feit, dat wij door den buitengewonen steun van alle kanten thans bijna 50 jonge menschen mogen bijstaan in hun studie.
Tenslotte nog een enkele mededeeling omtrent het Herdenkingsfonds. De giften, hierbij ingekomen met aangegeven bestemming, worden aan de vergadering voorgelegd. Deze zullen thans spoedig hun doel bereiken. Mogen wij het hierbij laten ? Dezelfde trouw, welke ons in het verleden zoo rijkelijk gewerd, wijke noch van ons persoonlijk, noch van onzen arbeid, Gode tot eer, heel onze Kerk en Land ten zegen.
De Penningmeester.

De VOORZITTER dankte ds. Goslinga voor zijn breed verslag over de financiën. Met applaus werd ingestemd met de woorden van den voorzitter, dat God ons in ds. Goslinga den rechten man heeft geschonken om de moeilijke taak van beheerder der fondsen te kunnen vervullen.
Het woord werd daarna gegeven aan ds. LANS, teneinde verslag uit te brengen over den arbeid van de Evangelisatie-Commissie van den Gereformeerden Bond. Hij sprak als volgt:
Verslag van de Evangelisatie-Commissie vanwege den Gereformeerden Bond, uitgebracht op de jaarvergadering, den 14den April 1932.

Geachte Vergadering,
Zwaar werk wordt zeer zeker niet van ons gevraagd, en we denken niet, dat ons verslag het belangrijkste van deze vergadering zal uitmaken.
De penningmeester van onze Evangelisatie-Commissie, tot heden toe nog ds. J. C. Wolthers te Putten, heeft ons verzocht namens hem het financieele verslag uit te brengen en daartoe de gegevens verschaft.
Als secretaris der Evangelisatie-Commissie hebben we niet veel te melden. De Evangelisatieposten zijn van meening — en wij kunnen het verstaan — dat de penningen de voornaamste band zijn aan de Commissie. En aangezien de secretaris over die penningen niet beschikt en er wellicht ook niet veel te melden valt, is de correspondentie tusschen sommige posten en den secretaris ongeveer het nul-punt genaderd. Aangenaam stemt dit niet. Maar het kan zijn, dat de penningmeester nu alles krijgt en beter wordt ingelicht. In De Waarheidsvriend is ook niet veel verschenen van de hand onzer Evangelisten. We denken wel eens : „het land rust en is stil".
Van andere zijden ontvangen we — we kunnen gerust zeggen — bijna nimmer eenig teeken van medeleven met ons Evangelisatiewerk. Maar: ieder heeft tegenwoordig genoeg met zichzelf te stellen en het Studiefonds van den Gereformeerden Bond vraagt überhaupt zooveel, dat het Evangelisatiewerk er onwillekeurig naast grijpt.
Op de najaarsvergadering van onzen Gereformeerden Bond brachten wij verslag uit over het tijdvak Januari 1930—October '31, zoodat het nu slechts kan gaan over een half jaar. In dit winter half jaar werd slechts één Commissievergadering gehouden. Dus — zoo als wij zeiden — : zwaar werk wordt van ons niet gevraagd — of 't moest zijn een oratio pro domo — maar o.i. is zulks een stem des roependen in de woestijn.
Van de posten weinig nieuws.
Van Stadskanaal hebben we als secretaris geen officieele mededeelingen omtrent den stand van het werk ontvangen. Maar ds. Wolthers heeft op de Commissievergadering van 11 Januari j.l. medegedeeld, dat het Bestuur der Evangelisatie aldaar een procedure heeft gevoerd met den Bond van Evangelisaties in en ten bate van de Hervormde Kerk (Bond Syperda), die beslag wilde leggen op de bezittingen van die Evangelisatie, omdat zij zich aangesloten had bij den Gereformeerden Bond, welk proces de Evangelisatie gewonnen heeft. Ook een verzoek van den Voorganger om collectekaarten te mogen ontvangen.
De Evangelisatie te Tolbert zond bij schrijven van den Eerw. heer Vroon mededeeling omtrent den stand van den arbeid aldaar. Een Zangvereeniging met 22 leden werd opgericht. Aan den kerkeraad der Hervormde gemeente werd verzocht om Doop-en Avondmaalbeurten in de kerk.
De vrienden te Moordrecht hebben gevraagd om goedkeuring van de benoeming van den Eerw. heer K. Asmus, van Keeten, tot voorganger van de Evangelisatie te Moordrecht, welke goedkeuring volgaarne werd gegeven. Deze Evangelisatie, die geen financieelen steun vraagt, doch evenwel steeds de Evangelisatie-Commissie in kennis stelt met hare handelingen, verdient hartelijke sympathie.
Ten aanzien van den post Vledderveen is de Evangelisatie-Commissie diligent. Deze post was aangesloten bij den Bond van Evangelisaties in en ten bate van de Ned. Hervormde Kerk. Sedert eenigen tijd is aldaar werkzaam de heer Van Rheenen, bij de Evangelisatie-Commissie wel bekend. Nu zijn er pogingen gedaan om zich los te maken van, genoemden Bond. Van die zijde werd geen al te groot bezwaar gemaakt, doch wél de eisch gesteld dat de Evangelisatie-Commissie bereid zal zijn, de Evangelisatie te Vledderveen ten volle voor hare rekening te nemen. Betreffende dezen eisch is een nader besluit van de Evangelisatie-Commissie noodig. Op de volgende vergadering van de Commissie zal daarover gehandeld moeten worden. Bij aansluiting zal de Evangelisatie genoodzaakt zijn opnieuw rechtspersoonlijkheid aan te vragen met het oog op nieuwe statuten.
Wat den bestuursarbeid van de Evangelisatie-Commissie betreft, daarover het volgende :
Ie. De voorzitter, ds. Timmer, heeft nog weer eens een circulaire in zee gestuurd. Met niet zoo heel veel succes, als we voor onzen ijverigen voorzitter en Bondssecretaris mochten hopen.
2e. Een ontwerp Reglement voor de Evangelisaties, die zich aangesloten hebben en aan willen sluiten bij den Gereformeerden Bond, werd door het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond goedgekeurd.
3e. Ten aanzien van spreekbeurten, speciaal met collecte voor den Evangelisatiearbeid, werd besloten, dat zulke beurten niet vanwege de Evangelisatie-Commissie zouden georganiseerd worden. Vooreerst, omdat reeds zulke spreekbeurten gehouden worden voor de fondsen van den Gereformeerden Bond en voor den Gereformeerden Zendingsbond, en door de veelheid van collecten tenslotte ieder dier fondsen schade zou lijden. Ten andere, omdat de tijdsomstandigheden niet gunstig zijn, en ten laatste omdat de Evangelisten toch collecteeren moeten en het houden van collecten reden zou zijn, dat zij in verschillende gemeenten afgewezen werden, waardoor ze meer schade, dan voordeel van zulke spreek beurten hadden.
Wat het bestuur betreft — mutaties zijn te verwachten. Immers zal niemand kunnen ontkennen, dat de leden der Evangelisatie-Commissie behooren te wonen niet te ver van die streken, waar de Evangelisaties zijn. Bij vertrek van zulk een Commissielid naar een ander deel van het land is de goede richtlijn deze, dat, zoo mogelijk .een ander, meer nabij wonende de plaats inneemt. Ds. Wolthers is vertrokken naar Putten — hij zal straks uit de Commissie treden. Ds. Luteijn, die Commissielid is en naar Onstwedde vertrekt, zal de functie van penningmeester van ds. Wolthers overnemen, terwijl dan een nieuw Commissielid moet gekozen worden. Ook wij zullen de functie van secretaris neerleggen. Er is niet veel te doen; maar er moet meer gedaan worden — en daartoe heeft ondergeteekende geen tijd. Op de eerstvolgende Commissievergadering zullen deze dingen hun beslag krijgen.
Aan het eind van dit verslag en de functie van secretaris staande, terwijl we ook van de oprichting in 1928 af tot October 1931 penningmeester geweest zijn, mogen we m§t dankbaarheid terugzien op wat er gedaan is. En al blijven we tot heden heel ver af van hetgeen zich o.a. ds. Timmer had voorgesteld, alsof we wel op een ƒ 12000.— per jaar zouden kunnen rekenen — wie weet de toekomst ? De Gereformeerde Bond en de Gereformeerde Zendingsbond hebben ook de kinderjaren en daarmede de kinderziekten gekend, en hun Rehoboth is geen ijdele klank.
Alles is aan Godes zegen gelegen. De tijden zijn donker, maar ze zijn in Zijne hand. Duizenden van ons Gereformeerde volk, die aan Zending en Studiefonds geven, gevoelen niets voor Evangelisatiewerk. Het is eenigszins te begrijpen. Er is een schreeuwende behoefte aan predikanten van Gereformeerde beginselen — en de Evangelisaties zijn maar meest kleine posten in voor velen onbekende streken.
Toch gelooven we, dat Evangelisatie-arbeid meer beteekenis heeft voor het Koninkrijk Gods en het herstel onzer Kerk, dan wij denken. Doch het is waar : dat moeten we leeren zien.
De Heere zegene het eenvoudige, kleine werk, dat een mosterdzaad moge zijn, en daarom prijzen Hem, Die het kleine groot en het groote klein kan achten naar Zijn welbehagen.
G. LANS.

Aan de gegevens, ons door den penningmeester, ds. J. C. Wolthers, verschaft, ontleenen we het volgende :
De inkomsten waren in de jaren 1928 en vervolgens :
1928 (vanaf. 24 Juni) , .. ƒ 2187.47 1929 „ 3388.05 1930 „ 3127.72 1931 „ 2822.85
De uitgaven over die jaren bedroegen respectievelijk :
1928 ƒ 844.53 1929 „ 2205.94 1930 , 2284.86 1931 „ 3123.30
Van die uitgaven werden gezonden aan de Evangelisatieposten in 1931 ƒ2900.—. We boerden in 1931 ongeveer ƒ 300.— achteruit. Er is nog wel een saldo van vorige jaren, maar in 1932 zullen de uitgaven hooger zijn dan in 1931, omdat Vledderveen er bij zal komen en wanneer de inkomsten dan minder zijn, zal het saldo een gevoeligen klap krijgen.
Voor degenen, die er belang in stellen, deelen we dan nog mede, dat de inkomsten uit collecten bedroegen ƒ 1291.20 ; uit giften ƒ 1375.82 en van diversen, waaronder rente, ƒ155.83.
De collecten werden ontvangen uit 23 gemeenten en van twee vereenigingen.
Ds. Wolthers geeft als gemeenten op : Ouderkerk a.d. IJssel, Wilsum, Genemuiden, Rijnzaterwoude, Polsbroek, Schraard, Leersum, Baarn, Kampen, Nijkerk, Ermelo, Suawoude, Den Ham, Bodegraven, Barneveld, Onstwedde, Mijdrecht, Huizen, Vaassen, Hoogeveen, Sprang, Mastenbroek, Breukelen, Zwijndrecht, terwijl ook nog ontvangen werd van de Jongelingsvereeniging te Kralingsche Veer en van de Gereformeerde Mannenvereeniging te Amsterdam.
Wat de Evangelisatieposten aangaat — alleen Ureterp zendt getrouw de jaarrekening in.
De toestand der Evangelisaties noemt hij behoorlijk ; Oude Pekela zeer goed ; Stadskanaal ook goed.
Zietdaar, geachte vergadering een overzicht. Moge een en ander uwe belangstelling hebben en in u de vraag doen opkomen of er geen aanleiding is, hetzij persoonlijk onze Evangelisatie-Commissie te steunen, hetzij mede te werken, dat er in de gemeente waarin ge woont en waar tot nog toe geen collecte gehouden werd, voor ons werk meerdere belangstelling kome. Zouden we niet kunnen besluiten om b.v. Hervormingsdag vast te stellen tot het houden van een collecte voor de Evangelisatie-Commissie ?
Ds. LANS.
De VOORZITTER bracht zijnen dank toe aan ds. Lans en de andere leden van de Evangelisatie-Commissie en spreekt den wensch uit, dat men ook dezen arbeid in de Bondskringen steeds meer moge gedenken.
Naar aanleiding van het verslag van ds. Lans stelde de heer van Scherpenzeel voor om in vele gemeenten stuiversvereenigingen op te richten ten einde de financiën van de Commissie te kunnen versterken. Ook de heer Blijleven, evangelist te Stadskanaal, wekte op tot meerderen steun, aangezien evangeliseering zoo broodnoodig is in het hooge Noorden.
Hierna volgde eene bespreking over het gehouden referaat van Ds. VAN NIE.
Ds. Schroten van Sluipwijk stelde de volgende vragen : Ie. Hoe denkt referent over het Zendingswerk ? 2e. Is evangeliseeren in moderne gemeenten dan geen dienst des Woords ?
Ook de heer Oostende uit Alphen deed een vraag in denzelfden geest.
De heer Bosch van Harderwijk vroeg, wat er bedoeld was met de „zorgen van de plaatselijke gemeente."
De vragers werden door ds. van Nie in het kort beantwoord.
Ten slotte kwam ter tafel het voorstel van het Hoofdbestuur om in het najaar een Landdag te houden ten bate van onzen Bond.
Ds. S. van Dorp is geen bewonderaar van landdagen en vreest concurrentie met den Zendingsdag van den Gereformeerden Zendingsbond.
Een afgevaardigde uit Vianen ziet ook veel bezwaren in zulke dagen.
Vele jonge menschen maken er een uitgaansdag van.
Ds. Bouthoorn deelt de bezwaren van ds. van Dorp. Hij acht, dat het beter is, dat de Evangelisatie-Commissie een landdag zal organiseeren in Noord-Holland. Hij biedt zich aan om alsdan gratis een spreekbeurt te vervullen.
Ds. Lans zet uiteen, dat dit voorstel dus eigenlijk thuis hoort bij de Evangelisatie-Commissie.
De VOORZITTER stelt het voorstel dan ook in handen dier Commissie.
De heer Boogerd van Hillegersberg zou gaarne in De Waarheidsvriend meer voorlichting willen over het in te nemen standpunt in zake jeugddiensten. Hervormd Verbond enz. enz.
De VOORZITTER antwoordt, dat er over het Hervormd Verbond noch pro noch contra meer zou gesproken worden in De Waarheidsvriend.
Ds. van Dorp acht het echter wel degelijk noodzakelijk, dat De Waarheidsvriend zich over zulke belangrijke kerkelijke aangelegenheden zal uitspreken. Ds. Bouthoorn acht dit eveneens noodzakelijk.
De VOORZITTER vraagt of ds. van Dorp bereid is om hier over te schrijven in De Waarheids vriend.
De Penningmeester.
Deze neemt dit op zich, op voorwaarde, dat het Hoofdbestuur belooft leiding te zullen geven.
De VOORZITTER zegt dit toe namens het geheele Bestuur.
De heer van Barneveld van Delft vraagt of het Hoofdbestuur er wel genoeg aandacht aan schenkt, of de jonge menschen, die gesteund worden, wel van beslist gereformeerden huize zijn.
De VOORZITTER dankt ten slotte de vergadering voor de trouwe opkomst en de afdeeling Utrecht voor al het voorbereidende werk.
Na Psalm 89 vers 7 te hebben gezongen ging prof. dr. H. Visscher, die tot aller blijdschap in ons midden was, voor in dank­ gebed.
De Secretaris, J. J. TIMMER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's