De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

7 minuten leestijd

OVER DE KERK. (4)
Hoe droevig zijn de beschrijvingen van de profeten Jesaja, Jeremia, Joel, Habakuk en anderen aangaande de gebreken van de Kerk onder Israël. Wat schrikkelijke toestanden onder het volk, onder de overheden, onder de priesters ! Alles was zóó verdorven, dat Jesaja niet aarzelt Jeruzalem gelijk te stellen aan Sodom en Gomorra, Jes. 1 vers 10. De godsdienst was veracht en besmet; de zeden waren verdorven ; de eeredienst werd ontheiligd. En toch richtten de profeten deswege geen nieuwe kerken op, noch bouwden zij nieuwe altaren, om daarop afzonderlijk te offeren, maar hoe de menschen ook waren, toch hieven zij in het midden van de vergadering der goddeloozen reine handen op tot den Heere. Niets anders hield hen er dus van af een scheiding te maken dan de begeerte om de éénheid te bewaren. Denk ook aan de praktijk van Jezus en de apostelen. Hopelooze goddeloosheid der Farizeen en Sadduceën en ongebondenheid des levens heerschte overal, maar zij hebben zich niet van den tempel en de ceremoniën afgezonderd. Van waar kwam dit anders, dan om dat ze wisten, dat door het gezelschap der boozen allerminst zij besmet werden, die met een reine consciëntie aan dezelfde heilige handelingen deelnamen ?
Terecht zegt dan ook Cyprianus : „Ofschoon in de Kerk onkruid gezien wordt, of onreine vaten, zoo is dat toch geen reden voor ons om uit de Kerk te gaan; wij moeten maar toezien dat wij reine vaten, dat wij koren mogen zijn. Maar de aarde vaten te breken staat alleen aan den Heere, aan Wien ook een ijzeren roede gegeven is ; en niemand moet voor zich aanspraak maken op wat alleen den Zoon eigen is, alsof Hij in staat zou zijn den dorschvloer uit te wannen en het kaf uit te zuiveren, en al het onkruid door zijn menschelijk oordeel te verwijderen : dat is een trotsche halsstarrigheid, en een heiligschennende vermetelheid, welke een booze razernij zich zelf aanmatigt". Waar Gods Woord gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden is geen enkele verontschuldiging om de uiterlijke gemeenschap met de Kerk te verbreken en de gebreken van weinigen of van velen mogen ons niet verhinderen om daar naar behooren ons geloof te belijden door de ceremoniën, die door God ingesteld zijn : want de vrome consciëntie wordt niet gekwetst door de onwaardigheid van een ander, hetzij van een herder of een gewoon man, en de verborgenheden zijn niet minder rein en heilzaam voor een heilig-en recht man, omdat ze tegelijkertijd door onreinen aangeroerd worden.
Wij hebben op aarde een Kerk, die altijd bidden moet: "vergeef ons onze schulden". Een volkomen heiligheid is hier niet. Daarom moeten de geloovigen altijd worden aangespoord tot vordering, en waar zij hun gansche leven onder den last der gebreken hebben te zuchten, moeten zij worden vermaand tot vergiffenis hun toevlucht te nemen. De vergeving der zonden, zonder welke wij geen verbond of gemeenschap met God hebben, is dit voor ons het eerste en het laatste wat wij noodig hebben. Bij onze intrede in de kerk is dit het eerste wat ons wordt betuigd en bij den voortgang hebben wij noodig in de Kerk te blijven om van de vergeving onzer zonden verzekerd te worden. „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja. Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en gericht, in goedertierenheid en barmhartigheden". (Hosea 2 vs. 17). Zoo lezen we ook in Jeremia 33 vers 5, dat de Heere Zijn volk, dat Hij in Zijn toorn verstrooid had, weer zal verzamelen : „Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid met dewelke zij tegen My gezondigd hebben". De ingang tot Gods huisgezin staat voor ons niet open, tenzij wij door Zijn goedheid van onze vuilheden afgewischt worden. Om ons deze weldaad toe te deelen zijn aan de Kerk sleutelen gegeven. Want toen Christus aan de Apostelen macht verleend heeft om de zonden te vergeven (Matth. 16 : 19 ; 18 : 18 ; Joh. 20 : 23), heeft Hij niet alleen gewild, dat zij diegenen ontbinden zouden van de zonden, die zich van hun goddeloosheid tot 't geloof in Christus bekeerden en voor het eerst tot de Kerk kwamen, maar veeleer, dat zij dit ambt in den dienst der verzoening (2 Cor. 5 vers 20) voortdurend onder de geloovigen zouden bedienen. Zoo worden ons dan de zonden gedurig vergeven in de gemeenschap der heiligen door 4en dienst der Kerk, en Paulus verhaalt (Hand. 20 vers 20) dat hij niet alleen in de gemeenschappelijke vergadering, maar ook in de huizen het geloof in Christus betuigd heeft en een ieder afzonderlijk in de leer der zaligheid onderwezen heeft.
Op drie dingen moeten we dus hier letten : 1. Elk geloovige heeft heel zijn leven vergeving noodig. 2. Deze weldaad is zoozeer het eigendom der Kerk, dat wij haar niet anders genieten, dan wanneer wij in haar gemeenschap blijven. 3. Die weldaad wordt ons toegediend door de dienaren, of door de prediking van het Evangelie, of door de bediening der Sacramenten. In dit deel vooral komt uit de sleutelmacht, die de Heere aan Zijn Kerk heeft toebedeeld. Daarom bedenke een ieder onzer, dat dit zijn plicht is, de vergeving der zonden niet ergens anders te zoeken dan waar de Heere haar geplaatst heeft. Hierin komt bij Calvijn de hooge beteekenis van de Kerk en de gemeenschap der heiligen uit.
Tegen deze leer stonden oudtijds de Novatianen, later sommigen der Wederdoopers. Zij willen van geen andere vergeving weten dan van de eerste (wedergeboorte, doop). De Christen — zeggen zij — kan en moet daarna volmaakt leven. Maar dit is een dwaze en troostelooze leer. Wij hebben dagelijks noodig dat onze zonden ons worden vergeven om te leven bij de beloften van Gods barmhartigheid in Christus.
De Kerk van het Oude Testament bewijst, dat de ongerechtigheden telkens vele zijn; denk aan de zonen van Jacob, aan David en zoovele anderen.Maar de Heere .zal u bevrijden uit de gevangenscnap en Zich uwer ontfermen. Hij zal u wedervergaderen uit de volken, tot welke gij verstrooid geweest zijt; al waart ge tot het einde des hemels verstrooid. Ik zal u vandaar vergaderen". (Deuteronomium 30 vers 3).
Zoo zouden we een opsomming kunnen geven, waaraan nooit een einde komt. Gods vergevende genade is alles overtreffende. (Jeremia 3 vers 1, 12; Ezechiël 18 vers 23, 32 ; 1 Kon. 8 vers 46).
Door de komst van Christus, in Wien de volheid der genade geopenbaard is, is dit geenszins veranderd. Voor de Nieuw-Testamentische Kerk is dit geenszins verminderd. Integendeel, de rijkdom van Gods barmhartigheid is nu op 't hoogst geopenbaard. (Titus 3 vers 4; 2 Tim. 1 vers 9). Laat ons er dan niet aan twijfelen, dat de goedertierenheid van den Hemelschen Vader eerder rijkelijker toevloeit, dan dat ze afgesneden of afgekort zou zijn. Denk aan hetgeen geschied is met Petrus ; aan de vermaning tot de ongeregelde Thessalonicensen (2 Thess. 3 vers 14). Zelfs aan Simon, den toovenaar, wordt geen reden tot wanhoop gegeven, ja, zelfs wordt hem gebeden goede hoop te hebben, wanneer Petrus hem aanraadt tot het gebed zijn toevlucht te nemen. (Hand. 8 vers 22). Hoe goedertieren was Paulus niet jegens de Galatiërs en Corinthiërs ! Hoe rijk is niet de belofte, vervat in Psalm 89 vers 31 enz. : „Indien Zijn kinderen Mijn wet verlaten en in Mijn rechten niet wandelen, indien ze Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden, zoo zal Ik hun overtredingen met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheden met plagen : maar Mijn goedertierenheden zal Ik van hen niet wegnemen".
Door de orde zelf van de Artikelen des Geloofs worden wij er tenslotte aan herinnerd, dat de vergeving der zonde eeuwig haar plaats behoudt in de Kerk van Christus.
Ook de bewering van anderen, dat onvergeeflijk zijn de moedwillige zonden, tegen beter weten in bedreven, is onhoudbaar. Zelfs onder Israël waren offeranden voor moedwillige zonden. Hebben de Patriarchen, heeft David uit onwetendheid gezondigd ? Of de Corinthiërs ? Of Petrus ?
De strengheid der ouden in deze wordt vaak verkeerd begrepen, en is ook niet overeenkomstig Gods Woord, dat ons hierin tot éenigen regel moet zijn en ongetwijfeld een grootere matigheid voorschrijft. De gestrengheid der tucht moet zoover gaan, dat degene, voor wien men voornamelijk moet zorgen, niet door droefheid verslonden wordt.

(Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's