MEDITATIE
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Coloss. 3 vers 1.
DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN.
Jezus alleen.
Hij is de weg van den hemel tot de aarde, maar ook van den mensch tot zijn God.
Hij is de eenige weg, en buiten Hem is er geen.
Zelf heeft Hij daarvan getuigenis afgelegd : „Ik ben de weg, de waarheid en het leven ; niemand komt tot den Vader dan door Mij".
En ook degenen, die Hij uitzendt om boodschappers te zijn van deze goede tijding, zullen in de beste oogenblikken ook alleen Hem aanprijzen; en niets willen weten dan Jezus Christus en die gekruist.
Buiten Hem is alles ledig en ijdel. In Hem worden alle schatten der wijsheid en der zaligheid gevonden.
In onzen Brief gevoelt de Apostel Paulus hoe de gemeente zich liet vervoeren door filosofie, door sommigen aangewend ; door ijdele verleiding dreigden zij af te glijden van den weg der waarheid. Leeraars traden in haar midden op, die op allerlei onthouding aandrongen en die zelfs ook de benijdenis als iets noodzakelijks haar wilden opleggen. De mensch moest zich ten hemel bereiden.
Zie, zoo komt de zonde in het midden der gemeente het meest naar voren. In de wereld der uitbrekende goddeloosheid is er volstrekt geen plaats voor Jezus. Daar wordt het in koor gezongen: „Wij willen niet dat deze Koning over ons wezen zou !" In de gemeente is het weer anders. Door opvoeding en kennis is er eene godsdienstige wetenschap gegroeid. Niemand zal er ontkennen zondaar te zijn. De mensch is niet zooals hij wezen moet. Er ontbreekt iets. En dat iets is meer of minder. Wordt dan de persoon van Jezus naar voren gebracht, dan is Hij zoo vaak een medehelpende Zaligmaker. De mensch moet dan alles doen wat in zijn vermogen is, en Jezus zal dan het ontbrekende wel aanvullen. Zoo ontstaat het: raak niet, smaak niet, roer niet aan. Zoo vermenigvuldigen de geboden en de leeringen der menschen Maar boven dit alles staat met vlammende letteren : „Tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn".
Zal er plaats wezen in het hart voor den vollen Christus, voor Jezus alleen, dan zal de mensch er moeten zijn aangegaan met alles wat hij is ; met alles wat hij meent te bezitten voor God. Dan zullen zijn gerechtigheden, zijn vroomheid dus, hem moeten zijn gebleken zonde voor God. Dan zal er door hem iets moeten worden gekend van dat: „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan !"
Hoe begeerlijk, hoe noodzakelijk, hoe dierbaar wordt dan die Christus, zooals Hij voor de zijnen zonde werd gemaakt, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. O, dat zij Hem bezitten mogen als hun getrouwen Zaligmaker, die stierf voor hunne zonden en opgewekt werd tot hunne rechtvaardigmaking. Dan ontvangen zij uit zijne volheid alles wat zij noodig hebben voor leven en voor sterven. Dan behoeven zij zelf ook niets meer aan te brengen, want in Hem zijn zij volmaakt. Hun die gelooven is Hij dan dierbaar.
Ook de Colosser geloovigen waren aan dezen weg niet vreemd. Christus was hun alles geworden. Maar er waren leeraars in de gemeente gekomen, die hun het uitzicht op den Christus trachtten te ontnemen. Zij moesten wat minder omhoog zien; wat meer letten op hetgeen hier beneden is : dagen, spijzen, dranken, voorvaderlijke inzettingen.
En wat doet nu de Apostel ? Laat hij die leeraars geworden ? Laat het hem koud wat ze leerden ? Neen, in verontwaardiging schrijft hij den Colossers dezen brief en hij wijst ze op Christus en op hunne gemeenschap met Hem. Indien, zoo zegt hij, indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods. Indien. Fout gaan we, als wij dit „indien" zóó zouden opvatten alsof de Apostel het opgewekt zijn van de geloovigen te Colosse twijfelachtig zou stellen. Naar het gebruik van dit „indien" bij den Apostel, wijst het er veel meer op, dat hij vanuit dezen grond zijne vermaning die volgt, hun doet hooren. Daarom moeten wij het opvatten in dezen zin : „Dewijl gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn".
Met Christus opgewekt! Hieraan moesten de geloovigen te Colosse wat meer denken ! Hieruit moesten zij ook wat meer leeren leven. Als zij dat deden, zouden zij daarin alleen vinden het leven hunner ziel. Met Christus opgewekt! Het spreekt van zelf dat hieraan voorafgaat de staat des doods. Eene opwekking kan niet plaats vinden als er geene doode is. Met den Apostel hadden zij zich aan hunnen dood ontworsteld ; niet door eigen vermogen hadden zij de kluisters des doods verbroken. Neen, als er geen oog was dat medelijden met hen had, heeft God tot hen gezegd : Leef ! Met Christus werden zij opgewekt. Hij was in hunnen dood ingegaan ; Hij had hun straf daarin gedragen ; Hij had hun schuld geboet; der zonde was Hij gestorven. Maar ook ten derden dage werd Hij opgewekt, opdat Hij volkomen triumpheerend over dood en hel en graf het nieuwe leven den zijnen aanbracht; volkomen gerechtigheid bun schonk. Hij stierf dus in hun plaats; Hij stond voor hen op ; en met Christus werden zij alzoo opgewekt om voortaan, daar de macht der zonde en des doods overwonnen was, in nieuwigheid des levens te wandelen. In Christus lag dus hun alles ; hun rechtvaardiging, maar ook hun heiliging.
Niet anders dan dwaasheid kon het daarom zijn, als zij zich nu nog, met Christus opgewekt zijnde, door allerlei ijdele wijsbegeerte lieten verleiden; als zij nu nog bewogen werden om langs allerlei wegen van eigenwilligen godsdienst te trachten tot den hemel op te klimmen. Zou Hij, die het werk begonnen was, dat werk niet voleinden ? Zou Hij, die uit vrijmachtig welbehagen ze trok uit de macht der zonde en des doods, tot heerlijkheid zijns Naams, zijn hand nu terugtrekken ? Was hun dan in Christus niet alles geschonken tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en tot eene volkomen verlossing ? Wat ze noodig hadden ? Het hunne prijs te geven ! Het hunne steeds meer te achten schade en ijdelheid te zijn om te mogen gewinnen den uitnemenden rijkdom der kennis van den Heere Jezus Christus ; om Hem te mogen kennen en de kracht zijner opstanding !
Zie toe, zoo is daarom het vermaan des Apostels tot hen, dat niemand u als een roof vervoere. In Jezus Christus woont al de volheid der Godheid lichamelijk. En : dewijl gij dan met Christus zijt opgewekt; dewijl gij met Hem gekruist, gestorven en begraven zijt, maar ook met Hem zijt opgewekt en alzoo des nieuwen levens in Hem deelachtig zijt geworden, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
De dingen, die boven zijn. Wat daaronder moet worden verstaan ? De dingen in hun voleinding. Alle goede gave, alle volmaakte gift van den Vader der lichten afkomende in Christus Jezus. Rechte kennis. De rechtvaardigheid, die naar God is. De heiligheid, zooals de Heere die eischt. Vrede, die alle verstand te boven gaat. De volkomen zaligheid, die de Heere heeft weggelegd voor allen, die Hem vreezen. Zoekt die, zoo vermaant de Apostel. Zoekt de dingen, die boven zijn. Zoekt ze langs den weg des gebeds. Staat naar die, ze afsmeekend van Hem, die niet voor niets heeft beloofd : „Doe uwen mond open, en Ik zal hem vervullen".
Niet dus naar de aarde, maar naar den hemel worden de geloovigen gewezen. Hier op aarde is het onvolmaakte ; hetgeen ten deele is. Boven is het volmaakte, het volmaakte ook in de oogen Gods. Daar Is immers Christus, zittende aan de rechterhand Gods ! En Christus is alles !
Waar Christus is. Aan de rechterhand Gods werd Christus verheven. Met eer en heerlijkheid werd Hij na volbrachten arbeid gekroond. En daar is Hij nu ook altijd ten goede voor de zijnen werkzaam. Hij is het, die ze in de waarheid leidt. Hij draagt, op grond van zijn kruis-en zoenverdiensten, de zijnen geduriglijk voor aan den Vader. Hij zal niet toelaten dat de poorten der hel zijne gemeente zullen overweldigen.
Gelukkig, wie het bij dien Christus mag zoeken. Wie het leerde, om alles schade te achten en ijdelheid te zijn, om Christus te mogen gewinnen. Want die Hem vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere.
Welzalig zij, die naar zijn reine leer, In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen ;
Die Slons Vorst erkennen voor hun Heer', Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.
K.
M. O.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's