VAN DEN WOORDE GODS
Psalm 19 :24 De hemelen vertellen Gods eer en het uttspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvoledigijk sprake uit en de ncht ann den nacht toont wetenshap. Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord.
(Nadruk verboden).
Nergens en nooit is de mensche zonder een Godswoord. De apostel predikte het van den Aeropagus aan de heidensche Atheners dat hij niet verre van ons. In Hem toch leven wij, bewegen wij ons en zyn wij. Het kennelijke Gods is allen openbaar, want God heeft het hun geopenbaard. Ook tot de heidenen spreekt Hij, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Ook de diepst gezonken volkeren beluisteren nog iets van Zijne stem. Immers, die Godssprake gaat niet alleen uit in en door de Heilige Schriftuur, maar klinkt ook in de Natuur met zulk een wondere klaarheid, dat de Psalmist gezongen heeft: de stem des Heeren is op de wateren, op de groote wateren, breekt de cederen van den Libanon, doet de woestijn beven. Hij beluisterde haar, als de hinden jongen wierpen en de wouden werden neergeworpen door de kracht van den stormwind. Gods Naam is dus niet slechts geschreven in het Boek der boeken, maar prijkt met vlammend schrift in de gansche Natuur, zoodat elk mensch dien lezen kan. Dit juist is het ontroerende feit, waarop de apostel ons wijst, als op de groote zedelijke levenswerkelijkheid : „opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". Dit is de grond van den last der verantwoordelijkheid, die drukt op een iegelijk van ons, de oorsprong van het eeuwigheidslicht, dat In elke menschenziel gloort. De mensch is Gods schepsel en de kenmerken zijner schepselmatigheid zijn gegrift in zijn geestelijk wezen. En daarom, hoe diep ook weggezonken, hoezeer ook vervreemd van zijn Maker, hoe vijandig ook van nature, dat hij een schepsel is en blijft, hij kan er zich nimmer aan ontworstelen. Zelfs dan niet, als hij in de uitgieting zijner ongerechtigheid als een beest wordt voor des Heeren aangezicht.
Zeker, er zijn er wel de eeuwen door geweest, en vooral in onze dagen, die zich atheïsten noemen. En wie leest niet met ontzetting van het gruwelijk werk der Russische revolutionairen, die zich niet zonder voorliefde als God-loozen aandienen en millioenen schats ten offer brengen om de geheele wereld met dit evangelie der Godloosheid gelukkig te maken. Wie dat alles aanziet, zou kunnen meenen, dat de apostel de menschelijke ziel en hare behoeften niet juist had omschreven. Maar toch is het waar, dat zelfs in die revolutionaire uitbarsting, waarin de volkeren af en toe opstaan tegen zichzelven, religieuse levensuitingen zich doen gelden als de ontembare drijfkracht, die hen meedoogenloos voortzweept van verwoesting tot verwoesting. In alle revolutionaire uitspattingen openbaren zich grondgevoelens der menschelijke ziel, die krachtens den staat der zonde aan hunne ware bestemming werden onttrokken.
Daarom gaan vrijwel alle revoluties gepaard met geweldige vijandschapsopenbaringen tegen de religieuse levensvormen, die van de voorgeslachten ontvangen werden, maar waarin de revolutionaire massa ^^'^^ "^^^ ^^^^ Vinden kan. Hun kamp tegen de bestaande godsdienstige gebruiken en gewoonten en voorstellingen beschouwen zij dan wel dikwijls als een kamp tegen allen godsdienst zonder onderscheid, maar de ervaring leert, dat Zij, wanneer de stormen dier tijden zijn voorbijgegaan, tot nieuwe vormen van godsdienstig leven gekomen zijn. En ook de verdwazing der Russische God-loozen, die de religie trachten te vernietigen in de ziel der menschheid, zal ten slotte blijken de voorbijgaande phase in de revolutionaire eruptie, die de oorlog gebracht heeft over de gansche wereld en die tot heden toe nog voortgaat met hare uitwerking in crisis na crisis en in de verwarring der geesten. Doch niemand meene, dat de menschen, hoezeer ook hunne vijandschap brandt, daardoor in staat zouden zijn eigen wezen en natuur te veranderen. Er zijn er de eeuwen door reeds geweest, die het kenmerk der schepselmatigheid hebben willen uitwisschen uit hunne ziel die er naar gestreefd hebben zichzelven gerust te stellen en door wat zij wetenschap waanden, zich trachtten wijs te maken, dat de religieuse behoeften niet meer zijn dan phantasieen, die geboren worden uit de diepe levensnooden waarin wij zijn verzonken. En toch kan niemand volkomen vrij worden van de sprake zijner ziel, die getuigenis aflegt van zijn diepsten levensoorsprong. Het religieuse leven is onsterflijk in de menschenziel. Wie het meent te dooden, zal het zien ontkiemen tot hernieuwd leven. Wie het denkt uit te roeien, zal het zien ontspruiten waar en zooals hij het niet kon verwachten, want schepsel blijft de mensch. En ook zijn zieleleven draagt het teeken van het schepsel-zijn op eene wijze, die de wegwissching onmogelijk maakt. Ware zulks mogelijk geweest, de mensch zou na den val er al lang in geslaagd zijn het volkomen te vernietigen. Dan zou terstond na 's menschen uitgang uit het paradijs de God-loosheid zich hebben geopenbaard in hare schrilste vormen, er van geene paradijsbelofte meer worden gehoord, en de gansche menschheid, aan alle eeuwig licht ontzonken, als in geestelijke versteening zijn verstorven. En toch werd het niet alzoo, maar zij keerden zich, met hunnen honger naar Gods gemeenschap, af van dien God, dien zij kennende noch verheerlijkten, noch dankten. En zij dachten „de heerlijkheid des onverderfelijken Gods te veranderen in de gelijkenis eens beelds van een verderflijk mensch, van gevogelte, van viervoetige en kruipende gedierten". Alzoo werd geboren die schier oneindige reeks van godsdiensten, waarin de heidenen hunne diepste zielsbehoeften soms openbaren op de vreeselijkste wijze. Het merkteeken van Gods scheppende daad, waaraan zij het leven en den adem en alle roering der ziel danken, konden zij niet uitwisschen, zoodat de psalmdichter zingen kon : „Alle einden der aarde zullen het gedenken", en de belofte er aan kon toevoegen, dat zij zich tot den Heer zouden bekeeren.
Dat er in elke menschenziel nog een zaad der religie sluimert, is de vrucht der gemeene genade onzes Gods, die niet heeft toegelaten, dat de mensch in zijn zondeval tot de uiterste grens der ongerechtigheid kwam. Het Godsbeeld, waarnaar hij was geschapen, werd uitgewischt, hoewel nog enkele sporen herinnerden aan wat hij eenmaal is geweest. Het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden. Zijn geheele natuur heeft hij verdorven, in al zijne wegen werd hij goddeloos en verkeerd, en verdorven geworden zijnde, heeft hij al zijne uitnemende gaven verloren, die hij van God ontvangen had. Maar iets bleef ons over, zoo zegt onze Belijdenis in navolging van Calvijn in het 14e artikel : „en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen derzelve, (welke genoegzaam zijn om den mensch ale onschuld te benemen, overmits al belicht, dat in ons is, in duisternis veranderd is, gelijk de Schrift ons leert". En zoo sprak de Hervormer van Geneve van deze „overblijfselen" als van vonkskens, die nog in onze duisternis gloren, ook al verkeert de mnensch in zulk een toestand, dat hij onbekwaam is tot eenig goed, geneigd tot alle kwaad en dus, dood in misdaad en zonden, de ware kennis Gods ontberen moet.
Maar juist in die sporen, die de gevallen mensch nog vertoont van het oorspronkelijke beeld Gods, dat hy gedragen heeft, wortelt nu ook nog een religieus levensgevoel. Daaruit is het dat ook verklaarbaar, dat er nergens menschen aangetroffen zijn, die zonder godsdienstig leven waren. Wel hebben van de Schriftvervreemde geleerden, die van Gods scheppende daden niet wilden weten en eene wereldbeschouwing huldigen, die met het groote, geruchtmakende woord der „evolutie" aangeduid worden, gezocht naar onbeschaafde volksstammen, die geen godsdienst zouden kennen, maar tenslotte bleek het toch, dat zij zich vergist hadden. De zoogenaamde natuurvolken zijn over het geheel veel godsdienstiger dan de cultuurvolken en hun leven is ook sociaal geheel religieus van karakter, hoe zulk een visscher de visschen op trekt met den angel, vergadert ze in zijn garen, verzamelt ze in zijn net. En als hij dan een goede vangst heeft gehad, dan verblijdt en verheugt zich die man, dat zijn handwerk zoo winstgevend is. Daarna teekent hij ons dan wat die visscher, die behoort tot de heidenen, doet. In stede van zich met zijne blijdschap en dankbaarheid te wenden tot den levenden God, keert hij zich tot de geestelijke machten, die hy verscholen waant in zijne netten. „Daarom", zegt de profeet, „offert hij aan zijn garen en rookt aan zijn net". Hij brengt dankoffers niet Gode, maar den geesten, die naar hij meende, zetelen in zijne werktuigen en die de oorzaak zouden zijn van de rijke vangst hem te beurt gevallen.
Dat is de mensch van nature. In hem schuilen nog de kiemen van een besef der hoogere macht, leven nog aspiraties naar een gemeenschap met God, ook al kent hij Hem niet en weet hij van Hem niet. Zijne zielsbehoeften blijven, de honger verteert hem. Het is zooals de apostel heeft gezegd : „opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten". En dat zoeken en tasten naar de eeuwige dingen Gods wordt dan ook overal gevonden. Daarom is er ook zelfs bij de diepst gezonken heidenen een godsdienstig leven, een besef van andere, hoogere dingen dan de aarde ons te aanschouwen geeft. Hoezeer zij daaraan gehecht zijn, hoe vast daarop hun geloof, hoe zeker hunne hope kan zijn, leert ons de profeet Micha, als hij de vraag stelt, waarmede een mensch voor Gods aangezicht verschijnen zal ? Dan herinnert hij aan de heidenen en vraagt: Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken, zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtreding, de vrucht mijns bulks voor de zonde mijner ziel ? Dat alles offerden de heidenen aan hunne goden, brachten zij op het altaar om daardoor zich der goden gunst en hulp te mogen verwerven.
Daarom is het niet noodig tot de heidenen te gaan om hun het Evangelie te verkondigen, opdat zij godsdienstig zullen worden, want van al deze volken, buiten het licht van Gods Woord geboren, geldt wat de apostel te Athene zeide : „dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt". Hoe donker ook hun nacht moge wezen, zij staan toch allen met een ziel, waarin iets tintelt van den glans der schier verdoofde vonkskens van Gods beeld. Allen hooren zij iets van de stemme des Almachtigen, die ook de psalmdichter beluisterde, toen hij zong : de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's