De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
38) Onder de enkelen, die thans evenwel niet aanwezig zijn, behoort ook Jouke van den slager. Tevergeefs heeft hij tot hiertoe getracht Anneke van Wieren ten zijnen opzichte tot andere gedachten te brengen ; herhaaldelijk heeft hij haar ontmoet en dan telkens zijn best gedaan haar voor zich te winnen. Hij kan zich maar niet begrijpen, dat haar vriendschap voor hem opeens zoo bekoeld is ; er is toch niets op zijn leven aan te merken ; hij gaat trouw ter kerk, trouw ter catechisatie, trouw naar de vereeniging ; hij verdient bovendien goed geld, zoodat haar toekomst — naar den mensch gesproken — verzekerd is en zij niet bevreesd behoeft te zijn haar geheele leven voor een ander de naainaald te moeten hanteeren. Wat had zij er nu aan, haar heele leven oude meid te blijven ? Hij dacht dat het voor haar een uitkomst zou zijn van dat zittend leven verlost te worden en eigen schoorsteen te zien rooken; vele meisjes zouden haar benijden, wanneer zij in het huwelijksbootje stapte, enz. enz. Zoo heeft hij gesproken, telkens en telkens weer.
Niemand meene, dat deze woorden op Anneke in het geheel geen invloed hadden, integendeel, er was in Jouke zeer veel dat haar aantrok. Hij was zulk een flinke, sterke, robuuste jonge man, die aan haar zwakke natuur een zeker gevoel van veiligheid gaf ; daar kwam bij, dat zij werkelijk wel eens verlangde ontheven te worden van den plicht, om met de naald in haar onderhoud te voorzien, welke reeds vanaf de kinderjaren op haar rustte. Haar vader had zij nimmer gekend en haar moeder had meer dan genoeg aan zichzelf en kon met een klein erfenisje, vóór jaren gekregen, en met een paar dagen in de week uit werken te gaan, precies rondkomen, zoodat zij al spoedig moest meewerken om de inkomsten te vermeerderen. Van dienen was geen sprake geweest, omdat daarvoor de krachten ontbraken, en zoo was zij de dorpsnaaister geworden, die al spoedig zooveel werk kreeg, dat van rusten geen sprake meer was. Gedurende den dag ging zij bij boeren en burgers van oud nieuw maken, en dan tot laat in den avond of vroeg in den morgen thuis afdoen, wat aan huis bezorgd werd.
Zoo ging haar jonge leven voorbij. Alleen de Zondag bracht verademing; als zij met de gemeente opging onder de prediking van het Woord en op, de Zondagsschool hielp bij het overhooren der versjes en een heel enkele maal ging vertellen, dan gevoelde zij zich in haar element ; de dienst des Heeren was haar alles.
Hoe verstond zij het woord van den psalmist:
Eén dag is in Uw huis mij meer. Dan duizend, waar ik U ontbeer, 'k Was liever in mijns Bondsgods woning Een dorpelwachter, dan gewend Aan d' ijd'le vreugd in 's boozen tent.
En als dan daarbij een zegen genoten werd van de prediking en de blijdschap van een rijk Evangelie voor een arm zondaarshart werd gesmaakt, was die Dag des Heeren voor haar een groote vreugdedag, waar van gedurende de gansche week de vrucht genoten werd, als zij, gebogen over haar naaiwerk, of draaiend aan het machinerad, in getrouwheid haar taak volbracht.
Natuurlijk brengt haar vak meê, dat zij in allerlei soort huizen komt; bij belijders, maar ook wel eens bij bestrijders van de Waarheid ; bij vrienden, maar ook bij vijanden van het kruis ; daar, waar de vreeze Gods woont, maar ook daar, waar deze verre is en een andere geest dan de Geest des Heeren heerschappij voert. Gewoonlijk spreekt zij in zulk een omgeving niet veel; als men haar maar niet in het dierbaarste wat zij heeft, te na komt; als het heilige maar niet wordt aangerand ; dan kan zij van zich afspreken; dan is haar woord soms vlijmscherp ; dan kan zij de dwaasheid en de armoede van het ongeloof zoó aan de kaak stellen, dat den tegenstanders gewoonlijk spoedig de lust vergaat om met haar te redetwisten.
Het meest is zij op haar gemak in een huis, waar men met haar eens geestes is ; zooals bij Brandsma op „de Eendenkooi", of in de pastorie bij ds. Feurman, of ds. Velthuis ; of, een heel enkele maal, als deze het zelf niet meer af kan, bij vrouw Mollema, en, om vooral niet te vergeten, bij oude Marijke van den Zandweg, die zooveel had doorgemaakt en nog zooveel wist te vertellen uit den tijd, toen zij nog diende op „Grovestins".
Zoo'n dag is voor Anneke ook een feestdag, want dan komt ook nog wel eens iets anders ter sprake dan de kleedingstukken, die vroeg of laat toch weer door de mot zullen verderven ; — dan wordt ook veel gesproken over het kleed der gerechtigheid van Christus, waarin alleen een zondaar voor God verschijnen kan en waarna hij eenmaal zal wandelen in het lange, witte kleed voor den troon van God en het Lam. Als daarover de gesprekken gaan, verveelt het Anneke nooit; dan gevoelt zij zich thuis, onverschillig of zij is onder het dak van een rijken boer of in het nederig huisje van Marijke.
Doch nu laat het zich ook verstaan, waarom zij het herhaalde aanzoek van Jouke meende te moeten afslaan. Waarlijk, het ging haar aan het hart den vriend harer jeugd te moeten afwijzen en zooveel vurige wenschen, die zij zoo lang gekoesterd had, op te geven, maar de klove tusschen hen beiden was te diep, het verschil was te groot dan dat een vereeniging tusschen hen zou kunnen plaats hebben, waar door beiden ongelukkig zouden worden; want Jouke leefde uit de aarde en had geen grooter begeerte dan geld verdienen en ge­ëerd te worden, terwijl zij daarentegen zich op den achtergrond van het leven thuis gevoelde, maar dan tevens in een sfeer, waar plaats was voor het heilige. O neen, hij was de waarheid niet vijandig, doch zonder in woorden te kunnen uitdrukken wat het eigenlijk was, besefte zij het onderscheid tusschen hen beiden. Zij vreesde, dat het geloof in zijn hart geen plaats had; dat het bij hem niet was de kracht Gods tot zaligheid ; dat hij In eigen leven nog niet had doorgemaakt wat volgens het Woord des Heeren toch noodig is om een kind van God te worden; daarom durfde zij met hem de toekomst niet in. Zeker, zij verlangde ook wel, gelijk elk meisje van haar leeftijd, naar eigen huis en eigen werk, om zich daar geheel aan het hare te kunnen geven, maar dan moest dat huis een goed fundament hebben, waarop het gebouw staan bleef, ook als de winden begonnen te waaien en de slagregens kwamen. Zij wist uit het leven van anderen maar al te goed hoe het zou gaan als man en vrouw niet één zijn in het allerhoogste, het allerheiligste, het allernoodzakelijkste. De eerste tijden, als er nog niet zooveel zorgen waren, zou het wel gaan, maar er konden ook andere tijden aanbreken en dan was het noodig dat zij schouder aan schouder stonden onder het kruis, om aldus kracht te ontvangen voor den vaak moeilijken levensstrijd.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's