SYNODAAL VOORSTEL
tot volledig samenwonen van de verschillende richtingen in de Hervormde Kerk.
De Synode van 1930 besloot, na de verwerping in Jan '30 van het bekende Reorganisatie-voorstel, een commissie te benoemen „ofte onderzoeken, of door wettelijke maatregelen kan worden bevorderd, dat de verschillende richtingen in de Kerk in vrede samenwonen en de godsdienstige belangen van haar aanhangers kunnen behartigen, en om, indien dat onderzoek leidt tot een bevestigend antwoord, bepaalde voortellen daartoe te formuleeren". Na eenige tijd volgde de benoeming van dr. C. J. Nieyer (modern), prof. dr. J. Lindeboom van Groningen (modern), dr. H. E. G. van de Eene, prof. dr. A. M. Brouwer en dr. J. Severijn van Dordrecht. Deze laatste bedankte voor de eer en toen werd gekozen ds. A. J. Vermeer, emeritus pred. te 's-Gravenhage vurig voorstander van Evenredige Vertegenwoordiging in de Kerk van Christus, de modernen inbegrepen. Ds. Vermeer nam de benoeming aan, maar heeft later om gezondheidsredenen bedankt De Synode had dus niet opdracht gegeven om te onderzoeken : hoe kan de Hervormde Kerk als kerk van Christus, met de belijdenis van den Naam des Heeren en de prediking van het Evangelie naar Gods Heilig Woord (zoals in den beroepsbrief staat) beter tot openbaring komen, om in het midden des vuurs te staan als pilaar en vastigheid der waarheid ? Maar de Commissie moest eens probeeren of er geen weg te vinden is om de verschillende richtingen, die naar eigen geweten hebben te beslissen wat ze willen gelooven en belijden, en of ze in de Hervormde Kerk thuis hooren of niet (want er mag geen leertucht zijn, er mag alleen gewetenstucht wezen in de Kerk, vredig te doen samen wonen in ....... nee, niet in een Vereeniging tot behartiging van godsdienstige belangen, maar in de Kerk, die zich naar Christus noemt, die altijd uit de beginselen van het gereformeerd Protestantisme heeft geleefd, die, blijkens de historie van den dag, in het midden des volks een zoo grootsche ; aak en heerlijke roeping te vervullen heeft m het midden des volks, als draagster der Waarheid, die naar de Schriften is, als getrouwe getuige van Jezus Christus, onze Heere, in Wien de verlossing Gods is geopenbaard voor arme zondaren.
Men zou dus voor de minderheden hebben te zorgen, men zou een vredig samen wonen van de verschillende richtingen moeten bevorderen. Toen in het voorjaar van 1931 de Commissie samenkwam, was de eerste overweging die binnenkwam, van prof. Brouwer volledig uitgewerkt reorganisatie-voorstel aanbieden, dat een tegenhanger zou zijn van het in Januari 1930 verworpene. Of : „zullen we, uitgaande van de bestaande reglementen, daarin een enkele aanvulling en wijziging aanbrengen en ons dus tot het allereenvoudigste beperken" ? Tot dit laatste , werd besloten om twee redenen : Ie. er was ook een Commissie benoemd voor het groote-stads-probleem, die dit zoo ruim mogelijk zou behandelen ; 2e. op 16 Februari 1931 was de Vereeniging „Kerkopbouw" opgericht; en de Commissie kon nu als haar oordeel uitspreken, „dat er nieuwe toestanden staan geboren te worden, gelet op de bewegingen in de Kerk, welke duidelijk daarop wijzen". Als we dit oordeel van de Commissie, door de Synode benoemd, zóó lezen (en het is woordelijk overgenomen uit het schrijven van prof. Brouwer, die het natuurlijk precies weet wat er besproken en besloten is) kunnen we niet anders dan verwonderd en verbaasd zijn. Omdat er een Commissie is voor het groote-stads-probleem én omdat er een particuliere Vereeniging „Kerkopbouw" is opgericht (naast en tegenover „Kerkherstel") verklaart een commissie, door de Synode benoemd „dat er nieuwe toestanden staan geboren te worden". En met die nieuwe toestanden voor oogen gaat men dan zelf aan het werk, dat opgedragen is, een zeer beperkte en eigenaardige richting en inhoud geven.
Heel de Commissie, door de Synode benoemd, schijnt zich daarbij te hebben neergelegd. Want we lezen in het artikel van prof. Brouwer in het A l g e m e e n Weekblad: „Kerkopbouw" had zich in haar werkprogram aldus-uitgesproken : „Wij meenen dat gezocht moet worden naar een organisatie, die meer dan de thans vigeerende aan de eischen voldoet van een kerkelijk belijden, waarbij overheersching van een partij, zooveel mogelijk, uitgesloten is en aan de werkelijk levende krachten der Kerk gelegenheid geopend wordt zich te uiten". Daarmede was de wenschelijkheid van een reorganisatie der Kerkorde erkend.
„De door de Synode benoemde Commissie meende" — aldus prof. Brouwer — „dat aan de ontwikkeling van die gedachte de volle gelegenheid móest worden gegund".
Had nu de Commissie, door de Synode benoemd, geoordeeld, dat aan „Kerkopbouw" den tijd gelaten moest worden om met een reorganisatie-plan voor den dag te komen (b.v. in 1933) en dat zij nu aan de Synode moest oordeelen : wij willen liever nu ons mandaat neerleggen en wachten, want er zal (alles wijst er „duidelijk" op) spoedig iets komen, dat van beteekenis is dan zouden we het kunnen begrijpen.
Maar dat heeft de Commissie niet gezegd. Want we lezen verder in het artikel van prof. Brouwer : „Daarom wilde zij alleen een voorstel doen dat in de bestaande reglementen paste, — om een nieuw, uitvoerig uitgewerkt reorganisatie-voorstel van „Kerkopbouw" af te wachten".
Wij vinden dit wel ietwat vreemd.
Maar nu weten we, dat „Kerkopbouw" (ook dit schrijft prof. Brouwer uitvoerig) in het najaar van 1931 een Commissie voor het uitwerken van een reorganisatie-voorstel benoemde, die haar taak zoo ruim mogelijk wil opvatten, van welke Commissie ook de voorzitter van „Kerkopbouw" (prof. Brouwer zelf) lid is.
En terwijl zoo'n voorstel nu te wachten is (zeg : in 1933) wordt in 1932 een voorstel door de Commissie bovenbedoeld ingediend, dat moet passen in de bestaande elementen, doch ..................... hoofdbeginselen van de reglementen onderstboven werpt en de reeds daarom „onaannemelijk" is.
De kerkeraden moeten dat maar eens napluizen, want prof. Brouwer zegt zelf : „Het is een voorstel, dat betrekking heeft op de kerkeraden".
Aan de kerkeraden zal ontnomen worden, wat het onvervreemdbaar recht is van de kerkeraden Doch daarover in een volgend artikel.
(Wordt voortgezet).
JACOBUS KOELMAN 1632-1932
Driehonderd jaar geleden (1632) werd Jacobus Koelman te Utrecht geboren. Op 18-jarigen leeftijd (1650) werd hij als student te Utrecht ingeschreven en studeerde daar theologie onder leiding van de professoren Voetius, Hoornbeeck e.a. In 1655 werd Koelman doctor in de filosofie, maar zei bij zijn promotie minder aangename dingen aan het adres van den Senaat, wat hem verder moeilijkheden gaf bij zijn studie. Dit zijn niet de laatste moeilijkheden des levens geweest voor ds. Koelman !
Toen Koelman in 1656 candidaat in de theologie was, benoemde de Regeering hem tot predikant bij de gezanten in Denemarken en daarna in Brussel (1657). In 1662 — dus na 5 jaren — werd hij uit een drietal te Sluis (Zeeuwsch-Vlaanderen) beroepen en aldaar bevestigd als predikant. Sluis behoorde tot de Generaliteitslanden en in Zeeland gold de Kerkorde van 1591. In Zeeland regeerde de Staat de Kerk (en waarlijk in Zeeland niet alleen !) en de Overheden hadden zoo goed als alles te zeggen. Dat gaf dikwijls allerlei moeilijkheden al waren de Overheden uiterlijk rechtzinnig. de Gemeente was orthodox in de leer, maar het leven liet veelte wensen over. Dansen en spelen, was aan de orde van den dag. De dagelijksche wandel gaf aanstoot, 's Morgens naar de kerk, 's avonds naar de danszaal of „zingend en krijtend langs de wegen". Ook van de Regenten maakten zich daaraan schuldig. Jaarmarkt en kermis waren als de pest voor de gemeente. De burgemeester van Sluis had zich aan openbare dronkenschap schuldig gemaakt, enz. Ds. Koelman was in zijn preeken zéér streng en spaarde niemand ; hetwelk dikwijls moeilijkheden gaf.
De grootste strijd liep echter over het gebruik van de liturgische Formulieren bij Doop en Avondmaal. En over de christelijke feestdagen. Het gebruik van die Formulieren — zei ds. Koelman — bevorderde den sleurdienst en daarom doopte hij zonder Formulier, maar hield een „vrije" toespraak. Dat „levende" woord stelde hij tegen over de doode Formulieren. De christelijke feestdagen — meende hij — stelden den Zondag in de schaduw en behoorden tot den schaduwdienst; ze gaven ook maar aanleiding tot allerlei wereldsch gedoe.
Vooral het niet-willen-gebruiken van de Formulieren (sinds 1673) bracht hem ten slotte in de grootste moeite en hij werd eerst geschorst en daarna uit de gemeente gebannen en buiten de Generaliteitslanden gezet.
Ds. Koelman had in deze dingen, die het kerkelijk leven aangaan, geen overleg gepleegd met zijn collega's, noch met zijn kerkeraad. Hij deed alles tenslotte op eigen houtje. En toen men hem daaromtrent verwijt deed, antwoordde hij : „Ik ben van meening dat wat ik doe, in overeenstemming is met Gods wil en dat is mij genoeg. Maar tevens beschouw ik een zoodanig overleg met collega's en kerkeraadsleden als een te rade gaan met vleesch en bloed". Dat hier een „geestelijk" beginsel achter zat en „de ligging" van ds. Koelman een groote rol speelde is duidelijk.
Zelfs bij de Doopsbediening speelden zich allerlei tooneelen af in de kerk. Een doopvader zei (3 Aug. 1673), toen de doop zonder Formulier bediend werd : „Dominé, ik versta niet wat u zegt, ik verzoek dat gij het Formulier leerst". Waarop ds. Koelman antwoordde : „Zwijg, gij hebt hier niets te zeggen".
Hoewel de kerkeraad den predikant nog wel wilde dragen, besloot de Overheid ds. Koelman voor de keus te stellen: zich onderwerpen óf predikant af.
De Hooge Overheid schreef aan de Classis Walcheren, dat zij (de Overheden) als ware voedsterheeren der Kerk 't hun plicht achtten op al die zaken toe te zien, dat niet ieder predikant maar deed wat hij wilde en daarom bevalen zij ook aan de : 1. om Koelman zonder uitvluchten te doen beloven de Formulieren te zullen gebruiken bij de Sacramentsbediening en de christelijke feestdagen in eere te houden; 2. te zorgen, dat hij niet verder ging met te ageeren tegen de Formulieren en de gestelde ordeningen. Bleef ds. Koelman in gebreke, dan zou hij moeten worden geschorst.
Ds. Koelman beloofde gehoorzaamheid. De vrede scheen geteekend. Maar spoedig was het weer mis. En toen ds. Koelman weer moeilijkheden met de Overheid kreeg, legde hij zijn ambt neer. Hij zei daarvan tot zijn gemeente : „Geliefden, na alles wat gebeurd is zal ik nu nog maar weinige weken predikant zijn. De reden weet gij : 't is omdat ik twee menschelijke instellingen niet kan opvolgen, het gebruik der Formulieren en de onderhouding der Feestdagen".
Er werd uit het midden van de gemeente een smeekschrift gericht tot de Hoog-Mogende Heeren, waarin de kerkeraad betoogt dat ds. Koelman zoo zeer geliefd is en dat veel tranen zijn gestort en veel gebeden voor hem zijn opgezonden, waarbij de wensch en de smeeking is, dat ds. Koelman bij zijn gemeente moge blijven !
Maar niets baatte. Ook een audiëntie bij den Prins niet. 5 Juni 1675 werd ds. Koelman voor de keuze gesteld : of de Resolutie van de Overheid nakomen öf binnen acht dagen Stad en Generaliteitslanden verlaten. Daar ds. Koelman niet toegaf, werd het besluit genomen dat Burgemeester en Schepenen hem de stad zouden uitleiden. Een groote menigte volgde hen een eindweegs en nam met veel tranen afscheid van den geliefden leeraar Hij ging naar Rotterdam en begon daar conventikelen te houden, waardoor hij al daar zijn collega's niet weinig ergerde en verdriet deed. De hulp van de Overheid werd toen ingeroepen ! Dan gaat hij naar Amsterdam om ook daar als vrij predikant te conventikelen, te prediken, enz., waarover de toorn van z'n collega's ontstoken wordt. Toen z'n vriend en geestverwant Van Beuningen burgemeester van Amsterdam werd, hield deze hem de hand boven het hoofd (tot 1682). Voor een beroep naar Duitschland en Amerika bedankte ds. Koelman en toen hem in Amsterdam het verblijf werd ontzegd, gaat hij naar Utrecht, waar hij zijn „huisoefeningen" voortzet. In het openbaar mocht hij hier niet optreden, maar het houden van zijn conventikelen en bijbellezingen werden hem niet verboden.
De predikanten en de kerkeraad van Utrecht verklaarden, dat er een goede verhouding was ten opzichte van ds. Koelman en dat men „over zijn bedrijf gansch niet te klagen had". Hij overleed te Utrecht op 63-jarigen leeftijd In de Stroosteeg en werd ter aarde besteld.
Ds. Koelman heeft veel Engelsch-Schotsche werken vertaald en ook zelf veel geschreven (zie de boekenlijst in de dissertatie van dr. A.F. Krull em. predikant te Rotterdam over Jacobus Koelman 1901) en is een man gewees, die zeker velen tot zegen heeft mogen zijn, hoewel zijn kerkelijke weg en ambtelijke loopbaan allerwonderlijkst is geweest. Brakel heette hem "een getrouw getuige des Heeren".
Met Voetius stond hij later niet meer op zoon goeden voet. Met Jodocus Lodensteyn, de dichter van: „Hoog omhoog jeziel naar boven", kon hij het beter vinden, Na een veelbewogen leven ging hij op 63-]arigen leeftijd in in de rust die overblijft voor het volk van God
CHARLES DARWIN (1882—1932).
Vijftig jaar geleden (19 Aprïl 1882) stierf Darwin, die veelal in den volksmond genoemd wordt als de man, die leerde „dat de mensch van een aap afstamt", heelemaal precies juist is dat niet. Maar 't lijkt er toch wel op. Hij interesseerde zich bijzonder voor dieren, bloemen enz., en had groote liefhebberij voor natuurhistorische verzamelingen. Veel heeft hij geschreven over den oorsprong der soorten. Hij gaf b.v. ook een boek, dat een verklaring wilde geven over het ontstaan van de Koraaleilanden, nadat hij een reis om de wereld gemaakt had en jaren op zee had doorgebracht (de zeereizen bezorgden hem een gevaarlijke maagkwaal, die hem deed besluiten zich in 1842 als een soort kluizenaar op z'n landgoed in Engeland terug te trekken, waar hij op 73-jarigen leeftijd stierf, 1882). In 1858 is de publicatie van Darwin begonnen, die hem het meest naam hebben verschaft en die ons bekend wilde maken met „het Darwinisme": het ontstaan der soorten. Hoe zijn de verschillende soorten van dieren, van planten enz. ontstaan ? Mannen als Linnaeus 1707—1778) en anderen, hadden vastgehouden aan de onveranderlijkheid der soort. Dat was een axioma, een uitgemaakte zaak. Maar Darwin beweerde het tegendeel : de veranderlijkheid der soorten en de overgangen van de soorten in elkaar. Vooral de Materialisten in Duitschland (Ernst Haeckel, 1834-1919) enz., waren enthousiast! Maar Darwin ging volgens hen niet ver genoeg, daar hij den mensch uitzonderde. Dit deed Haeckel 't eerst in 1868. Studiën over verschillende soorten van bloemen en dieren brachten Darwin hoe langer hoe verder met z'n theorieën.
Aarzelend komt dan de theorie, dat de mensch van dierlijke afstamming is; een verbeterd soort dier — maar in 1871 wordt hij beslister in z'n beschrijving van „de afstamming van den mensch en de sexueele teeltkeus".
Darwin, die in zekeren zin de vader van de nieuwere biologie genoemd kan worden en vele belangrijke onderzoekingen heeft gedaan op het gebied der natuurlijke historie, was een zeer bescheiden man, die er van overtuigd was, dat een mensch zoo weinig weet. „Wij weten niet eens hoe onwetend we zijn", schreef hij op 't eind van z'n leven. Ook ten opzichte van God en goddelyke zaken wist hij niets en was „agnosticus". De weg der Godsopenbaring, de weg des Woords, de weg Jezus Christus was hem niet bekend tot licht en wijsheid en leven.
Het Darwinisme is een der theorieën ter verklaring van het ontstaan der soorten, ook ter verklaring van de afstamming en wording van den mensch, maar dan niet in Schriftuurlijken geest, maar in den zin van het Materialisme en het Evolutionisme. Elke volgende toestand ontwikkelt zicli uit de vorige. Zoo verandert alles naar de omstandigheden. De beenen van een ooievaar zijn telkens langer geworden, omdat de ooievaar telkens door dieper water ging ; de hals van de giraffe werd zoo lang door de aanhoudende pogingen van het dier om steeds hooger hangend loof van boomen te plukken enz. Zoo verandert en ontwikkelt alles ; alles groeit en vermenigvuldigt en wordt vervolmaakt, ook door klimaat, voedsel, woonplaats enz. De beste exemplaren blijven daarbij over, terwijl de mindere onderdrukt worden en zoo groeit aldoor iets beters. Zooals bij een zeef het kleinere en mindere uitvalt en het grootere en betere overblijft, zoo gaat het in de schepping met alles. En zoo leerde Darwin van den mensch, dat hij van een minder en lager soort wezen afstamt en wel van een lid van de apenfamilie der oude wereld. Hij kon geen oogenblik meer gelooven, dat de mensch het voortbrengsel is van een afzonderlijke scheppingsdaad. Dat de dieren verstand hadden — werd kalm betoogd, enz.
't Darwinisme, dat principieel verschilt met hetgeen Gods Woord ons leert en flagrant met Gods openbaring in de Heilige Schrift in strijd is, wordt door niet weinigen, die zelf volstrekt niet uit de christelijke beginselen leven, verworpen.
Het eerste artikel van onze christelijke geloofsbelijdenis is nog altijd : „Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's