RONDOM DE LEESTAFEL
ONZE FEESTEN, door ds. G. van Veldhuizen Azn. Uitgave H. Veenman & Zonen. Wageningen 1932. Ds. Van Veldhuizen, zoon van den kerkelijk-hoogleer aar prof. Van Veldhuizen te Groningen, lijkt in vele dingen buitengewoon op z'n vader, wat hem tot eere en ons tot vreugd is. Het boek dat voor ons ligt, „Onze Feesten", bewijst de stelling die we boven neerschreven. De practijk van het kerkelijk-godsdienstig leven is het voorwerp van zijn belangstelling en dan behandelt hij de dingen zoo echt practisch, kerkelijk, godsdienstig; met een werkmethode die uitblinkt door nuchteren zin en groote geleerdheid ; zakelijk, geestelijk tegelijk én geestig. Wij hebben dit boek, dat handelt over de Jaarfeesten van onze Jongelings-, Meisjes-, Knapenvereenigingen enz., met buitengewoon groote belangstelling gelezen. Ook omdat we zelf al ruim 30 jaren met deze affaire van jaarfeesten in aanraking geweest zijn en we er nog midden in zitten, trok het onze aandacht. Steeds hebben we er ons mee ingelaten met de jaarfeesten onzer vereenigingen en we hebben nooit onze medewerking willen onthouden. Vandaar dat we met groote aandacht het boek van ds. Van Veldhuizen over deze belangrijke, practische aangelegenheid van ons vereenigingsleven hebben gelezen.
Mogen we feest vieren ? Moeten we het dikwijls doen ? Moeten we zuinig zijn met onze feesten? Hoe moeten we onze feesten inrichten, openen, leiden, vullen, sluiten, enz. ?
Verschillende opvattingen worden genoemd : 1. het feest als louter ontspanning, een verzetje zonder meer ; 2. het feest als middel tot verbetering van den financieelen staat; 3. het feest als dankstond voor genoten voorrechten; 4. het feest als verinniging van saamhoorigheid en vereenigingsleven ; 5. toet feest als propagandamiddel. Wanneer men 3, 4 en 5 samen neemt (niet elk apart, maar samen), krijgt men wellicht de beste omschrijving van het wezen, het doel van onze jaarfeesten : danken voor genoten weldaden, versterken van den band onderling, trachten het aantal leden der vereeniging enz. uit te breiden, door de belangstelling te wekken bij de ouders enz. Dat is het doel!
Wil een jaarfeest slagen, dan moet:1. de voorbereiding ernstig zijn ; 2. men moet er tijdig mee beginnen ; 3. de leden moeten zelf, zooveel mogelijk, voor alles zorgen ; 4. er moet éénheid zijn in 't program.
Dat er één is die de leiding heeft bij de voorbereiding, die zich van alles op de hoogte stelt, die van alles inzage neemt, die in alles helpt — is allernoodzakelijkst. Dan kan ieder lid der vereeniging, die wil en die daartoe bekwaam is, meedoen ; terwijl alles onder één hand doorgaat. Dan loopt alles vlot. Dan komen er op het feest zelve geen onaangename „verrassingen". Dan komt er tusschen openingswoord, zingen, muziek, verslagen, voordrachten, pauze, spreken van afgevaardigden, de gewenschte harmonie door goede indeeling. Dan volgen proza en poëzie, ernst en luim zóó op elkaar, dat het niet stoot. Dan wordt ook geweerd wat misschien op zich zelf genomen nu niet zoo heel vreeselijk is, maar toch op het jaarfeest niet thuis hoort en wat, als 't ongecontroleerd werd „ten beste gegeven", allicht aanstoot of ergernis zou geven; wat altijd vreeselijk jammer is.
Liefst moet een predikant de vergadering, dat een feestelijk samenzijn is — en niet op een begrafenis gelijken mag — openen. Liefst kort en krachtig, niet met een „feestrede", maar met een passend woord, dat uitgesproken wordt met het oog OU de belangstellenden die uitgenoodigd zijn om het jaarfeest bij te wonen, 't Moet geen preek, 't moet geen lezing zijn, maar een practisch woord, waarmee iets gezegd wordt.
Niet onbelangrijk is wat er gezongen wordt en hoe er gezongen wordt, door al de aanwezigen, maar straks ook misschien door de leden der vereeniging samen of door een koor. Dat er een orgel of (en) piano is in de zaal, waar het jaarfeest gehouden wordt, spreekt vanzelf. Het bondslied blijve niet achter. Dat er gezongen en gemusiceerd wordt (maar goed !) is prettig en valt altijd in den smaak.
Een bijbelinleiding mag niet ontbreken ; maar moet kort, duidelijk, zakelijk, ernstig zijn ; waarbij men moet kunnen merken, dat er in de bibliotheek van de vereeniging of in de gezinnen een goede, degelijke bijbelverklaring en handleiding voor de bijbelsche geschiedenis aanwezig is ! Natuurlijk geldt ook hier, dat volle aandacht geschonken wordt aan de vraag : wanneer die bijbelinleiding gehouden moet worden. Als na die inleiding een passend gedicht kan worden voorgedragen, valt dat uitnemend ; of er kan een lied gezongen worden.
De verslagen van de bestuursleden kunnen niet achterwege blijven. We hebben er recht op te vernemen hoe de stand der zaken is. En als men wil, kan men 't kort en levendig doen, zoodat het niet verveelt. Ook hier moet de goede wil niet ontbreken.
Aan de voordrachten, die er noodzakelijk bij hooren, moet veel werk worden besteed, 't Moeten geen flauwe, zoutelooze, futlooze dingen zijn, zonde rinhoud. 't Moeten ook niet allemaal „ernstige" nummers zijn. Maar tegenover „ernstig" staat niet „moppig" of „lollig". Mooi, geestig, geestelijk zijn eigenschappen van voordrachten die we prachtig kunnen gebruiken. „Goet, Frisch, Claer" (om met Callenbach te spreken). En dan moet men aan het voordragen zelf óók volle aandacht schenken, waarbij we allen wel niet een Arie Post behoeven te zijn of te worden, maar waarbij toch wel moet uitkomen dat een christen gaarne 't beste geeft wat hij heeft. In bloemlezingen en voordrachten-bundels is wel een en ander te vinden, maar dan moet ook hier leiding gegeven worden door menschen die zich er voor interesseeren en die voor ons vereenigingsleven hart hebben. Er is gelukkig nog zoovéél dat lieflijk is en wélluidt en daaraan onze aandacht te schenken en dat te bevorderen en naar voren te brengen is óók christenplicht! Natuurlijk mag hier geen sprake zijn van schunniggrof of kinderachtig-flauw; hier moet gezocht worden naar 't beste van 't beste, waarbij proza en poëzie, verhaal, legende, reisbeschrijving enz. enz. in bloemlezingen, voordrachten-bundels enz. te vinden, goede diensten kunnen doen. Kinderlijk is daarbij iets anders dan kinderachtig, geestig is iets anders dan „moppig" enz. Schrijvers en dichters, die hun naam met eere dragen — en die zijn er gelukkig — willen onze vereenigingen ook hierin gaarne dienen. Maar men moet er moeite voor doen en men moet smaak en talent ook op dit terrein vormen en ontwikkelen. Dat is óók christenplicht! Men leze in „Onze Feesten" bladz. 17—26 eens met ernst en men moet op onze vereenigingen over die bladzijden eens samen praten !
Ook over tableaux wordt gehandeld (bladz. 27—31). Dit is een teere, moeilijke kwestie. Naast het verhevene en smaakvolle dat imponeert, ligt het belachelijke en leelijke, dat afstoot en ergert. Maar met het badwater behoeft hier het kind niet te worden weggeworpen. Men zal hier ernstig, voorzichtig en met goeden smaak moeten handelen ! Genoemd worden b.v. de Klaagmuur te Jeruzalem (vgl. prof. Obbink : Op bijbelschen bodem, bladz. 261—268) ; de Dwaallichtjes ; het Vlaggelied ; (uitgave Geref. Jeugd-Organisatie, leiddraad van J. E. Kok) ; Geloof, Hoop en Liefde ; Rots der eeuwen, enz.
Aan muziek en zang moet veel aandacht worden geschonken, waarbij een goede leider of leidster en goede muziek-en zangboeken natuurlijk van groot belang is. Hier is oefening, smaak, ontwikkeling, stem, gevoel onmisbaar en natuurlijk is hier de eene vereeniging heel anders ingesteld dan de andere. Maar altijd en overal moet het streven zijn het beste van het beste te geven van hetgeen liefelijk is en wélluidt. Onze Scholen met den Bijbel kunnen uitnemende oefenplaatsen zijn, waarvan de vereenigingen dan mogen profiteeren.
En dan de samenspraken. Hier hangt alles af van de keuze. Dat men in goede samenwerking een stuk leven laat zien en het op aanschouwelijke wijze ons voor oogen stelt, kan op zichzélf niet verkeerd zijn. Natuurlijk niet. De dichter doet dat, de vertellers doen dat. Boeken, schetsen, gelijkenissen, legenden, volksverhalen doen dat. En dat men het in een samenspraak wil doen, is heel natuurlijk. Dan kan een stukje vaderlandsche geschiedenis ons levendig worden voor oogen gesteld; dan kunnen we met een huiselijk tafereel meeleven ; een tafereel uit de Kerkgeschiedenis of van het Zendingsterrein, een levenservaring met levensles enz. kan het ons bijbrengen. Alles hangt hier af van den smaak en van den geest dergenen die samen ons wat willen laten hooren en zien. Het moeten geen dorre vertoogen worden, geen langgerekte redeneeringen, geen vermoeiende pleidooien en natuurlijk allerminst ruwe, zoutelooze grappen. Samen moet men iets goeds willen geven, dat prettig aandoet of ook wel ons diep onder den indruk kan brengen van iets dat ernstig en waar is. Natuur en waarheid — moet men in 't oog houden ; dan kan het boeien. En met gezonden, frisschen humor te komen, kan voor jong en oud soms heel prettig zijn.
Tooneelspel moet achterwege blijven. Aan onze voordrachten en samenspraken hebben we genoeg. Als we dan bij dit alles nog noemen dat de zaal gezellig moet worden ingericht en dat ieder zich rustig en ordelijk behoort te gedragen, dat voor een pauze moet worden gezorgd, waarbij iets wordt gepresenteerd — terwijl gezorgd moet worden dat er niet al te laat wordt gesloten (hoewel 't natuurlijk, zooals bij alle feesten, ook onze huiselijke feesten, wel iets later wordt dan we gewoonlijk onzen dag eindigen) dan kan alles medewerken tot bloei van onze vereenigingen, tot sterking van den vriendschapsband en daarin tot bevordering van Gods Koninkrijk. Dat dat Koninkrijk kome ook onder jonge menschen, waartoe allen, jongen en ouden, moeten medewerken !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's