De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

OVER DE KERK. (5)
Over de ware en de valsche Kerk.

De bediening van 't Woord en de Sacramenten zijn de steunpilaren der Kerk. Allerlei gebreken en zonden kunnen niet verhinderen, dat de Kerk den naam van Kerk blijft dragen, als de bediening van het Evangelie en de bediening der Sacramenten zuiver worden voorgestaan. Maar als in de burcht der religie de leugen is binnengedrongen om de bediening des Woords te vervangen en het gebruik der Sacramenten is neergestort, volgt ongetwijfeld de ondergang der Kerk. Dan is het niet meer de ware Kerk, , maar is het de valsche Kerk geworden — gelijk bij Rome het geval is.
Evenals het met 't leven van den mensch gedaan is, wanneer hem de hals wordt afgesneden of de hartader doodelijk gewond — zoo ook moet de Kerk óndergaan zoodra de grondslag, het fundament van de Kerk is omgekeerd en het wettig gebruik der Sacramenten te niet gedaan is.
De Kerk toch is gegrond op „de leer der Apostelen en Profeten" (Efeze 2 vers 20) ; zij is ook een „pilaar en vastigheid der waarheid" (1 Tim. 3 vers 15).
Als dit wordt omgekeerd en de leugen de plaats inneemt van de waarheid, daar is geen Kerk. Zóó nu is de Roomsche.
In plaats van de bediening des Woords, regeert daar een verkeerd en uit leugens saamgesmeed bewind, dat het zuivere licht deels uitbluscht, deels verstikt. En in plaats van het Avondmaal des Heeren is daar een zeer schandelijke heiligschennis gekomen. De dienst van God is door een veelsoortige en ondragelijke menigte van superstition misvormd. De leer, zonder welke het Christendom niet bestaat, is geheel begraven en verdreven. De openbare samenkomsten zijn scholen van afgoderij en goddeloosheid; terwijl een ieder met de zondige ceremoniën en afgoderijen gedwongen wordt mee te doen. Daarom is daar de valsche Kerk en niet de ware Kerk ; en daarom is er geen gevaar, dat wij, door af te wijken van het verderfelijke deelhebben aan zooveel schanddaden, van de Kerk van Christus zouden afgescheurd worden.
De Kerk is niet ingesteld om een band te zijn met afgoderij, goddeloosheid enz., maar veeleer opdat we daardoor in de vreeze Gods en de gehoorzaamheid aan de waarheid zouden gehouden worden. De Kerk hangt niet aan personen, maar aan de waarheid Gods, die naar Zijn Woord is, waarvan Jezus Christus en Zijn Evangelie het hart is. En nu prijzen ons de Roomschen hun Kerk wel heerlijk aan en zij zeggen, dat er geen andere Kerk in de wereld is ; en dat het allen scheurmakers zijn, die zich durven onttrekken aan de gehoorzaamheid van die Kerk en dat het allen ketters zijn, die hun stem tegen die Kerk verheffen.
Zij staven hun bewering, dat hun Kerk de Kerk bij uitnemendheid is, de eenige en de ware Kerk, omdat het de Kerk der martelaren zou wezen en omdat bij haar de onafgebroken opvolging van bisschoppen is (pausdom). Maar de Grieksche Kerk dan ? Die staat toch ook in verband met de eerste bisschoppen ? En snijden zij, die zelf van Christus afwijken, anderen dan maar zóó, zonder meer, af ?
De Roomschen doen net als de Joden vroeger, als zij bestraft werden door de profeten vanwege hun afval van God. Dan komt er óók een roemen in personen en een pochen met oude tijden. Maar de profeten werpen dat weg als waardeloos en stellen de waarheid en de vreeze Gods op de eerste plaats. (Jesaja 7 vers 4 ; Ezech. 10 vers 4; Mal. 2 vers 4 enz.).
Ook de Apostelen doen dat. In Rom. 9 —12 verklaart Paulus het verschijnsel, dat de Joden, Gods volk, verworpen zijn. Hij ontkent, dat de Joden, die der waarheid, den Christus, vijandig zijn, de ware Kerk zouden wezen, al hadden zij den vorm en den naam. Zie ook Gal. 4 vers 22 ; Rom. 9 vers 6. Ismaël was nog ouder dan Izaak, ook was hij besneden, maar dat alleen is geen bewijs van tot de Kerk des Heeren te behooren. God is niet aan de goddelooze priesters gebonden, omdat Hij met Levi een verbond gemaakt heeft — zegt de profeet Maleachi (2 vers 4). Omdat Kajafas, de hoogepriester, opvolger van Aaron is en aan 't hoofd der Kerk staat, is die Kerk nog niet de ware Kerk !
Dat de ouden op die successie of opvolging van personen bizonder nadruk gelegd hebben, is volkomen waar, maar toen was het om de apostolische leer te doen, die niet mocht worden verlaten, maar in rechte lijn en onverbroken moest worden bewaard.
Maar om, met terzijdestelling van de leer, te roemen in personen, is de dwaasheid zelve voor een Kerk ! In plaats van de Bruid van Christus is een overspelige vrouw gekomen bij Rome. Zij hebben den naam van Kerk, doch zijn doodelijke vijanden van Christus en Zijn Woord. En op het Woord juist komt het aan ! Dit is het kenmerk waarmee de Heiland de Zijnen bij voortduring teekent. „Wie uit de waarheid is", zegt Hij (Joh. 18 vers 37) „hoort Mijn stem". Evenzoo (Joh. 10 vers 14) : „Ik ben de goede Herder en Ik ken Mijne schapen en word van de Mijnen gekend ; Mijne schapen hooren Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij". En een weinig te voren had Hij gezegd (Joh. 10 vers 4), dat de schapen hun Herder volgen, omdat zij Zijn stem kennen, maar dat ze een vreemde niet volgen, maar van Hem vlieden, omdat ze de stem des vreemden niet kennen. En nu wil Rome ons de oogen verblinden met allerlei, dat we maar niet zouden merken, dat het Woord weg is.
De beschuldiging van ketterij en scheurmakerij is van allen grond ontbloot. Éénheid in Christus is noodig. Paulus oordeelt niet, dat de Kerk gefundeerd is op menschen of priesterschappen, maar hij spreekt van de leer der apostelen en de profeten ; hij spreekt van Christus, die van God gegeven is, van den Christus der Schriften. - Hij spreekt van het Woord, waarvan het middelpunt Christus is. (Ef. 2 vers 20). Als Paulus dan ook vermaant tot éénheid (Efeze 4 vers 5), dan is het éénheid in het geloof en éénheid in Doop. En als hij leert hetzelfde te gevoelen en hetzelfde te bedoelen, dan' is het wéér : in Christus, of zooals Christus het heeft gewilld en nog wil, naar Zijn Woord. Een vergadering, die geschiedt buiten 't Woord, buiten de èénigheid des geloofs in Christus en buiten de eenigheid des waren Evangelies, is geen vergadering der Kerk.
Ook Cyprianus stelt de éénheid der Kerk in de eenigheid van het bisschopsambt van Christus. Eén is het Hoofd der Kerk, n.l. Christus. Vele stralen — maar uit één zon. Vele takken — maar uit één stam. Vele beken — maar uit één bron. En Cyprianus zegt, dat de ketterijen en scheuringen juist daaruit ontstaan, dat men het Hoofd, Christus, niet zoekt en de leer van Christus niet bewaart.
En nu zouden wij, die de Roomsche Kerk hebben verlaten, ketters zijn?
Neen — de éénige reden, dat wij de Kerk van Rome hebben verlaten (zegt Calvijn) is deze, dat zij de zuivere belijdenis der waarheid niet kunnen verdragen. Dat zij de eenvoudigheid des. Evangelies niet willen dulden.
Daarenboven hebben ze ons door hunne banvloeken uitgeworpen — zooals Christus heeft voorspeld (Joh. 16 vers 2). Zooals de wettige synagogen de Apostelen en de discipelen van Christus hebben uitgeworpen en daardoor bewezen hebben niet de Kerk van Christus te willen zijn, zoo heeft Rome met ons gedaan. Om Christus' wil hebben ze ons uitgeworpen.
En wij zijn tot Christus gegaan.
(Wordt voortgezet).

IETWAT WONDERLIJK OORDEEL OVER CHRISTENEN.
In de Groninger Kerkbode (der Gereformeerde Kerken) is een rubriek „Geestelijke Stroomingen", verzorgd door H. V. d. E. Aan de beurt van behandeling is nu : „De Evangelische Broedergemeente". Deze Christelijke gemeente is (1457) ontsproten uit het martelaarsbloed van Johannes Hus (geb. 6 Juli 1369), hoogleeraar aan de Hoogeschool te Praag en prediker aan , de Bethlehemskerk aldaar, die een der voorloopers van de Hervorming kan worden genoemd en, op het Concilie van Constanz veroordeeld zijnde, den vuurdood is gestorven. „In een plechtigen dienst in de Domkerk te Constanz werd hem onder vreeselijke verwenschingen het priestergewaad uitgetrokken en daarop werd hij in een spotkleed buiten de stad naar de gerechtsplaats geleid. Kalm en waardig ging Hus den gruwelijken dood tegemoet. Biddend beklom hij de houtmijt. Aan den paal vastgebonden, weigerde hij nogmaals te herroepen en verklaarde zich bereid voor zijn leer te sterven. Daarop werd de houtmijt aangestoken en te midden der vlammen bad de martelaar : Christus, Gij Zone Gods, erbarm U mijner!" Weldra werd zijn stem verstikt door den opstijgenden rook en zijn lichaam verteerde in den gloed van het vuur".
Door een zijner vrienden, den ridder Hieronymus van Praag, die in Engeland was geweest, had Hus kennis gekregen aan de leerstellingen van Wicliff, óók een van de voorloopers van de Hervorming. Ook las hij daarna diens boeken en zijn oogen werden geopend voor de misbruiken en de dwalingen der Roomsche Kerk, maar méér nog voor de waarheid en de heerlijkheid van het Evangelie van Jezus Christus. Dat deed hem weldra met gloed en met vuur het Woord Gods verkondigen — maar toen moest hij sterven.
Uit de beweging, die door den dood van dezen geloofsheld in Bohème ontstond, is de oude Broederkerk geboren (1457). Het rnartelaarsbloed  is nooit onvruchtbaar gebleven ! In het begin van de 16de eeuw telde de  Broedergemeente in Bohème 70.000 leden, die in 300 kerkgebouwen samenkwamen. In 1722 zijn de nieuwe Broedergemeenten gevormd, nauw verbonden met Graaf von Zinzendorf (geb. 26 Mei 1700) en Herrnhüt.
Bekend is, dat zij vooral nadruk leggen op den tweeden persoon van het Goddelijk Wezen, den Zoon, en dat zij bij voorkeur spreken van het evangelie der genade, waarbij de door Christus aangebrachte verlossing eenzijdig in Zijn lijden en sterven wordt gesteld.
In verband met het dezen zomer te vieren jubileum der Herrnhutter Zending (1732—1932) trekt de Evangelische Broedergemeente te Zeist nu weer de aandacht. En nu is niet-wel de moeite waard om ons te herinneren hoe er honderd vijftig jaar geleden — in den beginne van de stichting van de Broederkerk der Herrnhutters in Nederland — over deze „secte" geoordeeld werd in de officieele Kerk alhier.
In de notulen van den kerkeraad van Zeist van het jaar 1747 lezen we — zoo schrijft H. v.d. E. in de Groninger Kerkbode) : „Deze week heeft zich alhier gevestigd de gevaarlijke secte der Herrnhutters, die het grootste deel van hun tijd doorbrengen met zingen. God geve hun wat minder te zingen en wat meer te bidden".
En op de vergaderingen van de Classis Amersfoort werd de Kerk van Zeist beklaagd, dat zij zooveel van die ketters te lijden had en naarstig werd telkens geïnformeerd hoe het met die vreeselijke secte was.
In 1750 ontvingen zelfs de Staten van Utrecht een schrijven van de Synode der provincie, opgesteld door prof. Elsnerus, over de Godonteerende en wellustige secte der Herrnhutters. De Staten, met Prins Willem IV aan het hoofd, betuigden toen openlijk hun afkeer van die secte en beloofden tot ondermijning van hunne ketterijen te zullen medewerken.
Een Commissie werd ingesteld om de zaken te onderzoeken en rapport uit te brengen. Deze Commissie kwam 44 jaar daarna (1794) met een uitgewerkte beschouwing, die aan de Staten werd voorgelegd en waarvan aan den kerkeraad te Zeist mededeeling werd gedaan. Deze heeft toen hierop geantwoord en dit antwoord werd weer naar de theologische faculteit te Utrecht gezonden om nader advies. Toen dit inkwam, werden beide stukken aan de Synode gestuurd, maar de omwenteling van 1795 maakte dat er verder niets van kon komen.
Uit deze geschiedenis blijkt wel, hoe men toen over de Herrnhutters oordeelde.
De gevaarlijke, Godonteerende en wellustige secte der Herrnhutters.
Gelukkig was en is het bezijden de waarheid.

DE STEM VAN PROF. GROSHEIDE EN HET KERKELIJK VRAAGSTUK.
In ons openingswoord van den laatsten Bondsdag doelden we op 't geen prof. Grosheide van Amsterdam op de Vergadering van predikanten der Gereformeerde Kerken te Utrecht gezegd moet hebben, in verband met de kerkelijke verhoudingen van heden. We kunnen niet precies zeggen wat de hoogleeraar van de Vrije Universiteit daar gesproken heeft, omdat we er niet bij geweest zijn en de courant er ons weinig of niets van heeft meegedeeld. Vermoedelijk is met opzet van het referaat van prof. Grosheide geen „breed verslag" in de Pers verschenen. Althans daarvan leeft sterk bij ons de indruk. Het kan niet toevallig zijn. Het moet met opzet zijn geschied De stellingen waren' gepubliceerd en van de discussie is ook een vrij uitvoerig verslag gegeven, met name wat ds J. L. Schouten van Amsterdam — in deze de tegenvoeter van prof. Grosheide — heeft beweerd.
We vinden het jammer, dat we zoo weinig nu weten van de gevoelens en van het betoog van prof. Grosheide. Maar gelukkig lezen we juist het bericht, dat zijn rede in druk zal verschijnen.
„Dat het niet reeds in druk verschenen was" — zegt ds. Rietberg van Maassluis in „De Wachter" — „vond zijn oorzaak hierin, dat de bespreking op de conferentie diende te worden afgewacht".
Is de inleider een beetje bang geweest ? Schrok hij er tenslotte voor terug om te zeggen, wat hij zoo graag wilde zeggen, maar dat bij velen uit zijn kring wellicht op tegenstand zou stuiten ?
Werd daarom het referaat niet gedrukt ? We zullen maar hoopen, dat de uitgave van dit referaat nu spoedig komt, want het schijnt ons toe, dat het allerbelangrijkst zal zijn. Als het althans zal zijn, zooals prof. Grosheide het gaarne wilde doen zijn. En we vertrouwen dat het zóó zal wezen, als het straks komt.
De stellingen van prof. Grosheide waren : 1. Meer dan het vraagstuk van de Heilige Schrift, heeft op dit oogenblik dat van de Kerk recht op onze volle belangstelling ; 2. De oplossing van het kerkelijk vraagstuk in Nederland wordt tegengehouden, doordat in meer dan één kring dit vraagstuk zooveel mogelijk naar den achtergrond gedrongen wordt; 3. Voor de oplossing van het kerkelijk vraagstuk in Nederland is noodzakelijk, dat de Gereformeerde Kerken niet slechts van haar bestaansrecht overtuigd blijven, maar ook meer oog krijgen voor haar tekortkomingen. 4. Als. ideaal dient, bij de oplossing van het kerkelijk vraagstuk voor oogen te staan het samenleven van alle Gereformeerde belijders in één kerkelijk instituut.
Men ziet, het zijn nog al sprekende stellingen en de verhouding van de Gereformeerde Kerken tot andere Kerken, zoowel als de tekortkomingen van de Gereformeerde Kerken waren in het geding....... Ook dat laatste.
Ds. Rietberg van Maassluis zegt in „De Wachter" : „De bespreking, die op dit referaat volgde, is zeer geanimeerd geweest. En geen wonder, het vraagstuk van onze Kerken in haar verhouding tot andere Kerken" („en tot haar tekortkomingen" — slaat ds. R. maar over —) „is wel van zeer groote beteekenis. Het schijnt wel, alsof hierbij onder ons zich langzamerhand twee stroomingen gaan afteekenen. Bij de ééne strooming staat het kerkelijk besef zéér hoog ; die wil er beslist aan vasthouden, dat wij de zuivere, ware Gereformeerde Kerk zijn, dat we daarvoor ook tegenover andere Kerken moeten opkomen, hoezeer wij ook voor God onze verkeerdheden belijden moeten" (voor de menschen niet? zoo vragen wij. Red. Whvr.) ; „en dat we een open oog moeten hebben voor wat de geschiedenis ons leert, voor het groote werk Gods in 1834 en 1886 ; en dat we anderen, die met ons dezelfde belijdenis hebben, moeten opwekken zich bij ons te voegen, en hun moeten voorhouden, dat ze kerkelijk zondig leven".
Dat recept kennen we sinds lang. Het is nog al eenvoudig :
1. de - Gereformeerde Kerken zijn de ware, zuivere Gereformeerde Kerk van Nederland ; — 2. de anderen, die ook de Gereformeerde belijdenis hebben, moeten worden opgewekt zich bij de Gereformeerde Kerken te voegen; — 3. hun moet worden voorgehouden dat zij nu kerkelijk zondig leven.
Eenvoudiger en beter recept bestaat er niet. Waarbij men dan nog wel zegt, dat men een open oog moet hebben voor de geschiedenis.
Prof. Grosheide heeft vermoedelijk een ander recept genoemd. En het is niet onduidelijk dat men eenerzijds scherp tegen hem is opgetreden ; wat ook ds. Rietberg toejuicht; terwijl er anderzijds sympathie betuigd is met zijn spreken ; wat ds. R. betreurt.
Tweeërlei strooming dus. De eerste is ons hier boven geteekend, zijnde naar het bekende recept.
„De andere strooming" — zoo vervolgt ds. Rietberg — „wil óók 't bovenstaande, doch wil er niet zoozeer den vollen nadruk op leggen" (beteekent dat „willen er niet zoo trotsch op gaan ? „en meent, dat we ten stellen om tot eenheid te komen ; dat we tegen anderen niet zoozeer moeten zeggen, dat ze kerkelijk verkeerd staan en dat aan de lijn der historie niet te zeer moet worden vastgehouden".
„Zóó zouden we" — zegt ds. Rietberg — „naar ik meen, beide stroomingen kunnen definieeren" (wat de „andere" strooming zóó niet voor honderd procent zal willen accepteeren, vermoedelijk ).
„Beide stroomingen kwamen op de Conferentie uit. Ds. J. L. Schouten van Amsterdam stond zeer sterk op het eerste standpunt, waarvan prof. Grosheide getuigde, dat dit het verst van hem afstaat". Aldus „De Wachter".
Wat heeft nu ds. Schouten, die ook voorzitter van de laatste Synode van Assen was, gezegd ?
Volgens De Standaard moet het ongeveer het volgende zijn geweest : „Moet ik het kerkelijk instituut, waartoe ik behoor, beschouwen als een variatie van het instituut, of als de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus ? Vloeit daar niet uit voort, dat wij tot dat instituut moeten behooren en anderen opwekken, dat ook te doen ?
Wij kunnen de historie toch niet te niet doen in onze verhouding tot Gereformeerden in de Ned. Hervormde Kerk en de Chr. Gereformeerde Kerk ? Spreker ziet hier het tekort, het kerkelijk besef zelfs bij de predikanten verslapt. Spreker ziet het als een tekort, als men de intree van een predikant bij de Chr. Gereformeerde of Ned. Hervormde Kerk gaat bijwonen. Als Kerk kan spreker geen samenwerking hebben ; wel op het breede terrein van het Koninkrijk Gods. Een Generale Synode van de Gereformeerde Kerken kan niet met een andere op voet van gelijkheid onderhandelen. Spreker zou dit willen, dat de Kerk als profetes een getuigenis deed uitgaan tot de andere Kerkformaties : gij hebt uw kerkelijk instituut te reformeeren" (ook b.v. aan het adres van de Chr. Gereformeerde Kerk ? Red. Whvr.). „Als dat niet helpt, ligt dat niet aan ons. Alle andere middelen om tot eenheid te komen acht spreker erger dan de kwaal, omdat dan het kerkelijk besef nog meer verslapt".
Typisch is, dat ds. Rietberg schrijft, dat dit standpunt het verst afstaat van hetgeen prof. Grosheide gezegd heeft. De professor heeft dus een anderen toon doen hooren. Dat doet ons des te meer verlangen naar het referaat — als 't kon met de discussie, zoo volledig mogelijk weergegeven.
Hoe meer we van elkaar weten, hoe beter het zijn kan voor het heden en de toekomst van de Kerk des Heeren in dezen lande.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's