De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

10 minuten leestijd

In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zoude Ik het u gezegd hebben ; Ik ga heen, om u plaats te bereiden. En zoo wanneer Ik heengegaan zal zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben. Johannes 14 vers 2 en 3.

NAAR HET HEMELSCH VADERHUIS.
Als het goed is, is ons liefste en beste plekje hier op aard ons tehuis. Wie geen tehuis bezit, is heel ongelukkig, zwerft van het ééne eind naar het andere, moet aan andermans tafel aanzitten en wordt meestal verstooten en kwalijk bejegend. Het oude spreekwoord, van onze voorvaderen afkomstig, die dikwijls, en vaak voor langen tijd, het vaderland verlieten, luidt: „ledere vogel prijst zijn nest; thuis is het allerbest." Bij alle oordeelen, waarmee het menschdom door God in den tegenwoordigen tijd bezocht wordt, is ook dit gekomen, dat jong en oud zich thuis niet meer rustig gevoelen ; men wil de straat op, naar de schijnschittering van bioscoop en danszaal, en geeft daardoor een van onze beste schatten prijs, n.l. de huiselijkheid. En wie zich eenmaal van huis heeft afgewend, voelt zich daar niet meer gelukkig ; het plekje aan den huiselijken haard bekoort hem niet meer. Men is het in den tegenwoordigen tijd dus niet meer eens met den voor kort nog zoo verheerlijkten, om niet te zeggen, verafgoden, dichter Goethe, die schreef : „O Hauslichkeit! in deines Glückes Frieden liegt der Menschheit grosses Los!" — „O huislijkheid, in uw vreedzaam geluk ligt het groote lot der menschheid !"
De ware Christen zoekt zijn troost niet op straat of bij anderen, maar in den kring, waar God hem gesteld heeft, en daar liggen zooveel schatten van geluk en vrede opgehoopt; als men maar wil zien en zoeken. In onzen Bijbel hebben we de voorbeelden voor het grijpen. Martha, Maria en Lazarus waren zeer huiselijke menschen. De apostel Johannes kreeg van den Christus aan het kruis opdracht, om voor Jezus' moeder een zoon te zijn ; en Johannes nam haar van die ure af op in zijn huis. De Gelijkenis van den Verloren Zoon met dien vader, die uitkijkt naar zijn Idnd, het feest, dat bij den wederkeer van den afgedwaalde gevierd wordt, het slachten van het gemeste kalf, het is onder meer een heerlijk tafereel van huiselijkheid.
Zoo komt het, dat in den Bijbel de hemel ook vergeleken wordt bij een tehuis, met name in onzen tekst, waar de Heiland kort voor Zijn vertrek Zijn discipelen melding deed van dat Vaderhuis, waarin vele woningen zich bevonden, waar de Heiland heen ging, om daar voor al de Zijnen een plaats te bereiden ; en wanneer Hij met dat heerlijke werk klaar zou zijn, komt Hij weder en zal Zijn kinderen tot zich nemen, opdat zij ook mogen zijn, waar Hij zal wezen. Hoe blij zullen zij daar zingen het lied der verlossing door het bloed van Golgotha ! Zult gij, mijn lezer, mee instemmen in dat hemellied ? Wij roepen u toe met een dichter :
Naar huis ! O naar huis ! Gij zijt moe ; u is bang ! Koud en guur is de wind ! Arm, afgedwaald kind ! Naar huis, o naar huis !
Naar huis ! O naar huis ! Voor de poort in den nacht Houdt een Vader de wacht. Die u teeder bemint. Arm, afgedwaald kind ! Naar huis, o naar huis !
Naar huis ! O naar huis ! Daar is deernis en brood. Waar het welkom u noodt, Waar de hemel begint. Arm, afgedwaald kind ! Naar huis ! O naar huis !
Zoo heeft dus Gods Zoon geen half werk verricht. Hij stierf voor Zijn kinderen aan het kruis. Hij heiligde echter ook ons graf door zich zelf te laten uitdragen naar de spelonk in Jozefs hof. Hij stond ook op uit de dooden, opdat ook wij door Zijne kracht straks zalig zullen opstaan. Hij ging ook nog naar den hemel, opdat Hij daar een plaats zoude bereiden voor al Zijn duurgekochte kinderen, zonder één van hen te vergeten ; voor de kleinen en de grooten, voor heel die schare, die niemand tellen kan, die hun lange witte kleederen gewasschen hebben in het bloed des Lams. Jezus zal aldaar hun leidsman zijn naar levende fonteinen der wateren ; en God zal alle tranen van hun oogen afwisschen. Aan hun geluk zal nooit een einde komen. Het is hun weggeleid voor al de eeuwigheid.
In het huis van Jezus' Vader zijn vele woningen. Niet hier en daar een enkele, maar vele. Plaats in overvloed. Voor duizenden maal duizenden. Voor allen, die zich door genade van den weg der zonde tot God bekeeren. O, mijn medereizigers naar de eeuwigheid, die nog geen Borg en Middelaar voor uw ziel bezit, zoudt ook gij niet wenschen, dat Jezus ook voor u een plaats bereidt? Nog maar een korten tijd ; want wij vliegen daarheen, om met Mozes te spreken, en wij moeten deze aarde verlaten ; wij allen, niemand blijft hier. Dat zal voor ons een hemel of hellevaart wezen. Zoo gij dan naar den hemel wilt reizen, wel, dan moet gij uw knieën met een oprecht hart voor Jezus buigen, uw zonden belijden en vragen om ware bekeering. Ook gij zijt bij Hem welkom ; ook u wil Hij zaligen. Laat u raden ! Bedenkt heden nog, wat tot uwen vrede dient. Wij bidden u met tranen van Christus' wege : Laat u met God verzoenen ! Hier op de wereld zult gij u nimmer recht tehuis kunnen gevoelen ; immers door Adam's val zijn wij ons oorspronkelijk tehuis kwijtgeraakt. Jezus heeft een nieuw en nog beter tehuis voor ons geopend, en wel dat Vaderhuis met de vele woningen of eeuwige verblijfplaatsen, waar geen listige slang ons zal trachten te verleiden, waar geen zondeval zal mogelijk zijn. Wie daar binnentreedt, zal voor eeuwig behouden zijn. Binnen zijn, zal binnen blijven,
wezen ; maar ook omgekeerd ; buiten zal voor eeuwig buiten zijn.
O, mijne vrienden, werd u ooit heerlijker aanbod gedaan ? Jezus wil u de zaligheid schenken om niet, zonder prijs, noch geld. Gij behoeft uw zaligheid niet eens te verdienen. O zeker, wie Jezus bemint, houdt Zijn geboden, doch niet om daarmede te verdienen ; Jezus zelf heeft door Zijn bloed het leven en de zaligheid verdiend voor al Gods kinderen. Stelt uw gaan naar Jezus niet uit tot morgen ! In het woordenboek des duivels staat: morgen, morgen ! als ik gelegener tijd zal bekomen hebben ; in Gods Woord echter: Heden komt, verhardt u niet, maar laat u leiden !
Pijnlijk woord, nietwaar mijn lezers : „Ik ga heen !" In den hemel zullen we dat niet meer hooren. Hoe vaak echter wordt het op aarde uitgesproken ! De werkman zegt het, wanneer hij des morgens zijn huis verlaat, om naar fabriek of werkplaats te gaan ; en steeds is zijn vrouw blij, wanneer hij behouden wederkeert. Dit zegt ook de zoon, wanneer hij zijn ouders verlaat, om zijn geluk in het buitenland te beproeven, en de ouden vreezen, dat zij hem op aarde niet meer zullen terugzien. Ook de stervende spreekt: „Ik ga heen !" En al bezitten we gegronde hoop, dat wij dezen dierbare in den hemel zullen ontmoeten, op aarde zal hij toch achterlaten een leege plaats. Ook Jezus sprak : „Ik ga heen !", maar voegde er een heerlijke belofte aan toe : „Ik zal u een plaats bereiden, en wanneer Ik met dat hemelsche werk klaar ben, dan kom Ik weder, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben !"
Als de teekenen der tijden ons niet bedriegen, lezers, is de wederkomst van Christus niet ver verwijderd. Wijst niet alles er op, dat wij het einde tegemoet gaan, al weten wij ook van den eigenlijken dag en ure niets ? Wondere technische uitvindingen werden gedaan, waarvan vele meehelpen aan den ondergang der menschheid. We hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen. Het probleem der werkloosheid pijnigt ons in hevige mate. De zeden verwilderen. Aan godsdienst is bij duizenden geen behoefte meer. Communisme en Fascisme vieren hoogtij. Het gezag van ouderen en overheden wordt miskend. De Mammon telt zijn aanbidders in alle kringen der maatschappij. God roept ons van vele kanten toe : „Maranatha !" — „De Heere komt!" Dat wij onze oogen en ooren niet voor deze dingen sluiten ! Dat we ons niet buigen voor den Anti-Christ, en het teeken van het Groote Beest niet vertoonen ! Laten we ernstig aan Hem vragen, voor Wien niets verborgen blijft: „Doorgrond mij, o Heere, en ken mij, en zie. of er bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwigen weg !"
Wanneer wij nu maar waarlijk een kind van God mogen zijn, als wij kennis hebben aan wedergeboorte, bekeering en geloof, dan zullen we, na volbrachten strijd, overwinnen, dan verruilen we het kruis voor de kroon. Dan reizen we naar huis, dan brengt Jezus ons in ons ware tehuis, dan zal onze Heiland ons opnemen in de hoogste heerlijkheid. Immers Jezus is heengegaan, maar Hij komt weder, om ons op te nemen, opdat wij ook zijn mogen in dat zalige oord bij Zijn Vader, waar Hij zich bevindt, gekroond met eer en heerlijkheid. Hij, die hier hing aan het kruis, zit daar in het midden van den Troon des Almachtigen. Zaligen en engelen zingen hem de schoonste hemelliederen toe.
Hoe staat het met ons, lezers ? Mogen we gelooven, dat de Heiland ook een woning heeft gemaakt van ons hart ? Werden we reeds door den Heiligen Geest ontdekt aan zonde en schuld, en vonden we in Hem, die den schoonsten naam draagt, reeds een Borg en Middelaar ? Maken wij ernst met deze vragen, en bedriegen we ons zelf niet in ons gemoed ! Immers indien we niet op den rechten weg wandelen, we kunnen nog veranderen, we zijn nog in het heden der genade. Stelt deze voorname dingen niet uit; wat toch is de mensch ? Hoe broos en zwak en teer ! Zijn adem is in zijne neusgaten. Heden is hij nog alles, morgen ligt hij op de doodsbaar. Vóór eenige dagen stonden we met eene bedroefde kinderschaar aan het graf van een onvergetelijke, dierbare moeder. Onverwacht had de Heere haar uit den kring, die haar noode mist, weggenomen. Hier zagen we de gevolgen van Adams zondeval; hier werden we herinnerd aan de waarheid : „Door de zonden zijn de wonden". Zoo komt de Heere in Zijn goedheid en genade tot ons met vele roepstemmen. Waar het ons in dezen crisistijd aan ontbreekt, zeker aan roepstemmen en noodigingen Gods niet. Mogen we luisteren en ter harte nemen ! God spreekt thans op velerlei wijze.
Indien we echter door genade en in waarheid een kind des Heeren, een schaap van Jezus' kudde zijn, de Heere zal ons helpen door den moeilijken strijd des levens, en straks, als de reis volbracht is, ons opnemen in het Hemelsch Vaderhuis. Hoe zullen we daar zingen het lied ~van vrije genade in die oorden van storeloozé zaligheid !
De enge poort, de smalle weg, , Langs 't bitter, bitter kruis. Ze leiden naar de heerlijkheid van 't zalig Vaderhuis. En in dat zalig Vaderhuis Troont in Zijn heerlijkheid Hij, die voor ons aan 't bitter kruis Den weg eens heeft bereid. Ja, die den weg ons heeft bereid Door bitt'ren dood aan 't kruis. Hij noodt ons tot de heerlijkheid Van 't zalig Vaderhuis.
Zoo houd op 't zalig Vaderhuis Met al zijn heerlijkheid, Ik 't oog gericht — al schrijnt 't kruis, Dat mij ten leven leidt.
Neerlangbroek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's