De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den UitgeverJ. H. Kok te Kampen
Wat waren er onder haar vriendinnen en kennissen niet velen geweest, die dit met de lichtzinnigheid der jeugd hadden voorbijgezien, om te laat hun verblinding te betreuren. Sommigen hunner schenen alle geloof verloren te hebben ; anderen gingen eenzaam hun weg, omdat zij met hun zielsbehoeften zelfs in den intiemen kring van eigen huisgezin niet verstaan werden. Ja, daar waren er, die dagelijks spot en hoon moesten verduren van hun naaste betrekkingen, omdat hun harten uitgingen naar iets hoogers. Zou zij het maar op goed geluk wagen, nu, terwijl zij nog vrij was, nu, terwijl zij nog vóór de keus stond, zulk een toekomst tegen te gaan ? Zou zij zóó haar belijdenis te grabbel werpen, gelijk zoo velen, doch om later wellicht met heete tranen het oogenblik te beweenen, waarop zij aan de verlokkende stem, om het toch met die geestelijke dingen niet zoo nauw te nemen, gehoor gegeven had ? Eenmaal is zij, door de overredingskracht van haar minnaar, er bijna toe gekomen zich gewonnen te geven op een avond, toen Jouke haar laat had thuisgebracht.
't Was toen zoo stil en vredig in Gods heerlijke schepping ; het zilveren maantje keek zoo vriendelijk tusschen de boomen van „Grovestins" door. In de weide lag het vee rustig te herkauwen of stond met groote droomoogen de late wandelaars na te zien, die onder zacht gefluister hun weg gingen.
Anneke had een drukken dag gehad. Er viel zooveel te verstellen en men wilde zoo gaarne, dat zij de veel te groote taak voor één dag afdeed, zoodat zij zich met alle krachten er op had toegelegd om klaar te komen. Een ongewone kleur bewees hoe groot de inspanning was geweest, en toen zij daarop die zoele buitenlucht inademde, kwam er een gevoel van loomheid door haar leden, dat onwillekeurig haar geestelijke veerkracht deed verslappen. Toen was Jouke opeens om den hoek gekomen met het voorstel haar thuis te brengen, en had hij nog eenmaal een aanval op haar hart gedaan.
Hij kon niet inzien, zeide hij, dat dit nu Christelijk van haar gehandeld was. Hij paste toch altijd goed op en deed zijn uiterste best om vooruit te komen. Zij behoefde niet bang te zijn, dat hij haar ooit in eenig ding, het geloof betreffende, te na zou komen. Integendeel, hij zou zich gaarne door haar laten leiden. Hij wilde wel erkennen, dat zij inzake den godsdienst zijn meerdere was en veel meer van den Bijbel wist dan hij, maar wat niet was kon toch komen. Hij was toch ook orthodox en zijn ouders eveneens, 't Was toch zeker ook zóó, dat de mensch zélf zich het geloof niet geven kon, maar dat het hem gegeven moest worden. Dat had dominé hem ook altijd geleerd en die zou het ten minste wel weten. Het moest van Boven gegeven worden, en nu kon zij hem immers mooi helpen om te komen op den weg, waar hij wezen moest ? Bij hem thuis werd zoo zeer niet over geestelijke dingen gesproken; daar was het maar rauw en grauw en ging het alleen om geld verdienen, doch haar omgang en voorbeeld zou hem zeker ten goede komen. Zij kon er op aan, dat hij trouw naar de kerk zou blijven gaan en als alle orthodoxe menschen van Kleiterp zou leven.
Zoo had hij gesproken en het daarmede bijna gewonnen. Er lag immers veel waars in hetgeen hij zei. De mensch kan zich zelf toch ook niet anders maken dan hij is ; de een heeft vaak behoefte aan den steun van den ander. Als zij hem nu eens geestelijk helpen moest, zooals hij voor haar zou zorgen voor zoover het de stoffelijke belangen betrof ? Heeft het klimop geen behoefte aan den krachtigen eik ? Waren er onder Jezus' eigen jongeren ook geen zwakke naturen geweest, die hun kracht bij de sterkeren zochten ? Zijn er ook in de genade geen trappen, gelijk in 't natuurlijke leven een meer en minder gevonden wordt ? Heeft de Heiland het ook niet gehad over menschen met één talent, in tegenstelling met degenen die meer ontvingen? De meeste orthodoxe menschen van Kleiterp waren immers precies als Jouke. Dat, wat zij bedoelde, en o.a. gevonden werd bij menschen als boer Brandsma en oude Marijke en meer anderen, was iets zeldzaams, dat allicht met de jaren kwam. En dan kwam daar nog iets bij. Als zij voldeed aan het verlangen van Jouke dan was zij meteen van dat vervelende naaien af. Hoe menigmaal had zij zich dezen zelfden dag in het huis van Klaas Kroontje niet geërgerd aan den man, die als de haan op den toren alle kanten uit kon. Was het niet om zijn vrouw geweest dan had zij al lang dit naaihuis opgegeven, want als er een godsdienstige klant in den winkel kwam, was hij vroom en als er iemand voor de toonbank stond, die het leven van den luchtigen kant opnam, dan kon hij óók meedoen. Bovendien was hij voor zijn huisgenooten alles behalve aangenaam. Zoo lief hij zich vóór deed aan vreemden, zoo hardvochtig was hij voor eigen vleesch en bloed. Een engel buiten de deur en een duivel in huis, zooals een vorige werkvrouw eens gezegd had. Welnu, van al dergelijke tooneelen, die haar menigmaal de nachtrust kostten, zou zij voor altijd af zijn.
En wat ten slotte de deur nog dicht deed — was Jouke voortgegaan — er zou een allerliefst huisje met een tuintje verkocht worden; als Anneke nu toesloeg dan kon hij wel van zijn ouders gedaan krijgen, dat die dit voor hen kochten. Zij konden het dan desnoods nog wel een jaar verhuren, wanneer Anneke aanstonds nog niet trouwen wilde, om het dan in een volgend jaar naar hun eigen smaak in te richten. Er was ook een kamertje bij het pand — in­ geval nu dat haar moeder minder werd, kon deze met pleizier bij hen komen inwonen ; spek en vleesch hadden zij altijd volop ; kleeren had zoo'n oud mensch niet veel meer noodig en de rest kwam wel terecht.
Zoo had hij geredeneerd, dien mooien avond op den weg naar huis, toen de maan zoo vriendelijk scheen te lonken en alles in Anneke zoo verlangde naar rust.
Toen was echter opeens een hevige storm in haar hart opgekomen ; zoo vredig als het daar buiten was, zoo onrustig werd het daar binnen. Aan den eenen kant gaf zij zoo gaarne toe, want Jouke was anders zoo'n beste jongen. Zij moest er ook niet aan denken het altijd zonder hem te moeten doen, nog veel minder, dat hij met een ander meisje zou gaan, b.v. met Claar van Theunis en Aaltje, die genoeg om hem vrijde en ongetwijfeld aanstonds zou toestemmen als hij haar vroeg. Wat zouden de andere meisjes jaloersch zijn en haar benijden, wanneer dat mooie renteniershuisje haar woning werd. En wat zou het heerlijk zijn, als moeder niet meer behoefde te werken, maar onder haar dak een rustigen levensavond kon hebben.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's