HET WOORD DER SCHRIFT IN DE BEDEELING DER KERK.
Referaat, gehouden ter Bondsvergadering op 14 April j.L, door ds. J. A. van Nie, van Hoogeveen.
II.
Het woord der Schrift in de bedeeling der kerk — wie deze uitdrukking even laat doorwerken in zijn hart, ziet: den predikant achter den open bijbel staan op den kansel. Zeker, het Woord heeft in de bediening een ruime plaats. De loerende ouderling op de catechisatie, de regeerende ouderlingen in de consistorie en bij het huisbezoek, zij zijn ondenkbaar zonder den open bijbel, maar niettemin, als gij den titel van onze verhandeling hoort, dan staat voor uw oog : de prediker op den kansel achter den open bijbel. De dubbele vraag is nu : waarom staat hij er en waartoe. Vanwaar zijn mandaat en wat zijn taak ? Natuurlijk staan deze vragen niet los van elkander : mandaat en taak liggen niet naast elkaar, maar over elkaar. Maar niettemin : wij stellen beide vragen, om in ons antwoord eenige regelmaat en orde te kunnen handhaven.
Waarom staat de prediker op den kansel — het lijkt voor ons zulk een eenvoudige vraag en gij hebt in gedachte het antwoord al klaar, het antwoord dat luidt : omdat God hem zendt. Efeze 4 zegt het immers zoo duidelijk dat Christus sommigen gegeven heeft tot herders en leeraars tot het werk der bediening.
Toch brengt het ondoordacht toepassen van dezen tekst groote gevaren met zich mede. Allereerst het groote gevaar dat men den prediker los gaat maken van de gemeente. De predikant wordt dan gezien als de man die de Waarheid heeft en de Waarheid brengt. Hij komt dan te staan boven, - ja, tegenover de gemeente. Zoo verwordt de predikant tot een paus in duo decimo, die ex cathedra, van den kansel eens precies zal zeggen waar het op staat. De organische verbinding die er moet zijn tusschen predikant en gemeente, de verbinding, die een afschaduwing moet zijn van den band tusschen Christus, het Hoofd, en de leden van zijn lichaam, raakt dan danig in de knel.
De fout, welke men in deze zaak veelal begaat, is in den grond deze, dat men een een historischen aanvat der dingen heeft. En dan loopt men, zooals wij in onze inleiding opmerkten, scheef.
Wat is nu met de uitdrukking : historischen aanvat, bedoeld ?
Dit, dat men de gemeente voorstelt als een historische grootheid waarover te spreken valt zóó, dat men om er een juist oordeel over te hebben, er op een zekeren afstand van kan gaan staan. Men stelt zich dan de gemeente voor als bijvoorbeeld de Staat der Nederlanden. Immers over den Staat der Nederlanden, over zijn bestuursinrichting, over zijn wetten en over zijn bestand kan men spreken van een bepaald standpunt uit, een standpunt, dat geworteld in een overtuiging buiten en boven het historisch verschijnsel staat, hetwelk wij noemen : den Staat der Nederlanden.
Zoo wil men nu ook spreken over de gemeente des Heeren en haar voorganger. En zoo de dingen als op een afstand beschouwende, kan men een zeer ernstig bedoeld debat opwerpen over de vraag op wiens gezag de sprekende prediker staat op den kansel. Maar men vergeet dan geheel, dat de gemeente des Heeren niet is een historische grootheid in onzen zin. Zij is eerder een gegevenheid dan een grootheid. Zij is eerder een verschijning dan een verschijnsel. Zij is een werk van den eeuwigen geest en leent zich daardoor niet voor historische interpretatie. Zij doet zich immer aan ons voor als de gemeente, vergaderd door en onder den Pinkstergeest. Daarom ook wie de gemeente wil zien, kan dat alleen van den Pinkstergeest uit. Wie dien Geest mist, hij ziet in de gemeente niet meer dan een verzameling menschen, die ter bevrediging van hun godsdienstige behoeften van tijd tot tijd samenkomen om te luisteren naar wat een spreker zegt. Is zulk een mensch opgegroeid in niet bijbelgetrouwen kring, dan zal hij zeggen : de predikant mag preeken, omdat hij de noodige examens heeft afgelegd voor Staat en Kerk. Is hij opgegroeid in een kring, waar men luisterde naar het geklank des evangelies, dan zal hij, indien zijn ligging voorwerpelijk is, in den prediker zien den van God gezonden gezant, indien hij meer onderwerpelijk is — hetzij naar links dan wel naar rechts overhellende — dan zal hij in den predikant vóór alles zien den voorganger en zal hij meenen dat de prediker spreekt namens de gemeente. Maar den Geest missende, ziet hij de gemeente niet als gemeente. Want nog eens, de gemeente kan alleen als Pinkstergemeente worden gezien bij het licht van den Pinkstergeest. De gemeente is alleen te zien als Pink stergemeente. Dat brengt mede, dat wij nimmer kunnen zeggen dat de gemeente op een gegeven oogenblik een Pinkstergemeente werd. Wij kunnen dus niet buiten het Pinksterfeest om een geschiedenis gaan schrijven van de gemeente van Adam tot Ezechiël, om maar eens iets te noemen. Wij kunnen ook niet zeggen dat de gemeente eenmaal een Pinkstergemeente is geweest en nu zich verder heeft ontwikkeld. Neen, alleen van het eeuwige heden van het Pinksterfeest uit kan verleden en toekomst der gemeente worden gezien.
Nu doet zich de Pinkstergemeente overduidelijk aan ons voor als een sprekende gemeente. Daar staat geschreven : en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken. En in die sprekende gemeente treedt alreede terstond een prediker op, want er staat geschreven: maar Petrus staande met de elve, verhief zijne stem en sprak. Door den Geest is de gemeente een sprekende gemeente en de prediker een prediker. Daarom, wanneer wij alles wat in de gemeente geschiedt, zien in het perspectief des Geestes, dan is er plaats voor de uitspraak : de prediker predikt in opdracht van den Koning der Kerk, en niet minder plaats voor de uitspraak: in den dienst des Woords is de verbi divini minister de spits der kerk.
Het onmiddellijk gevolg van deze dingen is, dat er een gemeente noodig is, wil er sprake zijn van een dienst des Woords. Dit wordt te dikwijls vergeten. Men spreekt er wel over dat de gemeente een dominé noodig heeft, maar vergeet dat de dominé een gemeente noodig heeft. Wij mogen het inzonderheid in deze vergadering wel inprenten, dat de nood der kerk niet daarin bestaat, dat er zooveel gemeenten geen dominé, maar dat de dominees geen gemeente hebben. Voorzoover in onze kringen het besef leeft dat wij voor den dienst des Woords een gemeente noodig hebben, stelt men het dikwijls voor dat de dienaar van het Woord een gemeente achter zich moet hebben. Moet er dan worden geëvangeliseerd, dan treedt de predikant op in naam en op last van zijn gemeente tehuis. Zoo wil men dan dat er ook in de evangelisatie sprake kan zijn van een dienst des Woords. En men vindt dit dan volkomen in de haak in een vrijzinnige gemeente. Hiertegen moet allereerst worden opgemerkt, dat er geen vrijzinnige gemeente bestaat. Wie spreekt van een vrijzinnige gemeente, is even dwaas als de mensch, die spreekt van een vierkanten cirkel. De gemeente is nooit vrijzinnig, zij is Pinkstergemeente, gebonden aan den Pinkstergeest. Daarom, het moet zoó worden voorgesteld, dat de gemeente zit in den ban van vrijzinnige leeringen. In de tweede plaats moet nimmer worden vergeten dat de prediker niet alleen een gemeente achter zich moet hebben, maar vóór zich, omdat alleen in de gemeente sprake kan zijn van een dienst des Woords. Daarom epn evangelisatiesamenkomst is niet méér dan een samenkomst en nooit een dieiifet des Woords. Het is daar nooit meer dan een bijbellezing in den meest strikten zin des woords en een bediening des Woords is het niet.
De dienaar des Woords te midden van de Pinkstergemeente —zoo hebben wij den predikant willen zetten op de plaats waar hij behoort. Maar nu komt de vraag naar voren : wat is de taak van den prediker daar in de hoogte. Aan het antwoord op die , vraag moet als opmerking voorafgaan, dat de man op den kansel is de man van het boek. Want de prediker heeft voor zich liggen den opengeslagen bijbel. Om het voorloopig objectiever te zeggen : hij heeft voor zich liggen een bundel godsdienstige geschriften door zeer verschillende personen in zeer verschillende tijden geschreven. En van dien bundel boeken belijdt de gemeente, dat hij is het Woord van God. In die belijdenis gaat dus de gemeente van het meervoud over op het enkelvoud en van den mensch op God. De prediker achter de Heilige Schrift, zoo ziet de gemeente het juist, omdat zij Pinkstergemeente is. Want reeds op den eersten dag van het Pinksterfeest gaat Petrus uit van de Heilige Schrift des Ouden Verbonds en hij spreekt uit de profetieën, die door Joel zijn geschied. Maar wat heeft nu de prediker te doen met die Heilige Schrift daar voor hem op de lessenaar ? Het traditioneele antwoord is bekend en wordt ook door prof. Hoekstra in zijn meergenoemde brochure gegeven. Het antwoord luidt : de bediening des Woords bestaat in het verklaren en toepassen van den tekst. Wanneer wij nu met de hand op deze uitspraak, de Heilige Schrift los gaan denken van de gemeente en ook den prediker los, dat is boven de gemeente gaan zetten, dan loopen alle dingen eenvoudig en naaf het schema van onze gedachten. Immers dan wordt de Heilige Schrift het voorwerpelijke Woord van God. De prediker moet zich dan opmaken dat woord uit te leggen. Hij moet — zooals prof. Hoekstra het uitdrukt — hij moet ook de zakelijke beteekenis opsporen en nagaan, wat de Heilige Geest met deze plaats in onderscheiding met andere bedoelt. Het gaat dus om de bedoelingen van den Geest. Daarop moet de prediker in de toepassing de consequenties trekken van wat hij gezien heeft van de bedoeling des Geestes. Heeft de prediker zoo in den loop van de week zijn werk goed gedaan, dan gaat hij op den Zondagmorgen met deze leerzame en stichtelijke rede tot de gemeente. De gemeente hoort het aan. Wordt geleerd en gesticht. Natuurlijk wordt bij een en ander steeds voor oogen gehouden, dat de prediking altijd prediking is van den Christus Gods, die de Christus der Schriften is. De rest van den Zondag kan de gemeente besteden aan het mediteeren over de geboden stof en 's Maandags kan zij de hand aan den ploeg slaan om de gehoorde toepassing te verwerkelijken in haar dagelijksche leven. Is de prediker ook nog gereformeerd in den enger en zin van het woord, dan laat hij in de prediking duidelijk uitkomen dat er heel wat in den mensch gebeuren moet wil hij het leerende gedeelte der prediking waarlijk verstaan en wil hij het toepasselijke gedeelte ook mogen toepassen op zichzelve. Dit maakt alles nog een weinig gemakkelijker voor prediker en hoorders beide. Want de prediker kan dan zeggen bij zich zelve : ik ben rein van hun bloed, en de hoorders kunnen zeggen : ja, daar moet nog heel wat gebeuren. En met deze rustgevende wetenschap kunnen zij rustig het leven weer in. Zoo staat het als wij den band tusschen Heilige Schrift en gemeente en tusschen dienaar des Goddelijken Woords en gemeente gaan verbreken in ons gedachtenschema. En nog eens : dan loopt alles vlot en gemakkelijk. Bijna zoo vlot en zoo gemakkelijk als — ja, het hooge woord moet er uit — als in de Roomsche kerk. Want ook daar hebben wij de boven de gemeente staanden priester, die met zijn machtwoord Christus' lichaam maakt. Ook daar de buiten de gemeente staande Christus, wiens lichaam na den dienst geborgen wordt in den schrijn op het altaar. Gij gevoelt: wij hebben al critiek uitgeoefend op de traditioneele wijze van zien in onze laatste opmerking. Maar niet alleen om de noodzakelijke gevolgen van dit geheel van opvattingen hebben wij bezwaar er tegen. Neen, onze bezwaren gelden deze wijze van zien zelve. Immers als de prediker geroepen wordt de Heilige Schrift te verklaren, is daarmede dan niet tekort gedaan aan de duidelijkheid der Schrift, aan de perspicuitas sanctau scripturae ? Is het niet buitengewoon gevaarlijk te zeggen, dat nagegaan moet worden wat de Heilige Geest met een bepaalde plaats bedoelt ? Zeker, in het afgetrokkene kan gezegd worden : het gaat om de meening des Geestes. Maar ligt het gevaar niet voor de deur, dat wij in de Heilige Schrift gaan zoeken naar de Waarheid, die dan achter de Waarheid ligt ? Bovendien, gaat het aan, de prediking voor te stellen als een leerrede en een stichtelijk woord dat tot de gemeente komt? Wordt hiermede de band tusschen gemeente en Heilige Schrift niet tot een zeer dun draadje uitgerafeld ? Zou, om het eens zeer practicaal te zeggen, de predikant, die zoo zijn preek heeft klaar gemaakt, deze preek niet met net zooveel of zoo weinig succes kunnen houden voor elke willekeurige groep menschen ?
Deze benauwende vragen geven ons volle vrijmoedigheid om te zeggen : net zoo min als de band tusschen prediker en gemeente mag gebroken worden, net zoo min mag de band gebroken worden tusschen Heilige Schrift en gemeente.
Maar als wij den laatsten band in zijn geldigheid willen bewaren, raken wij midden in het vraagpunt: Wat is de verhouding tusschen Schrift en Kerk ? En dan is het eerste wat te zeggen valt : in de belijdenis van elke Gereformeerde kerk staat het: de Schrift is Gods Woord. In dezen laatsten zin is elk woord schier even zinvol. Zoowel 't feit dat er sprake is van de geloofsbelijdenis over de Schrift, als dat er sprake is van Gods Woord, zoowel het feit dat de Kerk genoemd werd en een gelijk teeken werd gezet, zijn stuk voor stuk zaken van het uitnemendste belang.
Allereerst dan het feit, dat geloof aan den bijbel altijd geloof is. Dat wil in de eerste plaats wel zeggen, dat bijbelgeloof medebrengt een ergernis voor het verstand. Want ook dit geloof is niet een aanschouwen. Alleen het feit — dat wij al noemden — dat het geloof alle de verschillende geschriften uit verschillende tijden door verschillende menschen met verschillende bedoelingen geschreven, dat het geloof die aanneemt als een Heilige Schrift, als het Woord van God, is voor het menschelijke verstand een ergernis en dwaasheid. Daarom kan ik voor mij altijd zoo goed begrijpen, dat een buiten de verkondiging des Woords levende mensch in zijn hart en soms ook met zijn mond zegt : de predikanten weten zelven wel beter, maar zij houden hun hoorders zoo'n beetje voor den gek. Want voor den buitenstaander is de predikant de bestudeerde, de zich boven een boek stelt en niet er onder en die dus weet dat de bijbel een boek is uit verschillende stukken bestaande. Ergernis voor het verstand, dat brengt geloof in de Schrift.
Maar juist omdat het geloof is, brengt het ons ook in moeilijkheden. Het is met den bijbel juist als met Gods wereldbestuur. Wij gelooven dat God alles ten beste keert, wij gelooven in de overwinning van het koninkrijk der hemelen. Maar juist omdat wij in deze dingen gelooven, brengt het dagelijksch leven ons moeilijkheid op moeilijkheid, want wij kunnen de dingen niet rijmen en wij kunnen God niet narekenen. Zoo brengt ons het Schriftgeloof midden in de moeilijkheden. En wie geen vreemdeling is in het Jeruzalem van studeerenden — en wie niet studeert is niet bekeerd — weet, dat deze moeilijkheden zijn aan de orde van den dag. Maar als het geloof overgaat in aanschouwen zullen alle deze moeilijkheden wegvallen als sneeuw smelt voor de zon.
In de derde plaats : omdat het Schriftgeloof geloof is, staat het in onverbrekelijke betrekking tot het geloof in Jezus Christus, het vleeschgeworden Woord. Of om 't anders te zeggen : de Heilige Schrift is immer betrokken op de verkondiging van Jezus Christus. Of om het weer anders te zeggen, en beide, geloof en Schrift, in één verband te noemen : het geloof is, uit het gepredikte Woord.
Zeer leerzaam is hiervoor de oudste geloofsbelijdenis, de 12 artikelen van ons algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof. Immers in de 12 artikelen wordt de belijdenis over de Schrift als Woord van God ten eenenmale gemist. Is dit soms zóó te verklaren, dat men oudtijds meende dat de Schrift eigenlijk bijzaak was en wijst ons de Apostolische Geloofsbelijdenis in de richting der geestdrijvers ? Of moeten wij soms aannemen, dat in de oude Christelijke Kerk de Kerk zoozeer de hoofdzaak was, dat de belijdenis over de Schrift er minder toe deed ? Wijzen dus de 12 Artikelen in de richting van de Roomsche Kerk ? Nóch het één, nóch het ander kan het geval zijn, noch het een noch het ander is het geval. Maar wij hebben 't zoo te bezien, dat in de eerste eeuwen onzer Christelijke jaartelling het Woord Gods zoo vast verbonden was aan de prediking van Christus, dat er aanvankelijk geen behoefte noch noodzaak was in de belijdenis het Woord als geschreven Woord te vermelden. Christus werd verkondigd, Christus werd beleden en tegen den medestander en buitenstaander werd als op den Pinksterdag de verkondiging van Christus gebaseerd op de H. Schrift. Natuurlijk was aan het niet voorkomen van een belijdenis over de Schrift in het Apostolicum ook niet vreemd het feit, dat de eerste strijd in en buiten de Kerk ging over den persoon van Christus. Maar niettemin blijft waar, dat voor wie scherp toeluistert op den achtergrond van de Apostolische geloofsbelijdenis ligt de verkondiging van de Heilige Schrift als Woord van God.
Wanneer wij nu uit al het bovenstaande de eerste gevolgtrekking maken voor den arbeid van den prediker op den kansel, dan is het deze : de prediker op den kansel heeft Christus te verkondigen, juist omdat hij is de dienaar van Gods Woord, dat in de gestalte van Heilige Schrift voor hem ligt. Ik stel mij voor dat menig hoorder zal zeggen : maar spreker, daar hadt gij niet zooveel woorden aan vooraf behoeven te laten gaan, dat is duidelijk, was daar maar mede begonnen, dan hadden wij u ook beter kunnen volgen. Maar de opmerkzame hoorder — de Vergadering vergeve mij de onderscheiding, die ik maak — de opmerkzame hoorder zal bemerkt hebben, dat wij het overbekende feit in een ander licht hebben gesteld, dan men er gewoonlijk over laat vallen. Want wij hebben zoo sterk den band gelegd tusschen Schrift en verkondiging, dat wij zonder bezwaar de prediking van Christus kunnen noemen de derde gestalte van het Woord Gods.
Dit vereischt nadere toelichting. Laten wij daartoe nagaan welke voorstellingen men pleegt te hechten aan de uitdrukking: het prediken van Christus. Men vervalt hierbij dan gewoonlijk in de fout van het mysticisme of het historicisme. In beide gevallen is de prediking niet meer Woordprediking, is de prediking niet meer een bepaalde gestalte van het Woord. In beide gevallen zoekt men iets achter het Woord. De mysticus ter rechterzijde spreekt van de waarheid achter de waarheid, die ter linkerzijde spreekt van Gods Woord in den Bijbel. Zij verlaten beiden de Heilige Schrift als Gods Woord. Nu werpe men niet tegen, dat het bij beiden gaat om den zin van het Woord. Want Gods Woord is al zinrijk op zichzelf, daar is het Gods Woord voor. Anders gezegd : Gods Woord heeft immer Christus tot zin, wederom, daar is het Gods Woord voor. Maar de mysticus, waar hij ook staat, wil dieper of hooger zin. Hij gebruikt de Heilige Schrift als springplank. Of hij nu omhoog springt naar de wolken van menschelijke ideeën, dan wel naar de diepte, naar de krochten der menschelijke gevoelens, dat doet er absoluut niet toe, hij springt van het Woord in de gestalte der Schrift weg. En in deze kringen moet men wel een voorkeur hebben voor de mottopredicatie.
Wij willen met nadruk naar voren brengen, dat wij — wanneer wij zeggen : prediking is Christusprediking — niet het oog hebben op deze mystieke opvattingen.
Maar evenmin gaan wij accoord met het historicisme, gelijk dat te veel in den dag komt in het neo-calvinisme. Dit historicisme heeft — het zij zoo uitgedrukt niet ter krenking maar ter verduidelijking — een stoel staan in den stal van Bethlehem. Van dezen zetel uit wil het den loop der Godsopenbaring naspeuren. Het blikt dan eerst terug, en spreekt van een Christus, die nog niet in het vleesch was gekomen. Het gaat soms verder terug, en wordt, ziende op de rangorde in Gods besluiten, soms terwille van het schema genoodzaakt ook een hypothetischen Christus aan te nemen. Van het scheppingsbesluit komende tot de schepping wordt dan geleerd, hoever de Godsopenbaring op ieder punt der geschiedenis gevorderd was. Van Bethlehem vooruitziende wordt dan een zuivere Kerkorde ontworpen en gesproken over den loop der Openbaring in de huidige geschiedenis. Maar men vergeet het, dat men nimmer over Christus, dat men nimmer over de openbaring Gods kan spreken zonder er zelf van seconde tot seconde bij betrokken te zijn.
Men vergeet, dat men in den grond der zaak nimmer over Gods openbaring kan spreken, maar dat alle spreken moet zijn een spreken uit de Godsopenbaring. Prediken wordt in deze sfeer eigenlijk meer beschouwingen ten beste geven. Beschouwingen bijvoorbeeld over wat de Heilige Geest op een bepaald oogenblik der Heilsopenbaring met een bepaald woord heeft bedoeld. Natuurlijk houdt men zich bij deze opvatting wel terdege vast aan de Heilige Schrift als Woord van God. Maar men haalt haar neer in het vlak der historie. Immers men begint te zeggen : ik geloof in den Bijbel als Woord van God. Maar na deze instelling behandelt men verder den Bijbel als een soort handboek voor Godgeleerdheid. Trouwens, dit lag al besloten in de wijze waarop men den Bijbel benaderde. Want wie van een historisch standpunt uit den Bijbel benadert, moet over haar al een waardeoordeel hebben geveld. Vandaar dat men in neo-calvinischen kring den Bijbel wel noemt het boek der wedergeboorte.
Men nadert dan den bijbel met het begrip : wedergeboorte, en tracht van dit begrip uit alles te verstaan. De fout van het historicisme is dat het bij de vraag naar het mandaat van den prediker, de prediking losmaakt van de gemeente, en zoo langs het Pinksterfeest heengaat en bij de vraag naar de taak van den prediker voorbijgaat — O, niet zonder er kennis van te nemen — maar toch voorbijgaat aan den stal van Bethlehem.
Echter wanneer wij stellen dat de prediking moet zijn prediking van Christus' geboorte, dan willen wij daarmede uitdrukken dat bij de prediking van het feit van Christus' geboorte in het midden moet blijven staan als feit. Het gaat dus niet aan, de geboorte te nemen als doel van onzen gedachtengang als wij spreken uit het Oude Testament, nog minder de Geboorte te zetten aan het begin van onze gedachten als wij spreken uit het Nieuwe Testament. Neen, wij kunnen niet onder Bethlehem uit en wij kunnen er niet langs. Het feit moet altijd weer als feit in het midden staan. Het staat met deze dingen ongeveer — wij drukken ons voorzichtig uit en zeggen ongeveer — het staat dan met deze dingen ongeveer als met ons eigen aardsche leven. Wij kunnen eenvoudigweg ons leven niet historisch bezien. Want wij hebben steeds te maken met 't feit onzer geboorte. En onze geboorte is wel een historisch feit, maar daar het de geboorte is van een eeuwig leven : ook doorbraak der historie. Wij kunnen niet zeggen : er was een tijd, dat ik er niet was, en dan bespiegelingen gaan houden over het ontstaan en de voorgeschiedenis van onze ziel. Wij kunnen niet zeggen : er komt een tijd dat ik er niet meer zal zijn, en dan gaan denken hoe het er dan wel uit zal zien. Wij kunnen immers ons zelf niet wegdenken, dat is : wij hebben voortdurend te maken met het feit onzer geboorte. Zoo heeft de prediking van Christus altijd prediking te zijn met Zijn geboorte in het midden. Zijn geboorte niet als historisch feit alleen, maar als een doorbraak der historie. Het ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, moet helder doorklinken, moet niet gesmoord worden door historische beschouwingen.
Als Christus zoó gepredikt wordt, dan wordt in de prediking het Woord geroepen tot een nieuwe gestalte. Het Woord van den Deus Loquens, den sprekenden God, vindt dan zijn eerste gestalte in de Openbaring Gods ; zijn tweede in de Heilige Schrift; zijn derde in de prediking. En deze drie zijn zoo onnapluisbaar verbonden, dat er geen plaats is voor redeneering, dat er niets rest dan aanbidding. En de gemeente, vergaderd in den dienst des Woords, viert haar Pinksterfeest, het feest van de volheid des Heiligen Geestes
Een drietal vragen dringen zich nu naar voren :
Ie. zou het mogelijk zijn dat mysticisme en historicisme een gemeenschappelijken wortel hebben ? Immers tegen beide werd slechts één opvatting overgesteld.
2e. Is deze opvatting niet Roomsch ? Immers zij schijnt iets van de continuïteit der Roomsche traditie in zich te hebben.
3e. Hoe moet van dit gezichtspunt uit de inspiratie der Heilige Schrift worden beschouwd ? Immers als het historische beschouwen moet vallen, wat blijft er dan over ?
Wij willen trachten op deze vragen een antwoord te vinden.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's