De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET WOORD DER SCHRIFT IN DE BEDEELING DER KERK.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET WOORD DER SCHRIFT IN DE BEDEELING DER KERK.

8 minuten leestijd

Referaat, gehouden ter Bondsvergadering op 14 April j.l., door ds. J. A. van Nie, van Hoogeveen.

III.
Wat de eerste vraag betreft, moeten wij antwoorden, dat naar onze meening mysticisme en historicisme inderdaad stoelen op éénen wortel. Dit kan vreemd klinken. Immers het wordt niet weinige malen zóó voorgesteld, als zou het mysticisme een reactie, een tegenwerking, op het historicisme zijn. Men zegt dan dat op een dorre voorwerpelijke prediking vaak het verlangen wakker wordt naar een dieper inleidende bediening van het Woord. Maar wij hebben hier te waarschuwen tegen dubbel misverstand. In de eerste plaats bedoelen wij met een historicistische prediking heelemaal niet een dorre voorwerpelijke prediking. Integendeel, de historicistische prediker kan zeer aandoenlijke beschouwingen geven over de Waarheid. Maar zijn fout schuilt er juist in dat hij „over" de Waarheid meent te kunnen spreken zooals een belangstellend toeschouwer kan spreken over een gebeurtenis die hij bijwoonde. Terwijl hij het vergeet, dat de Waarheid altijd is de Waarheid Gods, waarover wij alleen kunnen spreken wanneer wij er zelve op 't hevigst bij betrokken zijn. Daarom aanvaarden wij niet dat het mysticisme de terugwerking zou zijn op het historicisme.
In de tweede plaats: gesteld dat het mysticisme een reactie beteekende tegen het historicisme, ook dan ware het alleen de reactie van het menschelijk gevoel tegen het menschelijk verstand. Dan lagen deze stroomingen toch in den mensch in elkaars verlengde en dan zou er nog altijd sprake kunnen zijn van een gemeenschappelijken wortel. En dat laatste houden wij vast. Mysticisme en historicisme hebben een gemeenschappelijke fout, een fout, die wij met een vreemd woord : werkelijkheidsstreving noemen. Wanneer wij nu èn het mysticisme en het historicisme het verwijt maken van werkelijkheidsstreving, wat bedoelen wij dan ? Willen wij dan zeggen dat de menschelijke gevoelens en de menschelijke gedachten géén werkelijkheid zijn ? Dat de gevoelens des menschen, ook die, welke in verband staan met eeuwige dingen, niets zijn dan droomen ? Dat de gedachten des menschen, ook die welke raken aan eeuwige dingen, niets zijn dan hersenschimmen? Hebben wij dat bedoeld ? Neen, dat meenen wij natuurlijk niet. Maar wij bedoelen dit: de fout van de beide stroomingen is : dat zij aan de menschelijke gevoelens en de menschelijke gedachten een normeerende kracht toekennen. En dit is een zware fout met de meest ernstige gevolgen, want de Heilige Schrift is niet alleen bron, maar ook norm der Waarheid Gods. Een voorbeeld moge duidelijk maken, waarover het gaat.
Laat er een tekstwoord zijn dat een bizonderen indruk gemaakt heeft op een gevoeligen, naar het mystieke neigenden mensch. Dan zal die mensch dat Woord uit de Schrift aannemen als voedsel voor zijn ziel, zooals hij het brood neemt van zijn bord om het te brengen naar den mond. Hij zal dan dat sterkende Woord op alle manieren betasten met de vingeren van zijn gevoel en zal er van afbreken datgene wat hem juist past. Dit doende, meent hij inderdaad dat Woord als een Woord van God te ontvangen. Maar hij dwaalt. Op 't zelfde oogenblik dat hij het Woord losmaakt van de Schrift, maakt hij het los van God zelve. Hij meent dan bezig te zijn met de Waarheid Gods, maar al proevende en smakende is hij bezig met zijn eigen opvatting van de Waarheid. Wanneer gij dat tegen dezen mensch zoudt zeggen, dan zou hij antwoorden : Maar de Heere geeft mij toch dit alles. En dat antwoordende, zou hij meteen de fout van zijn opvatting openbaren, n.l. hij zou zijn eigen gevoel stellen als norm voor het werk Gods, en daarmede was hij uit onder de tucht van Gods Woord.
Nu moeten wij alweer waarschuwen tegen misverstand. Wij hebben niet het bezwaar tegen dezen gevoeligen mensch, dat hij een enkel woord uit de Schrift licht. Wij zeggen niet, dat deze mensch onder de tucht uit is, omdat hij niet let op het verband waarin het sterkende woord voorkwam. Maar wij bedoelen dit : ook in het enkele woord, dat in de zee zonk, is de mysticus onder de tucht uit, want hij ziet dat woord in den grond niet meer als een Woord Gods, een Woord, waarin de Heere oordeelende is óók over de genietende ziel. Met den man van het historicisme is het niet anders gesteld. Hij ziet, wanneer hij de Schrift leest, de gebeurtenissen zich afspelen voor zijn oogen. Over die gebeurtenissen kan hij spreken, al naar zijn aard : schilderend met sprekende kleuren, beschouwend in diepe gedachten, samenvattend in een klare uiteenzetting. En daar hij een orthodox man is, die staat op de Schrift en de belijdenis, zal hij meenen dat de schildering, de beschouwing, de samenvatting, die hij in verband met de gebeurtenissen gaf, ook inderdaad de Waarheid is. Daar hebt gij weer dat streven, dat menschenwerk wil doen doorgaan voor Gods werk. Want de schilderende en beschouwende en samenvattende prediker heeft niet gezien dat hij de dingen los maakte van God, dat hij Gods Openbaring tekort deed. Trouwens dat deze prediker uitging van gebeurtenissen, was al zijn eerste schrede op een verkeerd pad. Want het gaat heelemaal niet om gebeurtenissen, het gaat om het gebeuren, om 't Goddelijk gebeuren, dat is om de openbaring Gods. De schilderende en beschouwende en samenvattende prediker is, om een vreemd woord te gebruiken, niet existentieel geweest, d.w.z. hij heeft met zijn schildering en zijn beschouwing en zijn samenvatting niet van oogenblik tot oogenblik gestaan voor 't aangezicht des Heeren Heeren. Ook hij heeft zich onttrokken — zij 't ook onbewust — aan de tucht van Gods Openbaring, die in Gods Woord oordeelende moet gaan over alle menschenwerk. Ook deze prediker heeft het vergeten, dat prediken wil zeggen : Pinksterfeest vieren, en dat in den dienst des Woords de Heilige Geest het Woord maakt tot het levende Woord in de gestalte der predikatie.
Maar is dit nu niet Roomsch ? Staat het nu niet zoo, dat dus de kerk de draagster is der profetische werkzaamheid in dien zin, dat de kerk eigenlijk de Heliige Schrift tot Woord van God verklaart en maakt ?
Dit verwijt wordt meer dan éénmaal uitgesproken, maar is naar onze meening volkomen onverdiend. Want wij willen dit als kenmerk zien van de Roomsche opvatting, dat aan het éénmaal en ook maar éénmaal geschied zijn der Heilsfeiten te kort wordt gedaan. Immers de Roomsche mis is een onbloedige herhaling van Christus' offer. Dus toch een herhaling. De immer voortloopende traditie in de Roomsche Kerk is een herhaling van den dag van het Pinksterfeest. Zoo gaat dus de Roomsche Kerk aan Golgotha en Pinksteren voorbij, voorbij in dien zin dat men verder komt. Hierin is aan het onherroepelijke van de Heilsfeiten te kort gedaan. Het is hiermede als met de Roomsche opvatting van het aardsche leven. Door inschuiving van een vagevuur wordt er practisch getornd aan de onherroepelijkheid van het eenmalige aardsche leven.
Wanneer wij echter zeggen : in den dienst van het Woord moet het Pinksterfeest zijn, dan willen wij niet een herhaling van den Pinksterdag, dan willen wij niet aan het Pinksterfeest voorbij, dan willen wij juist niet - verder komen dan het Wonder, op dien dag geschied. Dan willen wij — en dat moet ook met nadruk worden gezegd — dan willen wij ook niet terug naar het Pinksterfeest. Want die weg terug zou dan een historische weg moeten zijn en wij willen het historicisme in geen geval. Neen wanneer wij zeggen dat het Pinksterfeest is in de bediening des Woords, dan laten wij het historische feit van de uitstorting des Heiligen Geestes in al zijn onherroepelijkheid ten volle staan, maar dan zien wij in dat historische feit ook meer dan historie, dan zien wij daarin een doorbraak door de historie, dan zien wij daarin Openbaring Gods. En in den geloove het bovenhistorische aangrijpend, wordt voor ons de bistorie levende werkelijkheid, zooals voor den predikenden Petrus de profetie van Joel levende werkelijkheid is geworden. En dan is het Pinksterfeest het feest van de volheid. Hetwelk nog iets anders is dan het feest der vervulling, zooals deze gemeenlijk wordt verstaan. Want de vervulling der profetie mag niet zoo worden voorgesteld dat de profetie was een ledige klank, die eerst volheid kreeg in de volheid des tijds. Maar dé vervulling der profetie is dit, dat de profetie wordt wat zij al was, dat is levende werkelijkheid. Daarom, als wij zeggen dat het Pinksterfeest is wanneer het Woord wordt bediend in het midden der gemeente, dan sluiten wij aan bij de Apostolische geloofsbelijdenis, waar de verkondiging van het woord als van-zelf-sprekende basis werd aanvaard. En tegen Rome laten wij juist in volle kracht gelden het woord der belijdenis, dat wij de Heilige Schrift ontvangen voor Gods Woord, niet zoozeer omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt: maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

HET WOORD DER SCHRIFT IN DE BEDEELING DER KERK.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's