STAAT EN MAATSCHAPPIJ
HET WETSONTWERP DUNNER.
Binnenkort komt in de Tweede Kamer in openbare behandeling het ontwerp van wet tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met voorzieningen betreffende bepaalde voor godsdienstige gevoelens krenkende uitingen.
Onze lezers zullen zich herinneren, wat wij kort na de indiening van het wetsontwerp schreven over den inhoud en de strekking van de aanvulling, welke de Regeering in het Wetboek van Strafrecht wenscht te zien opgenomen.
Het ontwerp van wet richt zich tegen uitingen, waarbij ter bestrijding van het Godsgeloof — zooals Minister Donner in zijn toelichting schrijft — de vorm wordt gekozen van een — in woord en beeld — hoonen en smaden van of smalen op God.
Deze uitingen kan men in den laatsten tijd herhaaldelijk aantreffen in het Communistisch dagblad „De Tribune", waar in de redactie met een zeker welgevallen, zonder zich aan iemand of iets te storen, op Russische wijze, de meest ernstige Godslasteringen uitbraakt en door de meest walgelijke afbeeldingen van het Goddelijk Wezen hare minachting en vijandschap toont ten aanzien van den godsdienst.
Tegen een dergelijk optreden mag de Overheid, die dienaresse Gods is, haar gezag bij Gods gratie uitoefent en ter waarborg van hare rechtsbedeeling in den eed de onderdanen telkens stelt in de tegenwoordigheid Gods, niet onverschillig blijven. Dat de Regeering dit heeft ingezien, blijkt uit de indiening van 't wetsontwerp.
Verdient de Minister van Justitie voor dit zijn optreden dank, toch zullen de voorstellen, wanneer zij zoo aanstonds bij de Tweede Kamer in behandeling komen, niet onbestreden blijven.
Wij hebben daarbij niet in de allereerste plaats het oog op het verzet, dat ongetwijfeld van Communisten, Sociaal Democraten en zelfs van Vrijzinnigen tegen het ontwerp van wet om allerlei redenen zal komen, doch wij bedoelen hier de bezwaren die van aan den Minister bevriende zijde der Kamer naar voren zullen worden gebracht.
Die bezwaren betreffen voornamelijk de wijze, waarop de materie in het Wetboek van Strafrecht zal worden geregeld.
Zooals wij hierboven reeds aangaven, bedoelt 't ontwerp van wet een aanvulling te zijn van het Wetboek van Strafrecht met voorzieningen betreffende bepaalde voor godsdienstige gevoelens krenkende uitingen.
Tegen hetgeen wij lieten spatiëeren, gaat terecht, ook naar onze meening, het bezwaar: Niet de Godslastering als zoodanig wordt in het wetsontwerp tot een voorwerp van onderzoek gemaakt en strafbaar gesteld, doch de actie gaat tegen bepaalde uitingen, die voor de godsdienstige gevoelens krenkend zijn.
Natuurlijk kan de eisch worden gesteld, dat men heeft na te laten de heiligste gevoelens van zijne medeburgers te krenken, en hiervoor heeft de Overheid ook op te komen, maar vóór alles moet het in het wetsontwerp te doen zijn om de eere Gods. Die eere moet in de allereerste plaats worden gehandhaafd.
De Overheid mag niet toelaten, dat Hij, aan Wien zij haar gezag ontleent en Wiens dienaresse zij is, openlijk op grove wijze wordt gesmaad.
Daarom moet de Godslastering zélve in het Wetboek van Strafrecht strafbaar worden gesteld, omdat de ontheiliging van Gods Naam de eere Gods te na komt en de Overheid, als zijnde voor haar deel en op hare wijze handhaafster van Gods Wet, de Godslastering niet straffeloos mag gedoogen.
Dat deze eisch behoort te worden gesteld, is ook de meening van de door het Centraal Comité van Antirevolutionaire Kiesvereenigingen benoemde commissie, die in studie had te nemen 't onderwerp : „Strafbepalingen tegen Godslastering en vloeken".
Op bladz. 31 van het rapport der commissie wordt gezegd :
„Wij zijn van oordeel, dat deze (de Godslastering) inderdaad door den Rijks wetgever strafbaar gesteld behoort te worden.
Als opperste Souverein, bij wiens gratie de aardsche overheid regeert, heeft God, ook ten opzichte van de heiliging of ontheiliging van Zijn Naam, tegenover de natie rechten in velerlei zin. Waar echter die rechten niet alle door de overheid kunnen worden gehandhaafd, is ze toch hiertoe verplicht, dat ze dit als eene voor heel het volk geldende zede handhaaft (of anders dit tot goede zede stempelt), dat die Naam niet openlijk gesmaad of gehoond mag worden ; en dat ze de overtreding van zulk eene zede dan ook, krachtens de wet en het recht Gods, waarop ze gebaseerd is, met haar strafwet bedreigt.
Deze plicht der overheid schijnt ons toe, een zoó primair karakter te dragen, dat hier zelfs de vraag, in hoever eene dergelijke wet steun in de volksconsciëntie vindt, in sterke mate op den achtergrond treedt.
Overigens doet zich ook van deze zijde geen bezwaar op. Hoever ook de ontaarding van het volksleven moge zijn voortgeschreden, toch kan men nog zeggen, dat het opzettelijk hoonen van het Goddelijk Wezen door de algemeene volksconsciëntie wordt veroordeeld met genoegzame kracht om aan een hiertegen gerichte overheidswet levensvatbaarheid te schenken".
Zooals men ziet, zijn ook de stellers van het rapport van oordeel, dat de Rijkswetgever de Godslastering behoort strafbaar te stellen.
Zou het inderdaad bij de behandeling in de Kamer tot zulk een strafbaarstelling komen, wat wij van harte hopen, dan zou daarmede aan het groote kwaad van de ontheiliging van Gods Naam een stevige breidel worden aangelegd.
De wet-Donner zou dan nog grootere beteekenis krijgen, dan wat op dit oogenblik in het ontwerp van wet van dien bewindsman reeds gegeven wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's