De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

14 minuten leestijd

„En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zoude verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheffen. Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zoude wijken. En Hij heeft tot mij gezegd : Mijne genade is u genoeg, want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht". 2 Cor. 12 vers 7—9a.

EEN ONVERHOORD GEBED ?
„Behalve de dingen die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van alle de gemeenten", betuigt de apostel Paulus in 2 Cor. 11 vers 28. Vooral de Corinthische gemeente baarde hem veel zorg. Dat blijkt wel zeer duidelijk uit de beide brieven aan de Corinthiërs. Behalve partijschap, twijfel aan de opstanding des vleesches en zedelijke gevaren, waren er ook Joodsche dwaal leeraars (2 Cor. 11 vers 22) opgestaan, die den apostel poogden te verdringen door zichzelven als betere leidslieden aan te bevelen (zie 2 Cor. 10—12). Konden zij zich niet beroemen op allerlei buitengewone ervaringen en op hoogere wijsheid ? — Zoo poogden zij een ander evangelie ingang te doen vinden ! Terwille nu van zulk een tegenstand moest de apostel zichzelf verdedigen, ja, méér over zichzelf spreken, dan hij gewoon was of ook dan hem lief was ! Doch ziet, met welk een bescheidenheid hij zulks doet: want hoewel hij in ons teksthoofdstuk kennelijk over eigen bevinding spreekt, noemt hij zichzelf „een mensch in Christus." Als zoodanig heeft hij rijke ervaringen genoten ; daarom : „van den zoodanige zal ik roemen, doch van mijzelve — (los van Christus) — zal ik niet roemen, dan in mijne zwakheden".
Wel zéér bijzondere heerlijke dingen had hij doorleefd — of het in of buiten het lichaam geschied is, hij weet het niet — opgetrokken in den derden hemel! Opgetrokken geweest in het Paradijs en gehoord onuitsprekelijke woorden, die in geen menschentaal vertolkt kunnen worden !
Is het niet om heilig-jaloersch op te worden ? Zoo by oogenblikken door aanschouwen te mogen wandelen! Inderdaad, welk een voorrecht! Doch evenzeer: welk een gevaar om er n.l. niet klein onder te blijven ! Want men behoeft waarlijk nog niet van die buitengewone geestelijke ervaringen gehad te hebben, zooals Paulus, om (zy het meestal onbewust) geestelijk hoogmoedig te worden ! Zelfs bij de geringste geestelijke verkwikking (hoewel die voor iemand, die zijn onwaardigheid kent, steeds groot is !) ligt dit gevaar voor de deur!
Immers te weinig is er met den apostel 'n vreezen, dat men van ons zoude denken boven hetgeen wij zijn (vers 6). Ook geestelijk leven wij zoo gaarne „boven onzen stand". Ook de grootsten in het Koninkrijk Gods blijven op aarde menschen. Vandaar dat wij in onzen tekst lezen : „En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zoude verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheffen".
Een scherpe doorn in het vleesch — dat is natuurlijk beeldspraak. Ieder kent het hinderlijke en pijnlijke van een doorn of splinter, die diep in het vleesch van ons lichaam indrong. Zoo had. de Heere aan Paulus iets hinderlijks en pijnlijks gegeven (wat precies ? — wij weten het niet, doch het beeld wijst naar alle waarschijnlijkheid wel op iets lichamelijks—) opdat zijn oude natuur, zijn eigen ik, zijn „vleesch", dat zoo spoedig begeert tegen den Geest, ten onder zou gehouden, worden ! De apostel "beschrijft dézen '„doorn" nader : „een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude". Is het niet wonderlijk? Ja, tot aanbidding van Gods wijze voorzienigheid ? Geen hemelgeest, neen ! een dienaar des duivels moest Paulus weerhouden ! Wat zou Satan liever gedaan hebben dan hem tot hoogmoed te prikkelen ? Hier hebben we bevestigd, dat 's Heeren „macht en goedheid zóó. groot is en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddeloozen onrechtvaardiglijk handelen." (Ned. Gel. Bel. art. XIII). Een Satansengel, die door zijn vuistslagen Gods kind op den rechten weg moet houden !
Vuistslagen: dus iets pijnlijks, ja, iets diep vernederends !
De Satansengel mag niet van hem wijken (zie vers 8 en 9) — dus 't geldt hier een blijvende toestand.
Nogmaals — wat het precies geweest is, wij weten het niet. Telkens wederkeerende aanvallen van zwakte ? 't Is mogelijk. Het doet er ook niet toe. Van belang is nu alleen, wat de apostel er tegen doet. „Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zoude wijken". Hij had dus gesmeekt om bevrijding van datgene, wat hem niet maar persoonlijk hinderde, maar bovenal hem belemmerd zal hebben in zijn dienst van het Evangelie. Smaalden zijn vijanden niet: „Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig, maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak en de rede is verachtelijk" (2 Cor. 10 vers 10).
Maar zijn hoop, dat de Heere nu den Satansengel schelden zou, werd niet vervuld. Verhoort God echter niet op Zijn tijd ?
Daarom andermaal gebeden !
Ja, straks ten derden male ! Zoo komt er een aanhouden, een worstelen voor den troon der genade, juist dan, als de Heere Zich zwijgend verbergt.
Zijn er ook onder degenen, die dit lezen, die gepijnigd worden door iets, dat hun is als een doorn in het vleesch ? We nemen het nu in het algemeen, want ook in dezes is er in de leidingen des Heeren geen eenvormigheid ! De een heeft deze moeite, de ander weer een andere verdrietelijkheid ! Als dit of dat nu eens anders was —, als het Gode behaagde, dit lijden naar ziel of lichaam te verlichten — mogelijk is het u reeds lang een zaak van ernstig gebed ! Ja, als de doornen en distelen allereerst maar uitdrijven tot Hem, die alleen helpen kan, en die wil, dat voor Hem alle nood wordt uitgeklaagd !
En wat is er veel, dat onzen natuurlijken levensweg of ons geestelijk pad kan versomberen en verdonkeren!
Te vaak wordt morrend gevraagd : „waarom lijd ik nu dit ? ", in plaats van : „waartoe moet ik, juist ik, dit ondergaan ? Welke bedoeling heeft de Heere God daarmede ? "
Hoe het komt, dat er „doornen in het vleesch" zijn ? Om dezelfde reden, dat er in 't algemeen „doornen en distelen" wassen, om hand en voet te kerven, als gevolg der zonde.
Neen, smart en pijn en tegenslag op zich zelf brengen ons niet terecht! Doch als de Heere ze heiligt aan ons hart, ja, dan achten wij Hem begeerlijk en wordt Hij aan ons verheerlijkt, die de doornenkroon Zich in het hoofd liet slaan ; zoodat een volk van doodsschuldigen mag stamelen : om ónze overtredingen werd H ij verwond.
Doch als dat door genade uw deel is, dan nog worden u de doornen bespaard, evenmin als Paulus ! Hetzij Satan u aanvecht, hetzij gij leed draagt om iets in eigen leven, om uw eigen toestand, of om dien van een, die u lief is !
Hebt gij nu uit onzen tekst wel duidelijk gezien, dat de Heere „doornen in 't vleesch" noodig keurt in verband met de „overgebleven zondige natuur" ?
Hebt gij wel eens onderzocht welke verkeerde neiging of mogelijke afwijking de oorzaak is dat gij juist u w „doom" ontvangen hebt ? Opdat het u niet enkel tot een last, maar bovenal tot een geneesmiddel, ja, een bezoeking tot heiliging zij ? Dan brengt het ons op de knieën ! En toch : hoe gaarne wilde Paulus van zijn kwelling verlost worden !
Verdrukking is wèl heilzaam, maar nimmer aangenaam.
„Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden". Toen eerst kwam het antwoord. Maar kan dit eigenlijk wel „verhooring" worden genoemd ? Beteekent „verhooring" niet: inwilliging van ons vragen en smeeken ? Zingen wij niet:
„Hij geeft den wensch van allen die Hem vreezen, Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen" ?
Paulus krijgt echter een weigerend antwoord. Want welke heerlijkheid het „Mijne genade is u genoeg" ook verder bevatten moge, allereerst is het toch : „neen !" ; dus : de doorn in het vleesch blijft; de Satansengel zal niet wijken. Een onverhoord gebed dus ? En waar blijven we dan met een woord als Joh. 16 vs. 23 : „Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, al wat gij den Vader zult bidden in mijnen Naam, dat zal Hij u geven" ? Zie ook Joh. 14 vers 13, 14. — Wij dienen hier nauwkeurig te onderscheiden. Er zijn dingen, waar wij om moeten, andere, waar wij om mogen en weer andere, waar wij niet om mogen bidden. Om met het laatste te beginnen : wij mogen niet om overdaad of weelde bidden : niet dwingend vragen om wat duidelijk is, dat de Heere het ons onthouden wil. Dan is er het „kwalijk bidden", om het gevraagde „in wellusten door te brengen" (zie Jac. 4 vers 3). Dan kan er zijn het morrend dwingen, denk aan Israël, dat vleesch eischte in de woestijn : de verhooring bracht tevens het oordeel !
Maar er zijn ook dingen, waarom moet gebeden worden. De Catechismus vraagt (vr. en antw. 118) : „Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden ? " „Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft : welke de Heere Christus samengevat heeft in het gebed, dat Hij ons Zelve geleerd heeft" — het „Onze Vader".
Van deze beden geldt, dat wie ze in waarheid in Jezus' Naam bidt, zekerlijk verhooring vinden zal ! De Heere breekt Zijn Woord niet.
„Geef ons heden ons dagelijksch brood" — immers :
„Hij zal hen nimmer om doen komen, In duren tijd of hongersnood".
Ook niet in dagen van malaise en werkeloosheid ! Gelukkig, wie in dat vertrouwen leven mag.
Doch rijker nog is, dat dit ook geldt van de bede om schuldvergiffenis. Neen ! Die de Heere hongerig en dorstend maakt naar gerechtigheid, ook die zal Hij niet laten omkomen !
Want wie waarlijk bidt, uit diepten van ellende, is reeds voorwerp van genade — van den Geest der genade en der gebeden !
Hebt gij, lezer, dat bidden om geestelijke nooddruft reeds geleerd ? Dat bidden in geloof op verhooring ? „Zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, Hij zal gewisselijk komen". Op Zijn tijd ! Mogelijk zal uw verzuchting tevens zijn : „Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloovigheid ook in dit opzicht te hulp".
Zoo moet er dus gebeden worden om de nooddruft — het beslist noodige — ja, bovenal om het Eéne noodige.
Maar er zijn nog zooveel andere mogelijkheden in het menschenleven : gij staat bij het ziekbed van uw man, uw vrouw, uw kind ; er is zooveel, dat wij meenen niet te kunnen missen ; dat wij achten beslist noodig te hebben. Daar moeten we dan maar niet om bidden ? Doch dat is niet naar de Schrift! We hebben niets te eischen ; 't gebed is nimmer „verdienstelijk" ; wij hebben den Heere niet voor te schrijven wat wij noodig meenen te hebben, alsof Hij het ons dan geven of behouden laten moet!
Daarom maakten wij die onderscheiding : wij mogen er om bidden.
Niet in dien zin, alsof als wij Jezus' Naam noemen, wij het dan ook beslist ontvangen moeten ! Dat is immers de beteekenis van Joh. 14 vers 13, 14 niet! Och, als de Heere Zijn kinderen om de nooddruft voor ziel en lichaam leert bidden in Jezus' Naam, dan leert Hij om al het andere bidden — laat mij zeggen — „op Jezus' wijze".
De Heere Christus heeft ook hiervoor immers een voorbeeld nagelaten : hoort Hem in den Olijvenhof worstelen en bidden : „Doch niet mijn wil, maar de Uwe geschiede". „Uw wil geschiede". Ja, het Volmaakte gebed voorziet ook in een bede voor deze gevallen !
Bidt dan gerust om herstel van een uwer dierbaren, maar vergeet niet de beslissing over te laten aan den Hoorder der gebeden !
Zeker, de natuurlijke mensch bidt ook wel; althans dat meent hij. Doch de grondtoon „Uw wil geschiede" wordt steeds gemist. Immers eigenlijk is het veeleer : „mijn wil geschiede", en men wil, dat de Heere God dien zal ten uitvoer brengen ! En als men dan zijn wensch, zijn „zin" niet krijgt, wordt er al spoedig gemord : „En ik had er toch zóó om gebeden !" Feitelijk gevoelt het hoogmoedige „ik" zich beleedigd, en hoewel men nooit recht gebeden heeft, gaat men toch twijfelen aan de waardij van het gebed !
Hoe geheel anders is het daar gesteld, waar de Heere bidden leert. Waar de Geest der gebeden leidde naar Gethsémané, om daar te hooren bidden zooals het behoort. „Niet mijn wil, doch de Uwe geschiede". En dit maar niet als een vormelijk los bijvoegsel, doch als grondtoon des gebeds !
Dan leert ook de discipel worstelen met zijn eigen „ik", dat zichzelf tegenover den Heere God handhaven wil — dan is er de gebedsstrijd om eenswillendheid met den Alwijze. Wiens doen enkel majesteit is ; voor vleesch en bloed verpletterend vaak, en toch zingt Gods Kerk :
„'t Is trouw, al wat Hij ooit beval".
Dat driemaal bidden van den apostel is zulk een worsteling geweest — zulk een oefening der ziel tot onderwerping aan den heiligen wille Gods.
De Heere hoort op Zijn tijd — zeker, maar Hij verhoort tevens op Zijn wijze. Het antwoord dat Paulus ontving, moge, oppervlakkig beschouwd, geen verhooring schijnen, en het is ook geen verhooring geweest naar menschelijken smaak ! Neen ! Maar het was de goddelijke verhooring; troostvol voor een, die met Psalm 131 betuigen leerde :
„Heb ik mijn ziel niet stil gezet, en mij verloochend naar Uw wet
Mijn ziel is in mij als een kind gespeend, en heeft zich met Uw wil vereend".
Dan heeft de storm daarbinnen uitgewoed en wordt in den geloove vertrouwd, dat de Heere in Zijn wijsheid redenen had om ons onze begeerte niet te geven.
Dat ook hierin Zijn trouw schittert.
En zoo wordt het gebed, d.i. de gemeenschapsoefening met den Heere, bron van troost en kracht! Terecht is opgemerkt, dat Gods kinderen, die hier in nog-niet begrijpen moesten buigen, in de eeuwigheid niet het minst dankbaar zullen zijn voor het z.g.n. onverhoord blijven van menig gebed ! De Heere weet alleen, wat goed voor ons is.
Paulus meende aanvankelijk mogelijk wel, dat hij zonder doorn in het vleesch, zonder Satansengel meer kon arbeiden in dienst van het Evangelie ! Maar neen ! Hij moest juist leeren roemen in zijn eigen zwakheden. „Opdat de uitnemendheid der kracht Godes zij en niet uit ons" (2 Cor. 4 vers 7).-„Mijne genade is u genoeg, want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht" Alleen de Almachtige kan met nietige instrumenten groote werken doen. „Mijne genade is u genoeg". Immers : „Uw gunst sterkt meer dan d' uitgezochtste spijze. (Psalm 90).
Zoo leert de Heere de Zijnen van genade leven ! Het antwoord aan Paulus geldt voor allen, die zich angstig afvragen : „Zou de Heere wel hooren ?
O, er zijn zooveel moeiten en zorgen !
Als de Heere eens meer licht en ruimte wilde geven ; een, die ons lief is, wilde redden van het verderf ; wilde oprichten van een langdurig ziekbed ; of als ge zelf reeds lang moest lijden !
„Mijne genade is u genoeg" ; daar moet ge mee toe kunnen !
Zijne genade is een genadevolheid !
Maar als we anders willen, dan Hij wil, ja, dan is er weer een doornsteek, een vuistslag noodig !
Is die genade u nu ook waarlijk genoegzaam ? Begeert gij alleen genadeversterking ? Het eigen ik moet er onder : Hij moet wassen, wij minder worden ! O, 't is zoo moeilijk voor het vleesch. De doornen zijn pijnlijk, maar noodig.
„Mijne genade is u genoeg". In de grootste smarten ! Ja zelfs op de doodssponde. Zalig, wie dat kent !
„Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht" — neen niet onze zwakheid maar onze ingebeelde kracht staat de openbaring van 's Heeren kracht in den weg !
Zijne genade genoeg ! Ook voor u, die als Mozes bidt om iets, dat uw ziel zoo gaarne daarenboven zou ontvangen, en voor wie het is, alsof uw gebeden vleugellam terugvallen in de ziel; alsof de Heere ook tot u zegt: „Spreek Mij niet meer van deze zaak."
Hij onthoudt het mindere of ontneemt het, om het meerdere te schenken ! Gij hebt een bepaalde doorn in het vleesch noodig tot uw bewaring, tot meerdere heiliging.
Opdat Zijn Naam in al deze wegen verheerlijkt worde !
Neen, vleesch en bloed blijven zich ver­zetten. Doch het is vrucht van wedergeboorte als de mensch eigen wil verzaken leert en lust krijgt in de wegen des Heeren, ja zich leert verheugen met Paulus, als eigen vleesch wordt gekruisigd !
Hier beneden zij het dan vaak van klacht tot klacht voortgaande, doch door de genade des Konings toch weer van kracht tot kracht!
En de hoop strekt zich uit naar die bedeeling, waarin de bede „Verlos ons van den booze" volkomen verhoord zal zijn. Dan geen doornen meer in het vleesch, omdat de oude mensch met zijn lusten en zwakheden teniet zal gedaan zijn !
In het nieuwe lichaam der opstanding zullen geen moeiten meer zijn : dan alleen een eeuwig danken voor 's Heeren volkomen verlossing !
Hij maakt gansch Israël eens vrij van ongerechtigheden. Zoo doe Hij ook aan mij!
W. (Fr.).
KI.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's