KERKELIJKE RONDSCHOUW
OVER DE KERK (6).
Over de ware en de valsche Kerk.
Calvijn vergelijkt „de Kerken onder de tyrannie van den Roomschen afgod" met de oude Israëlietische Kerk, zooals die in haar verbastering er uitzag en door de profeten ons geteekend is ; vooral die van 't rijk der tien stammen. En in de Kerken onder de tyrannie van den Roomschen afgod is het dan nog veel erger gesteld: grover afgoderij bij dezelfde onzuiverheid , in de leer ; ja ook in de leer zijn ze onzuiverder geworden. God Zelf, ja allen, die met een middelmatig verstand zijn toegerust, zullen mijn getuigen zijn. En ook de zaak zelf toont aan, hoezeer ik hier geenszins overdrijf.
Wanneer ze ons dan tot de gemeenschap van hun Kerk willen dwingen, eischen zij twee dingen van ons : in de eerste plaats, dat wij deel hebben aan al hun gebeden, heilige handelingen en ceremoniën; en verder : dat wij aan hun Kerk toekennen alle eer, macht en rechtsspraak, die Christus aan Zijn Kerk heeft toegedeeld.
Daartoe werden de godvruchtigen zelfs in de bedorvenste tijden onder Israël niet gedwongen! Zij die den Heere vreesden namen niets aan dan hetgeen door. God ingesteld was ook al waren anderen vervallen tot goddeloosheid en al waren er priesters die gruwelijk waren afgeweken.
Niemand werd gedwongen in den tempel van Salomo, waar de Levitische priesters waren, om te gelooven wat niet van God ingesteld was en aan te nemen wat tegen Gods gebod en waarheid inging. Denk daarentegen nu eens aan de Roomsche Kerk met de Mis, die wij als de grootste heiligschennis verfoeien.. Of dit terecht, of lichtvaardig door ons geschiedt, zullen we elders bespreken. Nu is het voldoende aan te toonen, dat het in dit opzicht anders met ons staat dan met de profeten in Israël. Want die werden, ook al waren ze aanwezig bij de godsdienstoefening der goddeloozen, niet gedwongen andere ceremoniën te zien of te verrichten dan die door God waren ingesteld. Laat ons het voorbeeld nemen uit de dagen van Jerobeam. Volgens de instelling van Jerobeam bleef de besnijdenis, hadden de offers plaats, werd de wet heilig geacht, werd die God aangeroepen, dien zij van de vaderen ontvangen hadden. Maar God keurde al wat daar gedaan werd af en veroordeelde het wegens de verzonnen en verboden ceremoniën.
Noem mij — zoo zegt Calvijn — één profeet, of een of ander vroom man, die éénmaal in Bethel aangebeden heeft of geofferd heeft. Want zij wisten, dat ze dat niet zouden doen, zonder dat ze zich met eenige heiligschennis zouden bezoedelen.
En nu is het voor allen geboden deel te nemen aan al de gebeden en al de ceremoniën en den ganschen dienst der Kerk die staat onder de tyrannie van den Roomschen afgod.
En wat het tweede punt betreft: hoe kunnen wij aan die Kerk toekennen de eer, macht en rechtsspraak, die Christus aan Zijn Kerk heeft toegedeeld ? Dit tweede moeten wij nog krachtiger bestrijden !
Wij kunnen haar gezag, haar vermaningen niet gehoorzamen; wij kunnen door haar kastijdingen niet bewogen worden ; terwijl wij haar gemeenschap in alle dingen nauwkeurig moeten onderhouden. Wij kunnen haar niet als Kerk erkennen en zijn tegelijk gedwongen ons aan haar in alles te onderwerpen ! Wij kunnen dit alles wat haar eer en macht en rechtsspraak betreft juist niet aan haar toekennen, omdat zij Gods Woord verwerpt. Haar komt juist daarom de sleutelmacht niet toe !
De profeten onder Israël hebben in deze dan ook de onheilige vergaderingen niet erkend, maar zij hebben het Woord des Heeren gehoorzaamd, zooals Elia, Micha en anderen in Israël en Jesaja, Jeremia, Hosea en anderen in Juda. Zij onttrokken zich aan de valsche vergaderingen, die niet anders waren dan een goddelooze saamspanning tegen God.
Evenzoo, wanneer iemand de tegenwoordige vergaderingen der pausgezinden, die met afgoderij, superstitie en goddelooze leering besmet zijn, , als Kerken zou erkennen, in wier volle gemeenschap een Christen moet volharden, zelfs tot instemming met de leer toe, dan zou hij zéér dwalen.
De sleutelmacht der Kerk moet ten nauwste verbonden zijn met het Woord, 't welk uit de Kerk van Rome verdreven is. In plaats van den dienst des Woords hebben ze „scholen der goddeloosheid en een vuile verzameling van allerlei dwalingen."
Gelijk echter oudtijds bij Israël, zoo heeft de Heere ook bij de Pausgezinden nog eenige flauwe sporen van de Kerk doen overblijven. Trots Israels ontrouw bleef het verbond en deszelfs teeken. Hunne kinderen noemt God dan ook Zijne kinderen, Ezech. 16 vers 20.
Zoo heeft de Heere ook in Frankrijk, Italië, Duitschland, Spanje en Engeland Zijn verbond bewaard, toen die| landen door de tyrannie van den antichrist onderdrukt zijn. Hij heeft Zijn Doop bewaard, het getuigenis des ver bonds, door Zijn mond geheiligd, welke, ten spijt van de goddeloosheid der menschen, zijn kracht behoudt. Vervolgens heeft Hij door Zijn voorzienigheid bewerkt, dat ook andere overblijfselen bleven bestaan, opdat de Kerk niet geheel ten onder zou gaan. De Heere heeft niet gewild dat Zijn Kerk tot het fundament toe werd omgeworpen of met den bodem gelijk gemaakt. Na Zijn straffen en oordeelen over Zijn Kerk te hebben gezonden, heeft Hij gewild, dat ook na de vernieling een half ingestort gebouw overbleef.
Wij willen den pausgezinden niet eenvoudig weg den titel van Kerk toestaan. Maar daarom loochenen we niet, dat er bij hen Kerken zijn. Wij meenen dat de Paus de aanvoerder en vaandrager is van het gevloekte rijk van den Antichrist (Dan. 9 vers 27 ; 2 Thess. 2 vers 4). Maar wij ontkennen niet, dat er ook onder de pauselijke tyrannie Kerken blijven; maar dan Kerken, die hij door heiligschennende goddeloosheid ontheiligd en door een vreeselijke heerschappij verdrukt heeft; die hij door slechte en verderfelijke leeringen, als door giftige dranken, bedorven en bijna gedood heeft; in welke Christus half begraven verborgen is, het Evangelie verduisterd, de vroomheid verdreven en de dienst Gods bijna vernietigd is. In één woord waarin alles zóó verward is, dat daar veel eer de gedaante van Babylon dan van Gods heilige stad zich vertoont.
Kortom, ik zeg, dat er Kerken zijn in zooverre de Heere de overblijfselen van Zijn volk, hoe ellendig verstrooid en uiteengejaagd dan ook, daar op wonderlijke wijze bewaart, in zooverre er eenige kenteekenen der Kerk blijven bestaan, en wel voornamelijk die kenteekenen, wier kracht noch de listigheid van den duivel noch menschelijke boosheid kan vernietigen.
Maar — dewijl de beide meest belangrijke merkteekenen, n.l. de zuivere prediking des Woords en de rechte bediening der Sacramenten, daar zijn uitgewischt, zoo mist elke vergadering en het gansche lichaam den wettigen vorm der Kerk. Waarbij — zooals boven gezegd — die Kerk aan allen dwingend oplegt aan alle gebeden en ceremoniën en afgoderijen deel te nemen op straffe van ban en vloek.
(Wordt voortgezet).
HET FEEST VAN DEN GEEST.
Het Pinksterfeest is het feest van den Heiligen Geest; van den Geest van Vader en Zoon; van den Geest van Christus (Gal. 4 vers 6 ; Rom. 8 vers 9). Het is een geestelijk feest, waarbij het openbaar wordt dat de geestelijke dingen alleen op geestelijke wijze kunnen worden verstaan. We moeten dan niet in het vleesch zijn, maar in den Geest; want zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe (Rom. 8 vers 9) ; maar indien God den Geest Zijns Zoons in onze harten heeft uitgezonden, leeren we roepen : Abba, Vader ! (Gal. 4 vers 6). Zóó brengt het Pinksterfeest, het feest van den Heiligen Geest, een geestelijken oogst!
De Geest is zoo echt „geestelijk". Daarom is Zijn Naam ook Geest. De Vader en de Zoon zijn óók Geest. Maar om het te laten voelen, dat de derde Persoon van het Goddelijk Wezen zoo bij uitstek Geest is en Zijn werk zoo innig, zoo teer, zoo mystiek, zoo „van binnen", zoo geestelijk dus in wedergeboorte, vertroosting, heiligmaking, voleindiging en verheerlijking, daarom is de persoons-Naam van den derden Persoon van het Goddelijk Wezen altijd en overal Geest, met name Heilige Geest, Geest des Vaders en des Zoons (Gal. 4 vers 6 ; Rom. 8 vers 9).
Zonder den Heiligen Geest zijn we vleeschelijk, dan zijn we geen kinderen Gods, dan hebben we Christus niet. „Niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest." 1 Cor. 2 vers 1. Daarom gaat het ook om de werking des Geestes, die ten leven en tot zaligheid is.
De toepassing des heils zoekt de Pelagiaan, de Modernist meer in het vleesch dan in den Geest; eer een vleeschelijke verbetering ; in den weg van beschaving, opvoeding, kennis, cultuur. Men leert dan, dat de zondigheid van den mensch niet zit in het wezen van den mensch, maar in zijn daden ; niet van binnen, maar van buiten ; zooals de roestvlekken op het koperwerk. Met poetsen en uitwendige reparatie kan men heel wat doen !
Maar dat is vleeschelijk werk. Dat is de vleeschelijke bewogenheid, de vleeschelijke droefheid ; dat zijn de vleeschelijke voornemens, de vleeschelijke goede werken, de vleeschelijke gerechtigheid en heiligmaking. De mensch die in wezen goed en deugdzaam is, maar wat gebrekkig, ziek, onvolkomen, (want zonde is dan geen schuld, maar onvolkomenheid) moet verbeterd worden ; en de deugdprediking is daarvoor het aangewezen middel.
Een objectieve genadeprediking is voldoende en de mensch met zijn natuurlijke krachten moet aan 't werk, om, misschien wel langs heel diepe wegen en met veel bewogenheid en ernst, tot verbetering en tot verandering te komen. Hij moet zich opwerken tot een ander mensch. Om in den weg van zelfverbetering te komen tot gerechtigheid en heiligheid en heerlijkheid ! Zoo leert de Pelagiaan, de Modernist met zijn vele geestverwanten.
En de Semi-Pelagiaan leert niet veel beters, wat de Roomsche Kerk bewijst; en waarlijk niet de Roomsche Kerk alléén.
Hoewel de Roomsche Kerk Auustinus, den grooten tegenstander en bestrijder van Pelagius, heilig verklaard heeft, heeft de Roomsche Kerk toch de leer van Pelagius ingezogen en het half-pelagianisme wordt door Rome geleerd en verdedigd; waarbij Augustinus, waarbij Paulus, waarbij Gods Woord en Waarheid wordt verloochend.
De mensch is dan alles behalve volmaakt, hij is een zondaar, maar „dood in zonden en misdaden" (waarbij de inwendige genade hoort en de wederbaring door den Heiligen Geest en de rechtvaardiging des zondaars in Christus, en de heiligmaking Gods) neen, dat aanvaardt Rome niet. De mensch is wel krank, maar niet dood; en ja, daar is ook wel inwendige genade noodig, maar enkel als den mensch helpen. de. De mensch doet wat en de Kerk doet wat — zóó komt men er dan prachtig, als men maar Roomsch is.
Augustinus leerde op het voetspoor van de Heilige Schrift de alléénwerkende en de alles werkende genade, maar de Roomsche Kerk leert de helpende genade, waarbij de mensch z'n verdiensten houdt.
Bij Augustinus is God alles en de mensch niets, maar bij Rome is de mensch wat en de Kerk helpt. En de mensch, die den weg der Kerk met allerlei voorbereidingen en allerlei plechtigheden volgen wil, mag zich troosten een „goed mensch" te zijn; ja, het is niet onmogelijk, dat de mensch zóó goed loopt en zóó goed werkt en zoo goed gelooft en zoo goed vordert, dat hij overcomplete heiligheid verwerft, van welke overtollige goede werken en| overcomplete heiligheid anderen nog kunnen profiteeren, door middel van de Moederkerk, die van den een in ontvangst neemt en aan den ander uitdeelt.
De Moederkerk verricht daarin dan de taak van zaligmakende Kerk en middelaarster, onder leiding van den Plaatsbekleeder van Christus hier op aarde, zijnde de Paus, aller geestelijke Vader.
Wanneer iemand in de Roomsche Kerk met zijne natuurlijke krachten alles doet wat de Kerk voorschrijft, dan heeft hij daarmede verdiend, dat God hem billijkheidshalve de bekeering en alle heilsgoederen schenkt. Voor wat hoort wat ! Hij ontvangt dan de ingestorte genade (wedergeboorte en heiligmaking) en kan dan goede werken voortbrengen, die de zaligheid hiernamaals verdienen. Een leer, dat de mensch van nature onbekwaam is tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad, waarbij de genade des Heiligen Geestes noodig is om een zondaar van dood levend te maken en van een kind des vleesches tot een kind des Geestes, en van een kind der duisternis tot een kind des lichts, waarbij de vrije genade Gods geprezen wordt, die een goddelooze om niet rechtvaardigt zonder de werken der wet — zulk een leer zult ge in de Roomsche Kerk nooit hooren.
Het is daar altijd weer een voeden van het vrome vleesch, dat kerkelijk gewijd en geheiligd moet zijn, en Gode kan behagen! Waarbij het niet gaat om den Heiligen Geest, maar om de Kerk.
Dat de droefheid naar de wereld buiten geloof kan omgaan en vreemd aan de zaligmakende werking des Heiligen Geestes is verstaat Rome niet. Droefheid is droefheid ; en het fundament voor de eeuwigheid wordt door Rome rustig gelegd in het vleesch.
De droefheid naar God moeten we hebben als vrucht des Geestes.
In de toerekening van den geheelen Christus aan een arm, bedroefd, verslagen zondaarshart ligt de gerechtigheid, die voor God bestaan kan en daaruit groeien alle heilsweldaden. Dan komt het geloof, dan komt de heiligmaking. Dan komt het roepen der ziel : „Abba, lieve Vader" !
De Socinianen, de geestelijke kinderen van Pelagius en tegelijk de geestelijke vaders van de Remonstranten en de Modernen, van de Rationalisten en Evolutionisten, willen hier niet aan. Die bedanken er voor om zóó minachtend en veroordeelend over den mensch te oordeelen, als zou deze „dood in zonden en misdaden" zijn. De mensch is veel beter dan het Gereformeerd Protestantisme geleerd heeft; veel beter dan de menschen uit den Bijbel halen, zeggen zij. En omdat de mensch veel béter is, kan heel de heilsweg en de heilsorde, kunnen de heilsweldaden ook veel uitwendig er genomen worden dan het Gereformeerd Protestantisme leert.
't Lijkt soms alsof ze het meer „geestelijk" en meer „inniger" nemen. Volgens do Remonstranten met al hun neefjes en nichtjes — en de familie is groot! — is 't geen de Gereformeerden leeren zoo „uitwendig", zoo „vormelijk". Heel die leer van Gods vrije genade en van de gerechtigheid en verlossing door Jezus Christus wordt door hen veroordeeld. En zij willen veel vromer, veel inniger, veel „echter" zijn en spreken. Maar de innigheid en de vroomheid is dan zóó, dat het zaligmakend werk i n den mensch komt te liggen, die in „innige" bewogenheid van binnen uitwerkt tot behoud. Het subjectieve, het onderwerpelijke, het innige, het vrome wordt geprezen. Maar het is de mensch, die een kroon op het hoofd krijgt. En de Christus, Slons Borg en Middelaar, wordt als de alléén zaligmakende Verlosser als veel te objectief, veel te voorwerpelijk, veel te uitwendig netjes op zij gezet.
Heel dat verzoenend lijden en sterven wordt genegeerd ; of als het nog genoemd wordt, en heel dierbaar genoemd soms, dan keert men toch tot den mensch terug en de mensch-geest moet het dan doen; dié moet het leven vroom en innig en heilig maken; en de zegeningen zijn dan legio — zooals men zegt.
Hoofdpunt van het geschil is en blijft hier : of de vergeving der zonden, de rechtvaardiging des zondaars, de verlossing en alles wat daarmee ten nauwste samenhangt, tot stand komt door eene toegerekende gerechtigheid, uit louter genade, om Christus, onzes lieven Zaligmakers wil, zonder eenige verdienste onzerzijds. Of dat de vergeving der zonden en de gerechtigheid, het geloof en de heiligmaking komt door eeiie subjectieve, eigen gewerkte vroomheid in ons. In het laatste geval treedt de menschelijke genegenheid, de menschelijke wil dan op den voorgrond. En dat is juist wat de Remonstrant hebben wil.
Neem b.v. de inwendige roeping door den Heiligen Geest in de toepassing des Woords. Eigenlijk wordt deze alleen aanvaard door de Gereformeerden. Roomschen, Remonstranten, Modernisten verklaren het verschil dat er bij de menschen gevonden wordt ten opzichte van geloof en ongeloof, in den menschelijken wil. In den menschelijken wil is het onderscheid te zoeken tusschen geloovigen en ongeloovigen, tusschen vromen en niet-vromen, tusschen gewilligen eh onwilligen. De een wil, de ander wil niet. Daarmee is dan alles verklaard en het probleem der behoudenis en zaligheid opgelost. Uit en door den mensch — uit en door het vleesch.
En neen, de Gereformeerden schakelen den wil des menschen niet uit, en rekenen er mee tot beschuldiging van den mensch, die de schuld zal dragen van eigen ongeloof. „Die den Zoon ongehoorzaam is, op dien blijft de toorn Gods."
Maar de Gereformeerden blijven hierbij niet staan, om dan de genezing en de oplossing te zoeken in den menschelijken wil — zooals de Remonstranten doen.
De Gereformeerden klimmen bij dit zware probleem van des menschen moeten en niet kunnen, van des menschen verantwoordelijkheid en zijn niet vermogen, van zijn geroepenworden en niet-gehoorzamen, — de Gereformeerden klimmen hier niet af naar den menschelijken wil, om daar de oplossing te vinden.
De Gereformeerden weten hier voor de inwendige roeping, voor de wedergeboorte, voor de bekeering, voor het geloof enz. den diepsten grond inden wil Gods, in des Heeren welbehagen en in de alles werkende kracht van den Heiligen Geest, die dooden levend maakt.
Het gaat hier niet om den mensch-geest, maar om den Heiligen Geest, die ingaan moet in het harte op zoodanige wijze, dat de uitwendige roeping wordt opgevolgd en de ziele tot het geloof in Christus komt. Het is Gods gave.
Die werkzaamheid van den Heiligen Geest is dan ook volgens het Gereformeerd Protestantisme niet alleen een aanradende, maar ook een vernieuwende, 't Is geen helpende genade, maar alléén-werkende genade. Het is niet een verbeterende, maar een omzettende en vernieuwende werking. Het is alles van 't begin tot het eind, het is alles uit God; alles vrije, onverdiende genade ; alles door de werking des Heiligen Geestes — die ook onwederstandelijk is en onverliesbaar.
Die werking van den Heiligen Geest leeren Gods kinderen kennen als zoet en lieflijk, allen dwang uitsluitende, wijl ze gewillig maakt. En door dien Geest van Vader en Zoon leeren zij spreken : Abba, lieve Vader !
Zoo gaat alles voor een zondig en schuldig en verloren volk om de werking des Heiligen Geestes.
Waaraan het Pinksterfeest, het feest van den Heiligen Geest ons bij. vernieuwing heeft herinnerd.
MODERNE MENTALITEIT IN NOORD HOLLAND EN DE EVANGELISATIE-TAAK DER KERK.
In Noord-Hollands Kerkblad, orgaan der Gereformeerde Kerken, vonden we een artikel van iemand uit Hoorn, waarvan we een stukje overnemen om de gesteldheid van de modernen nog weer eens even aan te voelen, waarbij weer zoo duidelijk uitkomt dat modern veelszins onverschillig en onkundig is op 't terrein van het geestelijke, zooals de Heilige Schrift ons dat voordraagt en bekend maakt. Onverschillig in materialisme levend en daarbij totaal vervreemd van de dingen van Gods Koninkrijk. Dat is mee de vrucht van de moderne prediking, die Gods Woord wegredeneerde, het Evangelie van Jezus Christus verwierp, veelszins leerde : „dood is dood" en het menschdom in zwarte duisternis arm en ellendig achterliet!
In Noord-Hollands Kerkblad lazen we : Al is Hoorn geen groote stad, het modernisme geeft hier toch den toon aan. En van zeer velen van onze omgeving moet gezegd worden dat hun godsdienst „onverschilligheid" is. Naar de kerk gaan doet men gewoonlijk niet. Er zijn er, die er eenvoudig nooit over denken. Absoluut overbodig. Daarbij heeft men de meest wonderlijke voorstellingen van de geloovige Christenen. Velen zien de Gereformeerden eenvoudig als Farizeërs.
De geestelijke onkunde is zóó groot, dat we in Hoorn menschen aantreffen die nooit anders hebben gehoord dan: „dood is dood" !
Als wij hen wijzen op God, wordt heel dikwijls geantwoord : wanneer er een God is, hoe komt het dan, dat Hij de ellende uit het leven niet wegneemt; en waarom verhindert Hij den oorlog niet ?
Het probleem van den oorlog komt op bijna elk huisbezoek ter sprake. En men stelt het zóó voor, dat de Christenen vóórstanders zijn van den oorlog. En onmiddellijk worden wij geplaatst voor de oorlogen uit het Oude Testament. En dan luidt de conclusie : „Ziet ge wel, dat de Bijbel den oorlog aanbeveelt ? " — Dat is voor velen het éénige wat zij van den Bijbel weten. Overigens is er slechts zelden een Bijbel in huis, en gelezen wordt hij nooit".
„En toch" — zoo vervolgt de Hoornsche briefschrijver — „hoe groot de onkunde en de onverschilligheid ook mag zijn, de man die met grooten hartstocht de Socialistische of de Communistische beginselen heeft verdedigd, weet u soms een oogenblik later te vertellen, dat zijn vader of moeder indertijd ook kerkelijk zijn geweest; en met voorliefde wordt er dan gezegd, dat zij zoo goed zijn afgestorven". „Dan hebben wij een aanrakingspunt gevonden. Dan is er gelegenheid om het Evangelie te brengen". „Verder is er een opmerkelijk verschijnsel, dat de ouders, die hun kinderen onze Jeugd samenkomsten laten bezoeken, dikwijls vroeger zélf op de Zondagsschool zijn geweest. Ze laten hun kinderen gaan met de opmerking : wat ze er leeren is wel goed". * „De malaise is groot, maar juist door de malaise is er in onze omgeving een grooter vatbaarheid voor het Evangelie waar te nemen. Vroeger gebeurde het herhaaldelijk dat de bezoekbroeders niet ontvangen werden. Zoodra men hoorde, wie zij waren, en wat zij wilden, werd de deur eenvoudig dichtgeslagen. Maar dat is nu wel anders geworden. Mede door de moeilijke tijden begint ons werk in Hoorn vrucht te dragen. De mensch voelt zijn onmacht. Men komt tot de ontdekking dat men toch met z'n braafheid niet gelukkig is. Dat men juist in tijden van tegenspoed geen houvast heeft. Iemand, die zijn zaak door de me, laise zag ten gronde gaan, en vroeger een groote „fijnenhater" was geweest, verklaarde eerlijk, dat hij wel wilde dat hij een goed geloovig Christen was.
God spreekt door de malaise tot de wereld, maar ook tot Zijn Kerk. Hij geve ons kracht, om juist nu getrouw te zijn, ook in de Evangelisatietaak, die Hij aan Zijn Kerk heeft opgelegd".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's