JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Aan den anderen kant evenwel zag zij ook iets anders. Als Jouke dan later eens een man werd als Klaas koopman, wél godsdienstig in den mond, maar niet in het hart; als zij dan later ook eens geheel alleen haar weg moest gaan, gelijk zoovele vrouwen, die telaat hebben ingezien, dat het ongelijksoortige niet bij elkaar past.
Zij herinnerde zich een woord van den Apostel, die vooral op dit punt zoo duidelijk spreekt als hij zegt : „wat weet gij vrouw of gij den man zult zalig maken ? Of wat weet gij man of gij de vrouw zult zalig maken ? " En op een andere plaats : „trekt niet 'n ander juk aan met de ongeloovigen, want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis ? En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige ? Of wat samenvoeging heeft de Tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods, gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn. Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige. Zóó spreekt het Woord en — moet zij Gode niet meer gehoorzamen dan de menschen ? Is het niet waar wat boer Brandsma onlangs zei: „vele menschen gelijken op den steenen man van het havenhoofd te Harlingen ; zij hebben twee aangezichten; met het een zien zij naar de kerk of naar den hemel en met het ander naar de wereld, om zooveel mogelijk van haar te genieten." En heeft die oude Christen geen gelijk als hij altijd al weer tot dezelfde slotsom komt: „één van beiden moet het zijn : vóór of tegen; alles of niets ? " Zij is belijdend lidmaat van de kerk; eenmaal heeft zij mede beleden :
Ja U kiest ons hart Eeuwig tot zijn Koning.
en toen heeft de gemeente ook haar toegezongen : „Dat 's Heeren zegen op u daal" — mag zij nu haar leven gaan verbinden aan dat van een man, die in den diepen grond daarvan niets verstaat; die wel niet bepaald vijandig is, maar zonder dat hij het zelf weet in alles toont, het geheim van het ware geloofsleven niet te kennen ? O, als Jouke daartoe kwam, dan was zij aanstonds bereid hem hart en hand te geven. Zij zou zelfs wel willen zeggen, als zij dit niet doet aan hem dan aan niemand, want er is geen tweede, dien zij zoo bemint. Ach, waarin moest dat ééne, maar dat nóódige, hier nu ontbreken ? Waarom zóó nabij het geluk en toch zonder het te kunnen, althans te mogen grijpen ? Waarom werden haar gebeden niet verhoord, waar zij telkens zoo vurig vroeg om zijn bekeering ? Waarom moest haar weg zoo zwaar zijn en dat waar zij zoo gaarne getrouw was ?
Zoo had zij gevraagd, tienmaal, honderd maal, bij dag en bij nacht, maar geen antwoord gekregen, nóch door droomen, nóch door een gezicht, nóch door ingeving. Alleen had zij zich herinnerd hoe Paulus, de groote Heiden-apostel, ook eens herhaaldelijk gebeden had om wegneming van een scherpen doorn in het vleesch, en het hemelsch antwoord, 't welk hij toen eindelijk kreeg, luidde : „Mijne genade is u genoeg. Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht."
Na langen tweestrijd was dien avond het onderhoud afgeloopen met van haar kant het zelfde woord van altijd, dat zij een huwelijk met hem zóó niet aandurfde en hij eerst tot de besliste keuze moest komen, om met zijn gansche hart den Heere te dienen.
Maar toen is Jouke kwaad geworden ; trots heeft hij het hoofd in den nek geworpen. Wat meende zij wel te zijn ? Er waren ten slotte meer meisjes ; in Kleiterp wel en daar buiten wel. Hij had maar den mond open te doen om er aan eiken vinger één te krijgen. Onder dezen waren er wel, die vrij wat meer aanzien hadden dan Anneke. Zij had buiten hem nog nooit een vrijer gehad en liep veel kans om over te blijven, zooals zoovele andere meisjes in het dorp. Hij zou het wel buiten haar stellen en haar laten zien, dat hij niet verlegen om haar was. Liep het dan later verkeerd met hem uit, dan was het haar schuld, en moest zij maar denken, dat het kwam omdat zij hem de bons gegeven had. Hij zou haar voortaan niet weer lastig vallen ; 't was de laatste keer dat hij haar gevraagd had. Zij moest de gevolgen maar afwachten.
En toen zij op al die woorden nog bleef zwijgen, niet omdat die haar koud lieten, zooals hij meende, maar omdat zij haar zoo pijn deden en het spreken onmogelijk maakten, toen heeft hij, zonder haar verder „goeden nacht" te wenschen, zich driftig omgekeerd en is met groote stappen weggeloopen, vast besloten om nooit weer naar haar om te zien.
Dien nacht heeft Anneke het zwaar gehad. Zij heeft geschreid, veel en lang, waarbij haar hoofd scheen te zullen bersten.
Die nacht was haar Pniël, waarin het er op of er onder ging en toen eindelijk de morgen kwam, zonder dat zij ook maar een oog geloken had, was zij verzekerd in Gods weg te zijn.
Dien zelfden dag moest zij naar „de Eendenkooi". Jap was evenals altijd de Vroolijke, opgewekte Jap en blij dat Anneke kwam naaien, omdat zij haar dan 's avonds dorpwaarts brengen mocht en zij elkander dan hun zoete geheimpjes konden vertellen. Al spoedig evenwel had men daar gemerkt, dat er met Anneke iets niet in orde was. Zij zag zoo bleek en at zoo weinig, en — wat nog nooit eerder gebeurd was — zij verknipte de stof waaruit een boezeroen voor Brandsma gemaakt moest worden.
Dit ziende had de boerin gezegd : „je bent niet goed, Anneke, ik zie het wel aan je, " en toen had het maar weinig gescheeld of de waterlanders waren gekomen, doch met alle kracht had zij zich over haar leed heen gezet en getracht de gemaakte fout zoo goed mogelijk te herstellen.
Toen zij 's avonds echter alleen met Jap op pad was had zij deze verteld, dat het voor altijd tusschen Jouke en haar uit zou zijn, omdat zij het niet aandurfde het leven in te gaan met iemand, die niet met beide voeten stond op den grond des geloofs.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's