De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET WOORD DER SCHRIFT IN DE BEDEELING DER KERK.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET WOORD DER SCHRIFT IN DE BEDEELING DER KERK.

7 minuten leestijd

Referaat, gehouden ter Bondsvergadering op 14 April j.1., door ds. J. A. van Nie, van Hoogeveen.

IV (Slot).
Wanneer nu de dingen zoo staan, dan rijst ten slotte de vraag, hoe heeft de prediker te staan tegenover de Heilige Schrift als Gods Woord. Een vraag, die de problemen van inspiratie en kanonafsluiting mede raakt. Duidelijk is, dat nu de prediker niet meer kan komen met een leerrede, in dien zin, dat de Schrift voor hem niet langer is een handboek voor theologische beschouwingen, waaruit hij naar hartelust kan putten. Maar hoe heeft hij dan in zijn ambt tegenover de Schrift te staan ? Juister — want hij heeft er heelemaal niet tegenover te staan — : hoe heeft hij te staan onder de Heilige Schrift, het Woord van God ? Wij zouden dan willen zeggen : de dienaar des Goddelijken Woords heeft in de Schrift te zien den kruisgang des Geestes, welke in de kanonafsluiting zijn Golgotha vindt. Dit nu is allerminst een nieuwe ontdekking. Het is den laatsten tijd met nadruk naar voren gebracht, dat reeds de trouwe Schriftgeloovige, die Da Costa was, het heeft uitgesproken : de Heilige Schrift (als Bijbel, zooals dit boek voor ons verschijnt) is de dienstknechtsgestalte van den Heiligen Geest. Hiermede is al terstond een geweldige ergernis gegeven. Want het kruis is immer een ergernis en van God in dienstknechtsgestalte zegt de mensch immer : wij willen niet dat deze Koning over ons zij., De Bijbel een ergernis, juist omdat zij is het Woord van God — het wil mij voorkomen dat het een droevig bewijs Is van het Ingezonken geloofsleven der kerk, dat er zoo weinig meer ergernis gevonden wordt aan de Heilige Schrift. Men laat den Bijbelgetrouwen Christen veel te veel met rust juist omdat hij te weinig aan den Bijbel getrouw is. Maar wat veel en veel ernstiger is : men heeft ook in de gemeente des Heeren de ergernis weg willen nemen, men heeft het kruis - willen verzachten. Men heeft — wij hebben dat al eenmaal gezien — men heeft gezegd : in den Bijbel is Gods Woord. Dan ziet men den menschelijken factor in de Heilige Schrift als de vuile goot, waardoor het schoone water loopt. En het schoone water genietend, stoot men zich er niet aan dat de goot zoo vuil is. Dat is een wegnemen van de ergernis, een poging om het kruis te verzachten. Of, en dat is niet minder bedenkelijk : men stelt de Bijbelschrijvers voor als niet meer dan schrijfstiften in de hand des Heiligen Geestes. Ook dan is de ergernis weg, ook dan wordt het kruis verzacht. Maar ook dan blijft het oog gesloten voor de afdaling Gods, voor de ontfermende genade des Heeren, voor den kruisgang des Heiligen Geestes, voor de dienstknechtsgestalte van den Derden Persoon des Goddelijken Wezens. Maar nu staat de dienaar in den geloove achter de Schrift en hij gelooft door alles heen. Daarom ziet hij door de dienstknechtsgestalte heen en hij hoort het Woord Gods. Meer nog : de dienstknechtsgestalte des Geestes is hem lief, want hij ziet: nu mag ook hij als mensch Gods Woord op de lippen nemen. Hij staat daar, gezalfd door den Heiligen Geest, dat is : hij staat in het Goddelijk heden dat het menschelijke heden doorbreekt en zijn woord is : heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld. Maar zijn geloof is het geloof der gemeente en de gemeente zij hoort Gods Woord verkondigen en ook zij staat in het goddelijk heden, dat de historie doorbreekt. Het is Pinksterfeest. Het is niet wederom Pinksterfeest, want in de eeuwigheid is geen verleden en geen toekomst, daar is alleen het „nu". Gij gevoelt het, in deze samenkomst is geen plaats voor menschelijke beschouwingen, voor menschelijke gevoelens over de Schrift, geen plaats voor menschelijke beschouwingen of menschelijke gevoelens over de Openbaring Gods. Daar is alleen plaats voor het woord : Spreek, want Uw knecht hoort. Zoo wordt de Heilige Schrift in de verkondiging het levende Woord van den levenden God. Dat, dat is het Woord der Schrift in de bedeeling der kerk.
Maar nu vindt ook de tweede vraag, de vraag naar de kanonafsluiting, een antwoord. Wij zeggen niet: een bevredigend antwoord, want dan is de ergernis weg.
Maar wel vindt deze vraag een vredegevend antwoord voor hem die het kruis aanvaarden moet.
Ook deze vraag wordt dikwijls te realistisch, dat is : te veel van den mensch uit bezien. Wij laten nu de Roomsche opvatting terzijde. Maar ook in onze kringen ontbreekt het hier vaak aan geestelijk inzicht. Men stelt zich dan in groote lijnen de kanonafsluiting als volgt voor : de Heilige Geest had dan sommige schrijvers geïnspireerd en anderen niet. De kerk, die zelfs staat onder de beademing des Geestes, heeft dan in het geloof precies begrepen welke boeken zij als goddelijk moest erkennen en welke niet, en zoo zijn de boeken, die we hebben, als Gods Woord erkend. Nog eens : dit is al te menschelijk gesproken. Want in de eerste plaats neemt men dan een zekere gespletenheid des Geestes aan. Men ziet den Geest als inspirator en men ziet Hem als werkende in de kerk. Men zal dan vast moeten loopen, wanneer men zich goed indenkt dat zoo straks in de voleinding de Heilige Schrift er niet meer zal zijn. Dan zou dus een stuk van de (Geesteswerkzaamheid te niet worden gedaan. Daarom lijkt het ons beter in de kanonafsluiting te zien een Golgotha des Geestes, dat de Geest zichzelf bereidt. Anders gezegd: dan laat de Geest zich kruisigen in de afsluiting door de kerk. Dan is er geen plaats voor de opvatting als zou de Heilige Schrift Gods Woord zijn, omdat de kerk het zegt. Dan wordt het eerder zoo uitgedrukt: de Heilige Schrift is Gods Woord, doordat de kerk het zegt. In het perspectief des Geestes wordt dan alle dualisme opgeheven. Wordt het 200 gezien, dan wordt ook de vrucht dezer kruisiging geplukt in 't doorleven der waarheid, dat de Schrift geeft alleen wat ter zaligheid noodig is. Het ad salutem necessarium krijgt dan weer vollen klank en kleur. Maar dan volgt er ook op dit Golgotha een opstanding, want in de prediking wordt het Woord Gods geroepen tot een derde gestalte en de Heilige Geest gebruikt het gepredikte Woord om het geloof te werken en te sterken. En juist omdat nu het ad salutem necessarium ten volle doorklinkt, wordt de prediking van 't Woord niets anders dan de prediking van Christus, in Wien God was de wereld met zichzelve verzoenende.
Het zij ons, vergadering, vergund met een enkel woord samen te vatten al wat wij in uw midden mochten zeggen. Wij hebben getracht iets te laten zien van het geweldige feit der prediking. Wij hebben getracht u duidelijk te maken dat dit feit verre uitgaat boven ons menschelijk denken en voelen. Wij hebben willen laten zien dat de prediking der Schrift niet geschied in een historisch moment alléén, maar dat het geschiedt in het Goddelijke Heden. Daarbij hebben wij trachten aan te toonen, dat de vragen omtrent Bijbel en prediking nooit los zijn te maken van het vraagpunt der kerk. Wij hebben bij onze verhandeling doorloopend op den achtergrond onzer gedachten gehad een woord, dat wijlen prof. Van Leeuwen eens met een beroep op Calvijn uitsprak : Heilige Schrift en kerk en geloof behooren bijeen. Wij hebben daarom getracht u duidelijk te maken dat wij niet tevreden mogen zijn, wanneer van vele kansels verkondigd wordt wat wij de Waarheid plegen te noemen. Dat wij zelfs niet tevreden mogen zijn, indien zulks van alle kansels geschiedde. Want dat het noodig óók, neen juist, voor de zuivere prediking dat de Kerk zich weer als Kerk openbare.
Onze belooning zou daarin liggen, wanneer mede door ons woord het vraagpunt der kerk weer brandende werd in onze harten. Wanneer mede door ons woord voor de kerk weer gebeden en in den geloove gestreden werd. Dan is de zegen des Heeren er al. En dan zal de Hoorder der gebeden ook met de kerk onzer vaderen nog doen boven bidden en boven denken.

HOOGEVEEN, 30 Maart, A.D. 1932.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

HET WOORD DER SCHRIFT IN DE BEDEELING DER KERK.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's