MEDITATIE
Zij handelt niet ongeschiktelijk. I Corinthe XIII : 5.
Heeft de Gereformeerde richting, hebben de Gereformeerden nog een toekomst in onze Hervormde Kerk ? De vraag kan ook anders gesteld : heeft onze Hervormde Kerk nog een toekomst, of zal de ziekte, waaraan zij lijdt, voeren tot algeheelen ondergang ? Ik waag mij niet aan eene voorspelling, al heeft het wel den schijn dat de Geest Gods meer en meer uit haar gaat wijken. Maar zeker is het, dat zij haar ondergang tegemoet snelt, naarmate in haar minder gevonden wordt het wezenlijk hooren naar Gods Woord en de liefde niet nagejaagd wordt.
Wat is een Kerk zonder liefde ; waar de liefde verdwenen is, daar mag nauwelijks van een Kerk sprake zijn, en wat zich Kerk noemt, zal blijken geen Kerk meer te zijn. Wanneer de gemeente van Efeze haar eerste liefde verlaat, wordt het licht van den kandelaar weggenomen en akelige duisternis blijft over.
Zonder liefde kan de eenigheid der gemeente niet behouden worden; „de eerste lof der liefde is, dat zij door vele dingen lijdzaam te verdragen, den vrede en eendrachtigheid voedt in de gemeente", schreef Calvijn.
Ook aan de Gereformeerden in onze Hervormde Kerk mag en moet de weg worden getoond, dien de apostel Paulus den Corinthiërs als uitnemender aanprees. Willen zij dezen weg niet, verzuimen zij de liefde na te jagen, hun einde zal droevig zijn.
Het is den Apostel gegeven aan de Kerk des Heeren eene heerlijke schilderij van de liefde voor te houden. Ik bepaal mij thans tot een enkelen trek van de teekening, die ons hier van de liefde gegeven wordt.
Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij handelt niet onwelvoegelijk, onbetamelijk. Wanneer de liefde in ons is, wanneer wij in de liefde en door de liefde mogen geleid worden, zullen wij er voor bewaard worden ons onwelvoegelijk, onbetamelijk te gedragen. En het is niet te zeggen, hoeveel de ongeschiktheid, onwelvoegelijkheid ook in het leven der gemeente kan bederven. Uit ongeschiktheid komt allerlei misverstand, verdeeling en verscheuring voort, die als een kanker voortvreet.
Maar teneinde deze dingen te verstaan, is het noodig ons er rekenschap van te geven, wat ons in Gods Woord als liefde voorgesteld wordt. Van nature noemen wij zooveel liefde, hetgeen niets met de ware liefde te maken heeft.
We kennen uit den Catechismus de vraag: Wat is een oprecht geloof ? Deze vraag sluit reeds in, dat er zooveel is, dat op geloof lijkt. Van ouds werd gesproken van een historisch geloof, tijdgeloof, wondergeloof, maar hoezeer dit alles zich ook met den naam van geloof wil tooien, het echte, waarachtige geloof is het niet.
Zoo kan ook gevraagd worden: Wat is echte liefde ? En dan sluit ook deze vraag in, dat er zooveel is dat op liefde gelijkt en evenwel met de echte liefde niets te maken heeft.
Het antwoord op de vraag : Wat is oprecht geloof ? is een diepzinnig antwoord en zonder het licht en de werking des Heiligen Geestes niet te verstaan.
Maar wie zal een antwoord geven op de vraag : Wat is liefde ? We mogen over dé liefde peinzen, er is voor een nietig, zondig sterveling misschien geen hooger voorrecht dan al peinzende zich door liefdearmen gedragen te gevoelen en in de liefde te verzinken.
Maar om te zeggen, wat liefde is, zouden wij een antwoord moeten geven op de vraag, wie God is. En gelijk de Allerhoogste onbegrijpelijk, onnaspeurlijk is in al Zijne heerlijke deugden, alzoo is Hij het ook in Zijne liefde. En onder ons, menschen, is er geen liefde, dan die uit God is en tot Hem wederkeert.
Dit is een van de schrikkelijkste gevolgen van den val, dat de mensch het rechte begrip van liefde verloren heeft. Hij was geschapen naar het beeld Gods, opdat het liefde-leven van den Schepper zich in den mensch weerspiegelen zou en hij alzoo zijn Schepper van harte zou liefhebben, en in liefde Hem zou loven en prijzen. Van God gescheiden door de zonde, is hij niet alleen van de Bron des levens, maar ook van die der liefde gescheiden, en daarom kon hij ook tot geen recht begrip der liefde komen. Hoe zou dit kunnen, waar haat het innerlijke van zijn wezen geworden is ? Van nature geneigd God en den naaste te haten ; het bedenken des vleesches vijandschap tegen God !
Tot welke gedachten van den Allerhoogste de menschheid in het licht van eene algemeene openbaring ook gekomen mag zijn, de geschiedenis leert het: tot de gedachte aan een God, wiens Wezen liefde is, is zij niet kunnen opklimmen. Geen enkele heiden heeft zich den Allerhoogste als een God, die liefde is, kunnen voorstellen.
Uit het genade verbond en de bijzondere openbaring uit dat genadeverbond voortkomende, hebben wij het te danken, dat wij den Allerhoogste weer als een God van liefde, van heilige, reine liefde mogen kennen.
Augustinus wijst er zoo schoon en teeder op, hoe hij door het lezen van de boeken der Platonici wel knapper en verwaander werd, maar door hunne bladzijden leerde hij niets van de trekken der godsvrucht, noch van de tranen der bekentenis, niets van het offer van den berouwhebbenden geest, van 't vermorzeld en vernederd hart, niets van het heil des volks, van de bruid der stad Gods, niets van het onderpand van den Heiligen Geest, niets van den kelk onzer verlossing. Daar zingt niemand : „Is mijne ziel niet in Gods hand ? Want van Hem is mijn heil, Hij is mijn God, mijn redder, mijn helper, ik zal niet meer wankelen". Niemand hoort daar de stem van den roepende : „Komt tot Mij, gij die belast zijt" ; m.a.w. niemand zal daar leeren wat liefde, echte, reine, heilige liefde is.
Aan de wijzen en verstandigen is dit verborgen, maar den kinderkens heeft de hemelsche Vader Zijn liefdehart willen openbaren, en wanneer zij als arme, diepschuldige, doemwaardige boetelingen in en door Christus rust, vrede krijgen bij dit goddelijk Vaderhart, dan leeren zij het onpeilbare, het onmeetbare van Gods liefde kennen. Het is niet te zeggen, hoe groot, hoe diep die liefde is en daarom alzoo, wat ligt er al niet in dat alzoo opgesloten, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon beeft gegeven.
't Is eigenaardig, dat 't gewone Grieksch geen woord kende, om die liefde uit te drukken, maar dat onder invloed van de bijzondere openbaring het woord gevormd is om die liefde Gods te vertolken.
En iets van deze goddelijke liefde wil Hij weer in den mensch leggen, wanneer Hij door de werking van den Heiligen Geest den zondaar wederbaart en brengt tot een nieuw leven. Dan wordt de nieuwe mensch aangedaan, die naar Gods beeld geschapen is ; dan gaat als vrucht van het werk des Heiligen Geestes de liefde, die uit God is, werken, dan wordt het : wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
In die liefde krijgt de mensch weer genot in zijn Schepper, dan wordt het gesmaakt, dat de Heere goed is, dan is de Heere het genoegzaam deel en goed.
In die liefde krijgt hij ook liefde voor al het werk des Heeren, voor geheel de schepping, maar inzonderheid voor wat het voornaamste schepsel in die schepping is : den mensch. Uit die liefde tot God moet voortvloeien een liefde tot den naaste, die zich uitstrekken moet ook tot de vijanden.
En die liefde dringt nu om betamelijk, welgevoegelijk jegens den naaste, jegens den medemensch te handelen.
Deze liefde dringt, doet verlangen steeds meer gelijk te worden aan Hem, tot Wien de liefde uitgaat. In die liefde wordt alleen de bede van het zondaarshart verstaan :
Heilige Jezus, vorm mijn leden. Mijn krachten en begeerlijkheden. Ach, maak mij in alles U gelijk.
Daar moet het verlangen rijzen in alles Zijne voetstappen te drukken, nederig te zijn en zachtmoedig, te lijden en te verdragen, gelijk Hij geleden en verdragen heeft, en te bidden voor dezulken, die ons geweld aandoen en vervolgen, dat de Heere ben niet in hun duisternis en doodstaat moge laten, maar nog redden van het verderf.
Wanneer ik een brandend huis zie en weet, dat daarin nog bewoners zijn, zou 't dan niet een daad van de grootste onbarmhartigheid en onwelvoegelijkheid zijn, die bewoners niet te waarschuwen ? En wanneer wij dan medeschepselen weten op weg naar een eeuwig verderf, is het dan nog niet veel grooter onbetamelijkheid onze medereizigers naar een eeuwigheid ongewaarschuwd te laten ?
Moet uit de rechte liefde tot God en den naaste geen liefde tot het Zendingswerk en ook liefde tot het zoogenaamde Evangelisatiewerk te voorschijn komen ? Wie hier onverschillig kan zijn, moge toezien, of de rechte liefde in hem gevonden wordt. Want onverschilligheid jegens onze medemenschen is niet anders dan een vorm van haat.
De liefde handelt niet ongeschiktelijk. Het onderwerp is wijd van toepassing. Hoeveel heeft het ons niet te zeggen voor de verhoudingen in het huisgezin. Welk een voorrecht, wanneer man en vrouw de genade mogen ontvangen den schat van die ware liefde te ontvangen. Daardoor zal het huisgezin een waarlijk Christelijk gezin worden, waar de zalving en wijding van den Heiligen Geest niet ontbreekt. De liefde zal daar de leidster en onderrichtster zijn in de zoo moeilijke taak van de opvoeding van kinderen. In ware liefde is altoos wijsheid verscholen, daarom handelt zij niet ongeschiktelijk, maar zal letten op en rekening houden met den aard en het karakter van ieder der kinderen, zooals de Heere ook weet wat, ieder van Zijne kinderen noodig heeft. De liefsten van Zijne kinderen pleegt Hij immers wel door de diepste wegen en de zwaarste beproevingen heen te leiden. Niet allen worden beproefd, gelijk een Abraham, een Daniël, die zeer gewenschte man, beproefd werden.
Wanneer er in de harten van Gods volk liefde wonen mag, van welk een onberekenbaren invloed moet dat zijn in het maatschappelijk en staatkundig leven. Daar zal het niet kunnen uitblijven, of de wereld zal het moeten proeven, smaken, dat dezulken, die in en door de liefde leven mogen, iets bijzonders hebben. Ik weet wel, dat de wereld die ware liefde niet verdragen kan. Zij hebben Christus, in Wien niets dan liefde was, gehaat; zij zullen ook Zijne volgers haten. Maar toch zal de wereld zich zonder meer niet aan de macht der liefde kunnen onttrekken.
Door de liefde zal Gods volk het licht laten schijnen, zoodat de wereld zijne goede werken ziet en de hemelsche Vader verheerlijkt wordt. Maar bovenal, van welk een beteekenis zal het blijken te zijn in de verwarring van ons kerkelijk leven, wanneer daar harten zijn, waarin de liefde, die van boven is, wonen mag.
Liefde kan niet zonder orde, zonder tucht leven. In alle ordeloosheid en in alle tuchteloosheid schuilt iets onwelvoegelijks en onbetamelijks. Liefde kan niet ongeschiktelijk, d.w.z. onordelijk, tuchteloos handelen. Liefde, omdat zij 't licht bemint, moet de dwaling, waarin de duisternis is, verafschuwen, maar tegelijkertijd moet zij zich uitstrekken naar de dwalenden, opdat zij mogelijk van hunne dwaalwegen afgekeerd worden.
Heilige separatie kan noodig zijn, omdat de liefde den rok haat, die van het vleesch besmet is, maar diezelfde liefde deed Paulus telkens weer uitgaan ook tot zijne broederen naar het vleesch, ofschoon de moeite, aan hen besteed, wel altoos te vergeefsch scheen.
Hoe onvermoeid was Calvijn in de bestrijding van andersdenkenden; hoe zijn ook zijne strijdschriften met een geest der liefde doortrokken. In het stuk der verkiezing dacht een Melanchton niet als Calvijn. Dit was voor Calvijn een oorzaak van smart, maar welk een broederlijke, liefdevolle, echt Christelijke toon blijft er toch in de brieven van Calvijn, over deze zaak aan Melanchton gericht. Hoe toont Calvijn zijne tegenstanders te kennen en daarom juist welk een geschiktheid in de wijze, waarop hij hen bestrijdt.
Is het tegenwoordig geen gewoonte op tegenstanders af te geven, zonder goed gehoord te hebben wat zij zeggen ; zonder eigenlijk ooit recht met hen gesproken te hebben ? Zijn de wapenen niet vleeschelijk geworden, inplaats van geestelijk en krachtig door het Woord Gods ? En op wat onwelvoegelijke, onbetamelijke wijze wordt er met die vleeschelijke wapenen al niet gestreden. Hoeveel oorzaak is er niet tot schaamte voor ons en diepe verootmoediging.
Dat het den Heere behagen mocht deze overdenking te zegenen en dat met tranen gezocht mocht worden die kostelijke vrucht des Geestes, de liefde, die nog altijd is het merkteeken eener waarachtige verkiezing.
Delft,
L. J. Lammerink.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's