JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Daarop Was Jap stil geworden. Zij vond dat Anneke beslist gehandeld had zooals het hoorde ; zooals zij het ook zeker van haar verwachtte; zooals de moeder van Jap zou wenschen, dat ook zij deed ten opzichte van den smidsknecht, waar geen greintje godsdienst in zat en die veel meer socialist was, maar dien zij toch maar niet wilde laten schieten, omdat — nu ja, omdat het een nette vent was en een vakman, en omdat anders toch een der andere meisjes met hem ging strijken. Vandaar, dat zij niet veel zeggen kon op hetgeen Anneke haar meedeelde, 't Gaf haar echter des te meer te denken of zij zélf wel goed handelde en het niet verstandig van haar zou wezen als zij haar voorbeeld volgde, voor het te laat zou zijn.
Toen zij bij het hek afscheid van elkaar namen, had Jap gezegd : „'k wou, dat ik ook zoo sterk was als jou".
Zoo stonden de zaken, toen de kermis kwam. Hoewel Anneke voor zichzelf liever thuis bleef, wilde zij toch, om geen aan stoot te geven en tevens anderen aan te moedigen in hetgeen zij een goed werk achtte, de anti-kermis-vergaderingen bijwonen. Wanneer zij niet als andere jaren kwam, zou er allicht iets achter gezocht worden. Natuurlijk viel het haar wel op, dat Jouke er niet was. Gewoonlijk ontbrak hij nooit, maar was zelfs een ijverig werkend lid om de bijeenkomsten te doen slagen. Een angstig voorgevoel maakte zich van haar meester. Waar was hij ? Hoewel zij weet volkomen vrij uit te gaan, is ze zijn dreigement toch niet vergeten. Als het van avond eens verkeerd met hem ging ? En het ging verkeerd.
In „de Vergulde Hoorn" gaat het lustig toe. Een tropische hitte geeft den dansenden paren een kleur als bloed, terwijl de strijkstok van den violist en het getingel eener rammelende piano steeds tot nieuwe dansen uitnoodigen. Er wordt gezongen en geschreeuwd en gedronken, al luider, ai woester, tot op een gegeven oogenblik de luidruchtige vroolijkheid plotseling verstoord wordt door het getier van een paar razende mannen, die als verwoede beesten op elkander instormen.
Reeds den ganschen avond heeft het, eerst op straat, daarna op de bovenzaal van de herberg, gemokt en gehokt tusschen Jouke en een der werklieden aan de spoorbaan, 't Ging over een meisje, waarop de eerste zijn zinnen gezet had om daarmee nu eens vroolijk kermis te vieren, al zou 't alleen maar zijn om Anneke te laten zien dat hij het buiten haar doen kon. Hij wist niet, dat Kaba een afspraak had met den ploegbaas van de lijn. Vandaar zijn teleurstelling, die nog grooter werd, toen hij merkte dat andere jongelui zich over het geval vermaakten. Zelfs gaven 'n paar hunner op niet onduidelijke wijze te kennen, dat zij hem op het kermisterrein niet verwacht hadden, omdat hij immers tot de fijnen behoorde.
Daarop is Jouke de herberg ingegaan en heeft eenige glazen brandewijn gedronken. Hij zou dien knapen en bijzonder dien vreemden snoeshaan van buiten eens laten, zien, dat hij wel durfde. Vervolgens is hij met een verhit hoofd achter de anderen naar buiten gegaan, om hun pret door een hinderlijk volgen zooveel mogelijk te bederven. Tegen den avond is het troepje jongelui „kamer op" gegaan, maar ook hier verliet Jouke hen niet en heeft hij opnieuw gedronken, en toen, op een gegeven oogenblik, zich aan Koba opgedrongen.
Het overige laat zich denken.
Vóórdat het publiek nog weet wat er eigenlijk gebeurt, wordt het mes getrokken en, met een vreeselijken vloek zich op zijn plager werpend, brengt de ander Jouke onverwachts een steekwonde toe, die hem plotseling doet neervallen, terwijl de dansvloer met zijn bloed gekleurd wordt.
Een angstig gegil, vooral van de aanwezige meisjes, waaronder het geroep van „moord ! moord !", verstoort opeens de pret en doet de muziek zwijgen. Aanstonds wordt er ruimte gemaakt en terwijl velen de zaal verlaten, verdringen anderen zich rondom den getroffene, die als een lijk daar neerligt. „Water !" wordt er geroepen. „Haal den dokter !" schreeuwt een ander ; tot een bediende, geheel ontsteld met een karaf vol water komt aandragen.
De feestpret is uit.
Intusschen verspreidt zich op straat als een loopend vuurtje het gerucht, dat er in „de Vergulde Hoorn" gevochten is, en een der vechtenden daarbij doodelijk getroffen werd. Anderen weten meer bijzonder te vertellen, dat Jouke van den slager het slachtoffer is geworden.
Al spoedig is de politie op de plaats des onheils ; de zaal ontruimen en een tweede bode naar den dokter zenden is het werk van een oogenblik. Kort daarop verschijnt dr. Hannema. Zich over den getroffene heenbuigend is zijn eerste werk zich te overtuigen of het hart nog klopt. Er is nog leven, maar de breede bloedstroom uit de borst toont aan, dat de wonde diep en gevaarlijk is. Een noodverband moet 't bloed stelpen; eerst later zal een nauwkeuriger onderzoek worden ingesteld. Van vervoer kan geen sprake zijn. Hier zal op een der Iogeerkamertjes, waar zoo nu en dan door een reizend man overnacht wordt, gelegenheid moeten worden gemaakt om den gewonde, die nog altijd buiten kennis is, te verplegen, in afwachting van het verdere verloop.
Inmiddels doet de politie haar werk. De dader is, gebruik makende van de verwarring en onder bedekking van de nachtelijke duisternis, gevlucht. Er zijn echter getuigen te over, die hem kunnen aanwijzen doch die tevens weten te vertellen hoe de verslagene zélf oorzaak is van het geval al kan dat den dader slechts als verzachtende omstandigheid dienen.
De herbergier jammert; zijn heele fortuin voor dezen avond en den verderen tijd van de kermis is weg, want de pret hier afgeloopen en de zaak te vreeselijk dan dat straks of morgen weer zal wordet begonnen alsof er niets was voorgevallen Bovendien ligt de patiënt boven, en Hannema heeft kort en bondig gezegd, dat het hier stil moet zijn en van vervoer voorloopig geen sprake kan wezen.
Nog dien zelfden avond wordt hetgeen heeft plaats gehad ook in de vergadering der Christelijken bekend ; Kleiterp is klein dan dat zulk een gebeurtenis spoedig op alle hoeken van het dorp te weten zou worden.
Op het vernemen dezer tijding gaan Klaas Lolkes en Louw Overzee er onmiddellijk op uit om zoo mogelijk nadere bijzonderheden te weten te komen en dat dan den vergaderden te kunnen mededeelen. Aan het huis van Jouke's ouders waren zij daartoe aan het beste adres. Daar hooren zij in 't kort wat er heeft plaats gehad voorzoover dit althans uit onsamenhangende de berichten bij de huisgenooten bekend is.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's