De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

RONDOM DE LEESTAFEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RONDOM DE LEESTAFEL

11 minuten leestijd

Bedrijfsorganisatie, van Anti-revolutionair standpunt beschouwd door dr. C. Beekenkamp. Uitgave J. H. Kok, Kampen, 1932.
Dit boek is het proefschrift waarmee mr. C. Beekenkamp den doctorstitel heeft verkregen aan de Leidsche Universiteit. Wij verheugen ons, dat wij dit boek hier mogen aankondigen, welke aankondiging tegelijk een hartelijke aanbeveling kan zijn. De breede inhoudsopgave, waarin een resumé komt van alle bladzijden — wat een groot gemak is voor ieder die het boek opslaat — bewijst, dat de jonge doctor in de rechten zich maar niet van z'n onderwerp heeft afgemaakt, maar alles te voren naarstig heeft onderzocht, voor er z'n volle aandacht aan te schenken. Dat geeft tegelijk een historisch materiaal, dat zeker goede diensten zal kunnen doen voor menigeen, die zich de maatschappelijke vragen aantrekt en zich voor de maatschappij-verhoudingen, bizonder wat het bedrijfsleven betreft, interesseert. Wij wenschen den jongen doctor in de rechten, voor wien wij ook om de wille van zijn vader, zoo groote sympathie koesteren, recht hartelijk geluk bij het verschijnen van dit boek in afzonderlijke uitgave en wij hopen, dat hij en ook de uitgever, veel genoegen van dit geschrift mogen beleven !
Hervormde juristen van beginsel kunnen we ook in onze kringen wel gebruiken. Daarom ook een hartelijke gelukwensch en een warme aanbeveling !
16 Maanden in gevangenschap bij Chineesche Communisten, door Ernst Fischle. Uit het Duitsch vertaald door H. J. van der Munnik. Uitgave J. H. Kok te Kampen.
Wat gebeuren er verschrikkelijke dingen op aarde nu de zondegeest losgelaten wordt onder de volkeren. De Zendelingen, de mannen des geloofs, moeten het dan bizonder ontgelden. Ze worden gevangen genomen, ze staan bloot aan allerlei ellende. Het is een wonder, dat ze nog in 't leven blijven. Maar God doet wonderen; Hij is de Getrouwe, die niet laat varen de werken Zijner handen. Zeker, het kan moeilijk zijn om te zingen : „De Heer is recht in al Zijn weg en werk" ; het kan wezen, dat de Asafspsalm op de lippen komt : zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? Maar de Heere doet wonderen, Hij alleen. Hij weet het geloof bij Zijn kinderen te sterken, Hij heerscht over Zijne vijanden. En laat het door de diepte gaan, maar waar blijft het: Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het nad'ren van den dood, volkomen uitkomst geven.
Tot in het diepst van onze ziel worden we geschokt en bedroefd, als we een boek als dit lezen. Maar het is een boek, dat ons tot zegen kan zijn. Het kan ook opwekken om meer en meer te bidden ; „Uw Koninkrijk kome". Ja, dat het rijk van Satan mag worden verstoord, dat de werken des boozen mogen worden verbroken en dat er meerderen mogen komen tot de aanbidding des Heeren, tot de gehoorzaamheid aan God, om Hem te dienen in oprechtheid en Zijn Naam alom te belijden en te werken tot uitbreiding van Zijn heerlijk Koninkrijk.
Men leze dit mooie boek, dat diep ontroert, maar ook kan sterken in het geloof en kan opwekken tot den geestelijken strijd met het geestelijk zwaard, Gods Woord. „Predikt het Evangelie aan alle creaturen" heeft de Heiland gezegd en ook al gaat het met vijandschap en met bloed en tranen gepaard, gezegend is de Kerk, die het Woord van den Heiland niet vergeet, maar geloovig betracht.
De Biecht en andere lezingen, door dr. P. Stegenga Azn. Uitgave J. M. Bredée's Uitg.-Mij., Rotterdam.

Drie lezingen door dr. Stegenga, Luth. predikant te Amsterdam, te Rotterdam gehouden voor een kring van Zondagsschoolonderwijzers, vindt men in dit boekje bij elkaar gebracht. De eerste lezing gaat over de biecht, de derde over „moeilijkheden bij het vertellen van bijbelsche geschiedenis" en de tweede handelt over het boek Ruth en draagt tot opschrift Een idylle in den Bijbel. Men kan niet zeggen, dat deze drie lezingen één geheel vormen, toch voelde de schrijver verwantschap en de uitgever stelde voor ze samen in één bundel te doen verschijnen. De eerste en laatste raken onze levenspractijk (hoewel nog al in ver verwijderd verband), de tweede dient om te laten zien, dat er ook in het boek Ruth „stichtelijkheid voldoende aanwezig is", als men maar goed vertelt.
In de eerste lezing behandelt de schrijver, na een breede inleiding, drie vragen : Ie. Waarom is de biecht voor velen begeerlijk ? 2e. Waarin bestaat het onzuivere van den biechtvorm der Roomsche Kerk ? 3e. Is de biecht voor ons, evangelische Christenen, noodig en mogelijk ?
Er zijn er, die bedreven kwaad niet willen verzwijgen en nu iemand zoeken, liefst een geestelijke, om de overtredingen, de zonden, op te biechten. Ds. Stegenga, die veler biechtvader geweest is, zooals hij vertelt, zegt, dat er menschen zijn die het een „genot" vinden om hun zonden nog eens te doorleven en die er behagen in scheppen zichzelf dan te veroordeelen, maar intusschen blijven ze, wie ze zijn. Dit is een van de laagste soorten van de biecht. Anderen zijn menschen met „het hart op de tong", die alles wat hen beweegt vertellen moeten. Weer anderen komen met verbrijzeling des harten en hebben behoefte aan samenspreking en aan bemiddeling tusschen het zienlijke en het onzienlijke. Wat men niet rechtstreeks uit Gods mond hooren kan, wil men uit 's menschen mond vernemen. Men wil dan weten, „wat God denkt en doen zal". En daarom zoekt men de biecht dan bij zulke menschen, dat men zich kan oriënteeren omtrent Gods oordeel; bij den geestelijke. Religieuse' behoefte aan bemiddeling drijft hen.
Tweeërlei oorzaak dus voor de biecht : psychische behoefte om bedreven kwaad niet te verzwijgen, en ook het verlangen naar religieuse bemiddeling.
Het verschil bij Rome en het Protestantisme is de Kerkbeschouwing; bij de Roomsche Kerkbeschouwing behoort de Roomsche biechtpractijk; bij de Protestantsche Kerkbeschouwing hoort de biecht, zooals Rome deze neemt, totaal niet. Rome maakt de geestelijke dingen zoo „practisch" en zoo materialistisch, zoo laag bij den grond — dat een Protestant weer ontnuchterd wordt, ook als hem aanvankelijk dit of dat wel bekoorlijk voorkwam. Bij Rome wordt alles zoo onzuiver en zoo ontoereikend. Zoo doet Rome alsof het Koninkrijk Gods verwerkelijkt wordt in het aardsche instituut van de Kerk. Het „Rijk Gods" openbaart zich in ambt, in uitwendige macht, in purper 33 en geld, in heerschappij zoo mogelijk over leven en dood der menschen — en de geschiedenis van Rome's Kerk is dan de geschiedenis van het rijk Gods op aarde !
Zoo ook met de loutering der ziel na den dood. Met gebeden, met geestelijke werken, maar ook met geld kan men iemand helpen „tot uitboeting van de tijdelijke straffen der zonden en tot zijn verbetering". Voor geld en goede werken en verdiensten der heiligen uit den schat der Kerk kan men zich gerechtigheid verschaffen. Het gaat over en weer, van den een op den ander, net als bij den girodienst!
Ook bij de biecht is het zoo. De Apostelen en hun opvolgers de Bisschoppen, en de door dezen goedgekeurde priesters (zooals er in het „Sacramentsboekje der geloovigen" staat) zijn de rechters over het geweten en moeten de geloovigen verplichten tot de biecht; en die zich tot de biecht begeven bewijzen daarmee een „gewillig hart" te hebben en dan volgt, naar de regels van de biechtpractijk, allerlei, dat dienen moet om de zonden te vergeven, maar zóó „practisch" en zoo „materialistisch" en zoo „grof" dat het voor een Protestant weerzinwekkend is. De Roomsche Kerk die zich opwerpt als „genade-instituut" vaart er intusschen wèl bij.
Ook in ons persoonlijk leven kan de behoefte bestaan aan een persoonlijk bekennen op bepaalde oogenblikken van zonden en nooden. Maar dan moet het niet in den weg van Rome, die biechtvaders aanwijst, om te heerschen over de gewetens en bekleed met de kerkelijke macht om de zonden te vergeven. Bovendien weet de geloovige, die bij Gods Woord leeft, dat het zoo waar is, wat God gezegd heeft: „Wentel uwen weg op Mij en Ik zal het maken". De Heere laat geen bidder staan. Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht. Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht". Rome's Kerkbeschouwing laat hier alles door middel van den priester gaan, maar de geloovige Protestant mag den Hoogepriester Jezus Christus kennen.
Dit is de korte inhoud van de eerste lezing. En dan volgt in de tweede een mooi „navertellen" van de geschiedenis van Naomi, Ruth en Boaz met een karakterteekening van ieder dezer drie hoofdpersonen. De „toepassing" hadden we gaarne anders gezien. Veel hooger ligt de strekking van dit boek Ruth dan ds. Stegenga aangeeft. „Het geheim van ons leven ligt in den Raad Gods. Het staat in het volle licht in Zijn verkiezing, in Zijn welbehagen". Zoo zien we Ruth—Boaz—David ! De hand des Heeren leidt alles. En dan moeten we menschen, personen zijn. Ons leed moeten we dragen, onze vreugd moeten we genieten ; we moeten naar Gods geopenbaarden wil doen en den weg kiezen dien wij moeten gaan. Om zoo te ervaren, dat de Heere is met degenen die Hem vreezen en dat uitvallen, die Hem loslaten.
De derde lezing gaat dan over moeilijkheden bij het vertellen van bijbelsche geschiedenis, waarbij vele goede wenken en practische raadgevingen worden gegeven.
Het boekje telt 80 bladz., is op goed papier en met heldere letter gedrukt.

Krishnamurti, door Roel Houwink. Uitgevers-Mij. „Holland", Amsterdam.
Een mooi boekje. Mooi door de keurige uitgaaf, mooi door den oriënteerenden inhoud. Het gaat over den „slanken, gebruinden man met zijn duistere oogen". „Ik voelde" — zoo schrijft Roel Houwink — „een diep medelijden met dezen eenzamen, ontwortelden mensch, die ver van zijn vaderland, in een taal, die de zijne niet is, moet spreken over dingen, die nimmer de helderheid van zijn bewustzijn hebben geproefd". „Ik geloof niet, dat die stem van God is. Ik geloof, dat die stem de zwakke, vertwijfelde stem is van onzen eigen tijd. Niets meer en niets anders". „Niet werd zij, deze stem van onzen tijd, in hem geboren als een lied of een beeld, als een tragedie of een symphonie, zij werd hem opgelegd door een persoonlijkheid, krachtiger dan de zijne". „Dat zich hier achter de landelijke coulissen van Ommen en elders een drama afspeelt, tragischer en verwikkelder dan er ooit zal worden geschreven, is voor ons, nadat wij Krishnamurti en Annie Besant, zijn geleidster, van nabij hebben mogen gadeslaan, tot een wel onbetwijfelbare zekerheid geworden".
De schrijver gaat dan spreken over hetgeen Krishnamurti bedoelt als hij het heeft over de Waarheid en het Koninkrijk des Geluks. (The King dom of Happiness is 't laatste boek van Kr. geweest). Er wordt dan gevraagd door den schrijver: Wat moeten wij zijn om den weg tot het Koninkrijk des Geluks te betreden ; wat moeten wij doen om het te bereiken; wat zullen wij er aantreffen, indien we er komen.
Bij de beantwoording van deze vragen gaat de schrijver na wat Krishnamurti zelf heeft geschreven. En het resultaat is, dat het een chaos gelijk is. Zinnen als „eerst moeten we waarlijk gelukkig zijn, waarlijk , en verlicht en verkeeren in waarachtige verrukking" ; „het eenige middel om dit Koninkrijk te beërven is het vergeten van ons zelf en de vereenzelviging onzer zielen met het Oneindige"; „het eenig te erkennen gezag, het eenig toelaatbaar gebod moet de Stem der Intuïtie zijn, dewelke onveranderlijk is en door niets ter wereld kan worden omgezet" — bewijzen, wat wartaal geschreven is. En zoo iemand schrijft dan ook nog : „Het verstand kan en moet voor zich zelf de waarheid vinden en onafhankelijk leeren bestaan in het Koninkrijk des Geluks; zonder geoefend verstand en aangeboren vlugheid van begrip kunt ge uw doel niet benaderen". Dan wordt er verder gesproken van Nirwana als het eene en volkomen Koninkrijk des Geluks. Doch om het te bereiken is „strenge oefening" noodig enz.
De schrijver, Roel Houwink, doet Krishnamurti volkomen recht door hem zelf telkens aan het woord te laten ; en het springt dan des te meer in 't oog, dat „die stem niet van God is". En „duizende Westerlingen die dezen Oosterling martelen met hun vooze, leeggevloeide levens" zullen teleurgesteld achterblijven.
De Ster uit het Oosten is trouwens reeds verdwenen. En het is geen verlies. Men leze dit mooie boekje, dat fijn geschreven is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

RONDOM DE LEESTAFEL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's