De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

29 minuten leestijd

OVER DE KERK. (7)
Wij hebben nu twee hoofdstukken uit het 4de Boek van „de Institutie", handelend over de Kerk „naverteld". In het eerste hoofdstuk (29 paragrafen) ging het „over de ware Kerk, met welke wij éénheid moeten onderhouden, omdat zij de moeder is van alle vromen". Calvijn legt daar sterk nadruk op de belangrijke plaats van de Kerk voor alle eeuwen. De geloovigen kunnen de Kerk niet missen ! Wat zou de wereld ook diep ongelukkig worden, als de Kerk verdween! Daarom moeten allen die God liefhebben en beven voor Zijn Woord, hun volle aandacht schenken aan de Kerk en het kerkelijk leven.
In het tweede hoofdstuk (12 paragrafen) maakt Calvijn een „vergelijking van de valsche met de ware Kerk", daarbij aangevende als de twee meest belangrijke merkteekenen van de ware Kerk : de zuivere prediking des Woords en de rechte bediening der Sacramenten. Waar de rechte prediking des Evangelies nog gevonden wordt en waar de twee Sacramenten des Heeren nog recht bediend wordenj daar is nog de ware Kerk, al zouden er overigens vele gebreken, ook groote gebreken zijn. Waarbij allen die God vreezen in de Kerk ook moeten bevorderen, dat alom het Evangelie gepredikt zal worden en de Sacramenten bediend naar den zin en de meening van 's Heeren Woord.
Dat Rome's Kerk het Woord over heel de linie heeft ingewisseld voor de leugen van den tyrannieken afgod en het Avondmaal overal gemaakt heeft tot een verfoeielijke afgoderij, waarbij allen gedwongen worden om aan alle gebeden, ceremoniën en afgoderijen deel te nemen, op straffe van ban en vloek, is de groote grief en ernstige aanklacht van Calvijn. De sleutelmacht bij Rome gaat over allen en alles, maar los van het Woord en los van Christus, dwingend tot leugen en afgoderij op straffe des doods.
De éénheid voor de Kerk van Christus ligt in geloof en Doop — en dat wordt bij Rome juist gemist; terwijl de geestelijken zoowel als de leeken bij alle handelingen tot het tegenovergestelde gedwongen worden, dan in Christus' Kerk thuis hoort. Calvijn voelt zich daarom ook gansch niet schuldig aan scheurmakerij ; hij heeft de Kerk van .Christus niet verscheurd en de Kerk des Heeren niet verlaten, door Rome's Kerk den rug toe te keeren. Want Rome's Kerk heeft Gods Woord verlaten en heerscht met dwingend gezag over allen. Daarbij kunnen degenen, die tot de Kerk van Christus behooren, niet leven ! Wat zij verlaten hebben is : de valsche Kerk.
In het derde hoofdstuk (16 paragrafen) wordt nu gehandeld „over de leeraars en dienaren in de Kerk ; over hun verkiezing en over hun ambt".
Eerst wordt dan gesproken over de plaats en de beteekenis der ambtsdragers. Vervolgens wordt dan gehandeld over de wijze van verkiezing tot het ambt.
De ambtsdragers, wie zijn ze, welke plaats nemen ze in in Christus' Kerk, wat is hun werk in het midden van de gemeente ?
Calvijn begint met te zeggen : De Heere is Koning in Zijn Kerk en regeert door Zijn Woord. Maar Hij is niet met zichtbare tegenwoordigheid onder ons, om ons in eigen persoon mondeling Zijn wil kenbaar te maken en te verklaren. Daartoe wendt nu de Heere den dienst van menschen aan, om door hun mond Zijn eigen werk te volbrengen. Hij zou het wel zonder die hulpkrachten, zonder die instrumenten kunnen doen ; Hij zou ook ander gereedschap hebben kunnen gebruiken, b.v. engelen. Maar er zijn verscheidene redenen, waarom Hij het liever door middel van menschen wil doen. Ten eerste blijkt hieruit Gods goedgunstigheid om voor menschen door menschen te spreken. Menschen zijn nu bij menschen Zijn gezanten, uitleggers, vertegenwoordigers! Ten tweede is het nuttig tot onze oefening in ootmoed en gehoorzaamheid aan 't Woord, ook al wordt het ons door geringe menschen gebracht. Als God Zelf van den hemel sprak, zouden allen wel luisteren; maar evengoed behooren zij het te doen, nu het ons door menschen gebracht wordt. Ten derde is het een zeer geschikt middel om de onderlinge liefde aan , te kweeken ; de één is herder — de anderen zijn leerlingen. We mogen niet in hoogmoed leven, alsof de een den ander niet van noode heeft, maar we moeten allen de zelfde leer vernemen van degenen, die van den Heere ons daartoe gezonden worden. Deze band heeft de Heere willen geven om de éénheid te bewaren en Zijn Kerk saam te binden rondom de leer der zaligheid. Deze heeft Hij, met het eeuwige leven, in bewaring willen geven bij de menschen om het door hunne handen aan de overigen mee te deelen. (Efeze 4).
Deze dienst van menschen, als gezanten Gods, is de voornaamste zenuw der Kerk. Daardoor zijn de geloovigen aan elkander verbonden in één lichaam. Zóó vervult Christus alle dingen. Dit Apostolische en herderlijke ambt is tot bewaring van de Kerk op aarde noodiger dan het licht en de warmte der zon, noodiger dan spijs en drank !
Gods Woord spreekt er van op treffelijke wijze; opdat het ambt bij ons, als eene zaak, die alle andere dingen te boven gaat, in de hoogste eer en aanzien zou staan.
Dat de Heere den menschen een bizondere weldaad schenkt door leeraars voor hen te verwekken, betuigt Hij, wanneer Hij den profeet (Jesaja 52 vers 7) beveelt uit te roepen, dat lieflijk zijn de voeten dergenen, die den vrede boodschappen, en dat hun komst gelukzalig is. Ook noemt Hij de Apostelen het licht der wereld en het zout der aarde (Matth. 5 : 13, 14). En dit ambt kon niet schitterender versierd worden dan toen Hij zeide (Lukas 10 vers 16) : „Wie u hoort, die boort Mij ; wie u verwerpt, die verwerpt Mij". Maar er is geen heerlijker plaats dan bij Paulus in den tweeden Corintherbrief (hoofdstuk 3 en 4) waar hij deze zaak als het ware opzettelijk behandelt. Hij beweert dan, dat er in de Kerk niets voortreffelijker of heerlijker is, dan de dienst des Evangelies, omdat die de bediening is des Geestes en der gerechtigheid en des eeuwigen levens.
Deze en dergelijke woorden hebben de bedoeling, dat het besturen en in stand houden der Kerk door middel van dienaars, hetwelk de Heere voor altijd bevestigd heeft, bij ons niet in verachting rake en eindelijk geheel verdwijne.
En hoe groot de noodzakelijkheid daarvan is, heeft Hij niet alleen met woorden, maar ook met voorbeelden verduidelijkt. Toen Hij Cornelius voller het licht Zijner waarheid wilde doen tegenstralen, zond Hij een engel uit den hemel, om hem te bevelen Petrus te ontbieden (Hand. 10 vs. 3). Toen Hij wilde, dat Paulus kennis van Hem zou krijgen en hem in de Kerk wilde inlijven, sprak Hij hem niet toe met Zijn eigen stem (Hand. 9 vers 6), maar verwees Hij hem naar een mensch, om van hem de leer der zaligheid en de heiligmaking des Doops te ontvangen. Indien het niet zonder reden geschiedt, dat de engel, die een uitlegger Gods is, zich onthoudt van het verhalen van Gods wil, maar beveelt een mensch te ontbieden om haar mede te deelen ; en als Christus, de eenige Meester der geloovigen, ! Paulus toevertrouwt aan de onderwijzing van een mensch, en wel dien Paulus, dien Hij besloten had op te trekken in den derden hemel en de wonderbare openbaring van onuitsprekelijke dingen waardig te keuren : wie zou dan nu dien dienst durven verachten, of als overbodig voorbij durven gaan, wiens nut God door zulke bewijzen heeft willen betuigen ?
(Wordt voortgezet).

DE SYNODALE WETSVOORSTELLEN (2)
Er zijn dus, door de Commissie, welke de Synode in 1930 benoemde (prof. Brouwer, prof. Lindeboom, dr. Niemeyer, dr. Van der Meene en ds. Vermeer) twee wetsvoorstellen ingediend „ter bevordering van het vreedzaam samenleven der richtingen". Het eerste voorstel is een invoeging van een nieuw artikel 14* in het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden en het tweede een invoeging van een nieuw artikel 86* in het Reglement op de Vacaturen.
De Commissie zegt, dat het zeer makke, gematigde, weinig beteekenende voorstellen zijn, omdat ze op het groote werk van de Commissie voor het groote-stads-probleem en de Commissie van Kerkopbouw wachtende zijn. Dit gaat dus maar zoo even onder de bedrijven door en beteekent niet veel.
Of dit nederige hoogmoed is, weten we niet. Maar in elk geval moeten we niet denken, dat deze voorstellen van weinig of geen waarde zijn en, dat we ze daarom maar stil onder den hamer moeten laten doorgaan op de a.s. Class. Vergaderingen. Want ze zijn van de grootste beteekenis en kunnen verstrekkende gevolgen hebben. De kerkeraden worden eenvoudig ten opzichte van een deel van hun macht beroofd en zullen door groepen, van menschen in de gemeente, op de meest willekeurige wijzen verhinderd worden om de verantwoordelijkheid te dragen voor een deel van de godsdienstoefeningen met prediking en Sacramentsbediening. Waarbij het tweede voorstel zelfs nog verder gaat en het beroepingswerk voor een gedeelte op de meest willekeurige wijze aan den kerkeraad ontneemt, zoodat een bepaalde groep officieel een eigen predikant kan beroepen en hebben, zonder dat de kerkeraad daar iets in te zeggen heeft. En dat, als een bepaalde groep maar verklaart „dat zij zich volgens haar geweten dogmatisch niet bevredigd acht met de wijze waarop in de plaats harer inwoning die verkondiging (van het Evangelie van Jezus Christus) geschiedt" (artikel 86*b). De bedoeling is, dat, waar de mogelijkheid bestaat om predikanten te beroepen voor bizondere werkzaamheden (b.v. voor de ziekenhuizen, voor stads-evangelisatie enz.) er nu maar van te maken : dat een kerkeraad verplicht is een dominé te beroepen voor een richtingsgroep, die volgens haar geweten dogmatisch zich niet bevredigd acht met de prediking ter plaatse, uit een voordracht van drie personen, door die groep in te dienen.
Als dit „onbeteekenende" voorstel dus aangenomen werd op de Classicale Vergaderingen en straks door een meerderheid in de Synode (waartoe de Modernen alles op haren en snaren zetten, getuige de „wonderlijke" verkiezing van dr. Niemeijer tot lid van de Synode !) dan zou b.v. de kerkeraad van Den Haag en de kerkeraad van Amsterdam en de kerkeraad van Utrecht en de kerkeraad van Arnhem, enz., straks verplicht zijn een Modern predikant te beroepen als er een  groep van Vrijzinnigen is die zich daarvoor opmaakt. En dat er zulke groepen zijn, die 't daarop aansturen zullen, is boven allen twijfel verheven. Dan zijn die Vrijzinnige predikanten — die volgens den kerkeraad van Den Haag enz. het Evangelie van Jezus Christus niet prediken, omdat ze de hoofdzaken van het Evangelie des kruises loochenen, officieel als predikanten erkend in gemeenten, waar de kerkeraad de verantwoordelijkheid draagt. En dan niet als predikanten voor buitengewone werkzaamheden in den zin, zooals in de Reglementen van onze Kerk bedoeld worden (ziekenhuis-predikanten, of voor stadsevangelisatie enz.), maar voor groepsprediking enz.
Dat hier geweld aangedaan wordt aan 't recht van den kerkeraad, wordt eigenlijk door ieder gevoeld. Ook in de besprekingen in Vrijzinnige bladen komt het uit, dat men wel voelt dat het niet in orde is wat men voorstelt. Waarbij komt, dat men misbruik maakt van de omschrijving „buitengewone werkzaamheden".
Voor ons zijn deze twee voorstellen absoluut verwerpelijk.
Dat mannen als prof. Brouwer en dr. Van der Meene hier gebruik maken van wat zij noemen „gewetenstucht", betreuren we. Bekend is hoe keurig en hoe radicaal door prof. Aalders van Groningen deze „gewetenstucht" verworpen wordt, getuige zijn boekje „Kerk en Kerken".
't Zou aanbeveling verdienen, als „Kerkopbouw" met dat wonderlijk beginsel van „gewetenstucht" in de Kerk naar de verstandige woorden van prof. Aalders wilde luisteren en de Modernen minder in de kaart wilden spelen.

FAMILIEBANDEN BREKEN OF STERKEN ?
Iemand van de Gereformeerde Kerken had voor „de Vragenbus" in „De Wachter", weekblad tot steun van de Theol. School van de Gereformeerde Kerken, deze vraag ingezonden: „Mag een belijdend lid der Gereformeerde Kerk een dienst bij wonen in de Ned. Hervormde Kerk, als in de Gereformeerde Kerk geen dienst wordt gehouden" ?
Het antwoord van ds. Knoppers, Geref. predikant te Amsterdam luidt als volgt: „Zulk een geval geldt natuurlijk een tweeden feestdag, b.v. 2den Paaschdag. Als dan ons eigen kerkgebouw gesloten is, gaan wij niet de gemeenschap zoeken bij anderen, waar wij zijn uitgegaan, omdat daar het Koningschap van Christus niet erkend wordt. Wij blijven dan thuis, en als wij ons stichten willen, nemen wij een boek of een predicatie. Zoo geven wij door ons doen een ander ook geen ergernis. En verder acht ik de tweede feestdagen vooral geschikt voor versterking en onderhouding der familiebanden".
Bij het lezen van deze regelen, geschreven door onzen collega in de Gereformeerde Kerk van Amsterdam, is er droefheid in ons harte gekomen. Wat een mentaliteit, wat een geestesgesteldheid wordt er toch helaas dikwijls aangetroffen bij onze Gereformeerde broeders en zusters, die kerkelijk gescheiden van ons leven, maar met wie we overigens zoo heel veel gemeen hebben en zoo dikwijls samen optrekken, om saam te werken in het belang van land en volk, van gezin, school en maatschappij. Wee indien een kerkelijk gescheiden broeder of zuster het krijgt over de Hervormde Kerk. Dan wordt men rood als een kalkoensche haan en wat er dan uitgegooid wordt is dikwijls niet veel goeds. Wat zeer te bejammeren valt.
Het is dus niet geoorloofd om op een tweeden feestdag, als er in de Gereformeerde Kerk geen dienst is (let wel!), de familiebanden met de Hervormde, broeders en zusters, die uit dezelfde geestelijke bron putten, bij hetzelfde Woord, leven, hetzelfde Evangelie liefhebben, hetzelfde lied zingen — te versterken en te onderhouden ?
Er wordt gesproken van „ergernis geven" door zulk familiebezoek in de Hervormde Kerk. Maar wie zijn het, die zich dan ergeren, als broeders en zusters in den geloove, op een tweeden feestdag, als er in de Gereformeerde Kerk geen dienst is, elkander in de Hervormde Kerk bij den dienst des Woords, opzoeken, om saam te vergaderen in Gods huis, onder de prediking van het zuivere Evangelie ?
Zouden we dan ergernis geven aan Jezus Christus, den Koning der Kerk, die bidt, dat de wereld iets zal mogen zien van de éénheid dergenen, die Zijn Naam belijden ?
We kunnen het ons haast niet voorstellen, dat de Heiland Zich zou ergeren, wanneer op een tweeden feestdag, als er in de Gereformeerde Kerk geen dienst is, broeders en zusters van de Gereformeerde Kerk te Bodegraven naar de Hervormde Kerk gaan, om daar mee te vergaderen in de Hervormde Kerk onder de prediking van den Hervormden bedienaar des Goddelijken Woords. Of in Barneveld, of in Ameide, of in Bennekom, of in Veenendaal, of in Ermelo, of in Schoonhoven, enz. enz.
't Is toch al zoo jammer, dat families uit elkaar gescheurd zijn door de scheiding en splitsing, die er op kerkelijk gebied in ons Vaderland heeft plaats gehad. En zou het dan „heilige" ergernis zijn, indien men in toorn ontstoken wordt, wanneer broeders en zusters in den geloove zich zoo nu, en dan eens vereenigden in het oude kerkgebouw, waar een geschiedenis van eeuwen tot ons spreekt, als daar het aloude Evangelie gepredikt wordt, zooals dat door Gods genade van tal van kansels mag worden gebracht aan de menschen?
We kunnen het ons niet voorstellen, dat het heilige ergernis dan kan zijn.
Ja — kerkistische fanatiekelingen ergeren zich dan natuurlijk. Voor zulke menschen is de Hervormde Kerk de incarnatie van allerlei goddeloosheid en gruwel. En dat moet vooral zoo blijven, meent men, in de oogen van hen die zich hebben afgescheiden. Anders zou ook toet heilige eigen huisje gevaar loopen Maar aan zulke eenzijdige, vleeschelijk gezinde menschen, behoeven we ons toch zeker niet te storen ?
Er is toch al zooveel verdeeldheid in ons Vaderland, in onze gemeenten, in onze families — och, dat de familieband, de geestelijke band die ons bindt, niet altijd wreed vanéén getrokken werd, maar dat men elke gelegenheid toch met beide handen mocht aangrijpen om den familieband toe te halen en te versterken !
Het zou in deze veelbewogen dagen, die de voorloopers zijn van veel bangere tijden, die komende zijn, waarlijk geen kwaad kunnen, indien men iets vriendelijker werd tegenover elkaar, ook op kerkelijk terrein, om ook daar. de waarheid te betrachten in liefde.

ONHEILIGE GEEST
Op het Pinksterfeest gedachten we, dat de Heere de volkeren bijeen wil brengen en toevergaderen tot de ééne, algemeene of Catholieke Christelijke Kerk, verspreid over alle deelen der aarde.
De Heilige Geest wordt uitgestort over alle vleesch. Wat door de zonde uit elkaar geslagen is, wil de Heere in den weg van Zijn Kerk, van Zijn Gemeente, weer bijeenvergaderen. Want we zijn van één geslacht, uit éénen bloede — maar de zonde heeft scheiding en scheuring gegeven, waar bij de geiïade genezing schenkt in den weg des geloofs. Daarom hebben onze Gereformeerde Vaderen ook als ideaal gekend : de internationale geestes en geloofsgemeenschap der Kerken.
Maar nu denken we aan de groote wereld, aan de volkerenwereld van de laatste jaren.
De volkeren waren tezaam gekomen, internationaal, waarbij de grenzen werden uitgewischt. Tusschen Engelschen en Fransen en Italianen was geen onderscheid meer. Groote éénheid onder de natiën. Allen op één hoop gedreven. Maar helaas ! met het zwaard in de hand, om elkander te verteren. Om over de landen uit te gieten een onheiligen geest, den geest van vijandschap en wraak, den geest van zonde, dood en verderf, van vloek en oordeel. Het Oosten is zelfs naar het Westen gekomen, blank en zwart en bruin stonden schouder aan schouder. De nieuwe wereld, Amerika, ging een verbintenis aan met de oude wereld, men heeft de zeeën doorkruist, men heeft de verste reizen gemaakt, om bij elkaar te komen, maar met het zwaard, het kanon, met gifgas. Onheilige geest! Een internationale is gezongen, nog anders dan de Socialistische ; een internationale door een waanzinnige wereld. En de volkeren zijn geslacht, de landen verwoest, de levens gedood, de wereld is in den grond geboord, door den onheiligen geest van wraak en afgunst en vijandschap. Moordklauwen hebben de volkeren afgeslacht. En de lange nasleep van ellende is niet uit te meten, is eindeloos; ook nu nog vol ellende voor heel de wereld.
En uit de ruïne stijgen telkens nieuwe zangen omhoog — liederen waaruit soms ons tegenklinkt een heimwee naar verandering en verbetering. Om elkander te zoeken, om saam te komen in conferenties en congressen.
Maar is er een andere geest gekomen, ; dan de onheilige geest van wraak en afgunst en vijandschap ? Voeren nijd en trots niet meer den boventoon ? Engeland, Frankrijk, Amerika, Duitschland, Italië, Rusland, China, Japan, Oost en West worden alle hartstochten beteugeld, onderdrukt, losgelaten ? Is het niet meer de onheilige geest, de geest van beneden, de wereld- en zondegeest die heerschappij voert ?
Gemeenschap zoekt men. De gemeenschap der Socialisten is internationaal. Proletariërs van alle landen, vereenigt u. Grijpt elkanders hand; trekt samen op. De wereld moet worden geholpen, veranderd, omgezet, verlost, vrijgemaakt.
Maar het is een onheilige geest, waarmee men is vervuld. Het is niet de Geest Gods, de Heilige Geest, de Geest van Christus.
De groote Werkmeester, de geestelijke Werkmeester, de Heilige Geest, is bezig de Kerk van Christus saam te vergaderen. De doodsbeenderen zullen elkaar vinden, om op te rijzen als een eeuwig wonder, naar Gods gemaakt bestek. De Heilige Geest is bezig te worstelen om de éénheid en volheid en vrijheid en zaligheid van Gods Kerk over gansch het rond der aarde.
De kracht des Heiligen Geestes is waarborg, dat de gemeente van Christus zal doorbreken tot aan de verste stranden.
De uitstorting van den Heiligen Geest op het Pinksterfeest is een feit geweest. Een feit, niet van de aarde, maar van den hemel. Dat is de hoop der toekomst.
Dat de Heilige Geest door Gods kinderen dan niet worde bedroefd, niet worde tegengestaan, niet worde uitgebluscht.
Dat de Heilige Geest mag worden begeerd en mag worden afgebeden van den hemel, door allen die den Heere vreezen, ééndrachtelijk, biddend bijeen zijnde.
Dat de hemel, die dikwijls als van koper schijnt, scheure !
Dat de druppelen des Geestes — van den - Geest van Vader en van Zoon, mogen nederdalen !
Niet de mensch-geest, maar de Gods-Geest.
Niet de aard-geest, maar de hemel-Geest.
Niet de vleesch-gemaar deest,  Heilige Geest.
Niet de zonde-geest, maar de Christus-Geest.

DE KOMST VAN GODS KONINKRIJK.
Gaande naar den Olijfberg, vroegen de discipelen, wanneer Hij Israël het Koninkrijk zou oprichten.
Maar de Heere kwam hun nieuwsgierigheid tegen en zeide, dat het hun niet toekwam te weten de tijden en gelegenheden, die de Vader in Zijne eigen hand gesteld heeft.
De bizonderheden van de gangen des Heeren zijn ons onbekend. En de verborgene dingen moeten we maar aan den Heere overlaten. Bij Hem zijn ze veilig genoeg. Wij behoeven ze waarlijk niet uit Zijne handen uit te nemen, om ze zelf te gaan verzorgen. Stil geloovig wachten past ons. Wat volstrekt niet hetzelfde is als met valsche lijdelijkheid vervuld te zijn. Want valsche lijdelijkheid komt uit het vleesch voort en het stil geloof niet; dat is werk des Geestes.
Het stil geloof richt het oog op „onzen Vader", die om Christus' wil onze Vader zijn wil. En de geloovige weet, dat onze Vader, in Christus, in de hemelen is. Pat beurt ons uit het aardsche uit en dat (joet ons telkens gelooven, dat we van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch mogen denken, maar hemelsch. „Onze God is toch in den hemel, Hij doet wat Hem behaagt" (Psalm 115 vers 3).
Zoo zal dan het Koninkrijk Gods komen op Gods tijd en langs de wegen, die de Heere Zich van eeuwigheid gedacht heeft. Daarbij zijn „voor Hem duizend jaren als één dag, en één dag als duizend jaren" — zegt Petrus tot de wachtende geloovige gemeente, die ongeduldig wordt. Als „geliefden" spreekt de Apostel de geloovigen dan aan (2 Petrus 3 vers 8) en hij zegt : vreest niet, de Heere vertraagt de belofte niet. Het komt gewis, wat Hij heeft toegezegd. En de geloovigen vlak voor de groote toekomst zettend (hoewel het nog duizenden jaren kan duren — want wat zijn duizende jaren voor den Heere, zijn ze niet als één dag ? ) schrijft hij : „Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbij gaan, en de elementen branden zullen en vergaan en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden". (2 Petrus 3 vers 10). Dan komt het groote nieuwe — zooals Petrus verder zegt in het 13e vers : „Maar wij verwachten naar Zijne belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke het Koninkrijk Gods komt. Het is komende. Het komt elken dag. En duizend jaren zijn voor den Heere als één dag en één dag als duizend jaren. Daarom wordt het altijd als vlak voor ons gesteld en intusschen blijft de volle openbaring nog uit.
In dat wachten en toeven van den Heere spreekt Gods lankmoedigheid.
Wij moeten daarom niet murmureeren, dat alles zoo langzaam gaat en dat het groote, het geweldige nog niet gekomen is en nog niet komt. „Acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid", zegt Petrus (2 Petrus 3 vers 15a). In het wachten spreekt des Heeren liefde ; „niet' willende dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen" (2 Petrus 3
Er moeten er nog velen, van de uitverkorenen, van de gekenden des Heeren, die geschreven zijn in het boek des levens des Lams, toegebracht worden ! Velen, duizenden, millioenen zijn misschien nog niet geboren. Velen, duizenden wellicht van degenen die nu leven, hebben het Woord der prediking nog niet gehoord en behooren óók tot de bruiloftsgasten, die zullen aanzitten met Abraham, Izaak en Jacob. Ze moeten nog opgezocht worden in de landen der aarde, waar nu de wildste volkeren wonen. En God zal hen straks den naam van Sions kinderen doen dragen. (Ps. 87).
Daarom zitten allen, die het Koninkrijk Gods verwachten, niet in valsche lijdelijkheid neer. Want de Heere heeft vanouds gezegd : „Nu moet uw tong de heid'nen nooden" (Psalm 96 vers 2). En de Heiland heeft al den Zijnen geleerd dagelijks te bidden : „Uw Koninkrijk kome", wat, volgens den Catechismus voor den Christ-geloovige dit inhoudt: „Regeer ons alzóó door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan u onderwerpen". Dat is het komen van Gods Koninkrijk in ons. Maar de bede gaat dan verder : „Bewaar en vermeerder Uw Kerk, verstoor de werken des duivels, en alle geweld, hetwelk zich tegen U verheft, mitsgaders alle booze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen". (Zondag 48).
De Heiland heeft bij Zijn hemelvaart ons gezegd, dat het Koninkrijk Gods veilig is in God Zelf. Hij weet de middelen en de wegen om Zijn Rijk in volkomenheid te doen komen, waarin God Zelf alles zal zijn in al de Zijnen.
Maar omdat de Heiland, als de goede Herder Zijn schapen kent, ook in hun vreesachtigheid, heeft Hij niet alleen gezegd, dat alles in de hand Zijns Vaders — die in Christus ook „onze Vader" wil zijn ligt. Maar Hij heeft er bij gezegd : wees niet bevreesd of ongeloovig. Mijn volk, Want het werk is wel groot, maar Mij  is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde.
Dat is als een tweede troost. De Vader heeft alles in Zijn eigen hand gesteld. Niet in handen van menschen (hoewel deze dikwijls in eigen oog veel wijzer zijn dan God !), noch in handen van engelen, veel minder in handen van satan en de duivelen. Neen, God van den hemel heeft alles in eigen hand gesteld. Kan het Veiliger ? Waarbij nu voor de gemeente des Heeren - deze tweede troostgrond komt, dat Jezus gezegd heeft: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde".
Nu is het heelemaal veilig ! Al gaat het nu nog zoo krom, al wikkelt zich alles in het duister, al kwamen er duizend vragen tegelijk op ons aanstormen, waarop het antwoord niet te geven is (de zaak van Gods . Koninkrijk is ook geen rekensom, geen natuurkundige proef, geen menschelijk vraagstuk of wat ook), de zaak staat dubbel veilig !
Zóó waarachtig als de Heere Jezus verhoogd is aan des Vaders rechterhand, zóó waarachtig verlangt Hij er naar, dat al de Zijnen, van Noord en Zuid, van Oost en West, van alle taal en tong, van alle vleesch — zullen worden toevergaderd; dat er niet één verloren zal gaan.
En het is het verlangen van Zijn Middelaarshart: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van vóór de grondlegging der wereld !
Verlangen de geloovigen, zeggende : Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk.
De verhoogde Heiland Zelf verlangt óók — en als Hij alles zal hebben toebereid in het huis Zijns Vaders, met de vele woningen, dan komt Hij en zal al de Zijnen tot Zich trekken.
Intusschen heeft Hij als bevel aan Zijn gemeente hier op aarde achtergelaten : „Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes ; leerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb" (Matth. 28 vers 19).
Heerlijk werk voor Gods Kerk van alle landen, om een verkondigster te zijn van het Evangelie.
Waarbij Gods Gemeente mag gelooven en belijden : „Dat de Zone Gods, uit het gansche menschelijk geslacht. Zich eene Gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in éénigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt" (Catech. Zondag 21).
Geve de Heere ons door genade te mogen gelooven en belijden : „van welke Kerk des Heeren ik een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven".
Uw Koninkrijk koom' toch, o Heer ! Ai! werp den troon des Satans neer ! Regeer ons door Uw Geest en Woord ! Uw lof word' eens alom gehoord, En d' aard' met Uwe vreez' vervuld, Totdat G' Uw Rijk volmaken zult !
(Het Gebed des Heeren : 3).

HET CHRISTENDOM EN DE HUIDIGE CRISIS.
Het Weekblad „Woord en Geest", hoofdredacteur ds. J. G. Geelkerken te Amsterdam' (Geref. Kerk H.V.) heeft aan verschillende personen de vraag voorgelegd : „Wat heeft het Christendom ten aanzien van de crisis, welke wij beleven, te zeggen" ? Verschillende antwoorden zijn ingekomen bij de redactie en deze worden nu achtereenvolgens gepubliceerd.
Wij nemen één der antwoorden, en wel van den heer H. J. van Wijlen, rustenddirecteur van de Kweekschool met den Bijbel, op geref. grondslag, hier over. Wie den heer van Wijlen kent proeft hem in het geheele stuk, eigenlijk in elken regel.
De heer H. J. van Wijlen schrijft: „Als zulke hooge vragen iemand worden voorgelegd, kijkt hij onwillekeurig even naar zijn eigen postuur en rekt zich op z'n teenen. Maar ook dan kan hij ze nauw onder de oogen zien, laat staan over de terreinen heenkijken. Als ik toch aan 't schrijven trek, is dat, omdat ik niet graag iemand een verzoek weiger. Misschien kan het geleverde dienen als voorbeeld, hoe een man uit het volk de zaken ziet.
Voor mij is de crisis, zooals wij die nu zien, een secundair verschijnsel, de buitenkant van een dieper liggend kwaad, welks genezing aan dien buitenkant wel met wat lapmiddelen kan worden bevorderd, maar niet afdoende bewerkt. Als in de dagen der Richteren Ammoniet en Midianiet het land verdrukken en verarmen, ligt de oorzaak aan den binnenkant, in de harten en huizen van het volk Israël. De profeten des Heeren leggen dat verband tusschen het geleide leven en den gevoelden druk bloot; zij wijzen ook het geheim der genezing.
Zoo was het toen, zoo is het nu. Hiermee zeg ik niets nieuws ; toch moet ik het weer herhalen : 't is de centrale waarheid, de spil van het werk, de oude kwaal, de oude remedie.
Lastiger wordt het vervolg van een ook maar gedeeltelijke beantwoording, zoodra wij ons zetten tot analyse en tot het wijzen van bijzondere verbanden.Een enkele opmerking dan. Uit alles blijkt, dat de maatschappij in haar geheel leeft boven haar stand ; door het meer weelderige leven is ook het peil van het zich ellendig, ongelukkig, arm gevoelen gerezen. Maar dat leven boven zijn stand is niet tot het stoffelijke beperkt, het is veel meer een psychisch gericht; wij leven een veel heftiger, een veel meer opgezet leven dan vroeger. Dat toont zich nu, dat voelt men nu in het stoffelijke, maar het eigenlijke kwaad zit dieper, in het geestelijke leven der Westersche menschheid.
Wij zitten in een wereld vol lawaai.
De religie, die maande tot vrede en rust, die riep tot gebed en meditatie, die kracht deed vinden in overgave, in wachten en berusten, in zwakheid menigmaal, werd teruggedrongen ; om plaats te maken voor ongebonden felheid en heftigheid van den autonomen, van God losgemaakten wil. Alles regeert bij overheid en in vrije organisatie mee ; ieder laat zich gelden, heeft een stem, voelt zijn waarde, uit zijn wenschen. En dat met een sterke egoïstische tendenz.
Waar de dienst van God zoo terugtrad, zweeg ook de derde bede van het Onze Vader, het „Uw wil geschiede" ; werd ook niet meer gehoord het 10de gebod, dat maande tot voorzichtigheid, tot beperking tegenover uit het hart opkomende begeerten. Vóór 1800 werd de groote menigte gehouden in algeheele minderjarigheid tot den dag van het sterven ; nu is, op de allerkleinste na, alles meerderjarig, heeft stem, heeft zijne tribune, althans zijn deel aan de tribune. De halve wereld is gemobiliseerd voor gezagszaken en - zaakjes ; er is een willen zonder scrupules met bijbehoorende, nakomende zorgen en angsten. Daarbij is deze laatste halve eeuw het lichte lokkende aas, dat niet troost, noch verzadigt, veeleer prikkelt en hongerig houdt, op speelveld, in spelzaal, in snoep-en drinkhuis — de lieve huiskamer met zijn lieve vreugd lei het af — vertienvoudigd. Het herinnert aan het woord uit Faust:
Mit wenig Witz und viel Behagen Dreht jeder sich in eigen Zirkeltanz, Wie junger Katzen mit dem Schwanz, Wenn sie nicht über Kopfweh klagen.
[Met weinig geest en veel zelfingenomenheid draait ieder rond in zijn eigen, kleine cirkeltje, zooals jonge katten spelen met hun staart, wanneer zij niet
over hoofdpijn klagen].
Daarbij hebben wij gekregen een nieuwe klasse van leiders, waarvan sommigen, gegrepen door het aanschouwen van menschenleed, een machtsschreeuw over de wereld galmen : Wordt machtig, vereenigt u !
Zoo zijn niet allen. Daartusschen loopen ook de machtsmenschen, de nieuwe keizers en koningen zonder kronen, toch met schepters, wier machtslust schuine en kromme wegen niet ontziet, om maar breeder rijen te lokken achter hun vaandelen. Wat niet zoo moeilijk is, als 't lijkt: in een klein kwartiertje toch leert men de menschen haten; om te leeren liefhebben was een heel leven nog té kort.
Zoo is de wereld vol begeerte, vol wenschen en willen. Wilsziek is zij. En vol strijdlust. Persoonlijk, ook sociaal en nationaal, tot zelfs in het kerkelijk leven. Alles richt zich een troon of een troontje op van critiek op anderen ; ieder op zijn manier en in eigen vormen, al naar rang en stand, ambt en beroep, ras en volk, land en provincie, leeftijd en temperament, in allerlei stadia van den trots, van den in hoogheid gezetene tot de kinderpraats van den opgeschoten zuigeling.
Er is een doorloopende rij van onbloedige slagen in de lucht. Wie gerekend had dat na den grooten oorlog, die wel bloed vroeg, de menschen wijzer zouden zijn geworden, keek verkeerd; zie eens op Duitschland.
Onze tijd, die God steeds meer verwierp, kan geen eenheid meer vinden, schijnt voort te moeten op den weg van een ongebreideld willen, en van den strijd dier opgezette willen, zonder of — straks weer — met bloed. Hij moet zich dood eten aan zijn durf, aan zijn heftigheid.
En de buitenkant van die crisis is de malaise.
Tegen die beide heeft het Christendom maar één middel, zijn oude Evangelie. Het mag en moet blijven prediken Christus, den Verlosser, Hem, die bad : niet Mijn wil geschiede, maar de Uwe. Zelf moet het Zijn Woord kinderlijk vasthouden en aan anderen overbrengen. Tegelijk moet het in den wandel toonen de kracht van zijn belijden, in waakzaamheid, in voorzichtigheid, in zelfbeperking tegenover het begeerleven. Tegenover de heftigheid van dat wereldsch begeeren moet het stellen zijn vurigheid van ijver voor 's Heeren Koninkrijk, tegelijk zijn matigheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid, onbaatzuchtigheid in het tijdelijke.
Aan de wereld moet de Christen toonen zijn dankbaarheid aan God en het waarachtig besef van het verbeurd zijn Zijner zegeningen, zijn leven in hope.
Hij oefene zich in trouwen arbeid, om uit den gewonnen schat ook anderen te kunnen mededeelen en zoo ook stoffelijk een stut te zijn voor wat wankelt in menschheid, in volk en kerk.
Bij onderling verschil pare hij aan de vurigheid van Paulus de bescheidenheid van Aquilla en Priscilla en wachte hij zich voor een navolging der wereld in haar felheid en meedoogenloosheid.
Voor alle dingen zij er een gedurig gebed om te verstaan eigen roeping, om getrouwheid voor God en Zijn Woord, een roepen om ontferming voor een wereld die zelf wel schreeuwt, maar niet bidt en niet bidden wil. Zeker, wij zijn dankbaar voor de rijke kennis, ervaring en wijsheid, die zich opmaakt om te brengen nieuw leven. Toch, er is maar Eén, die alle wegen weet en op den uitweg ons zetten kan, onze Vader in den Hemel. Hij zorgt voor ons ; Hij is onze hulp en ons schild, ons hart is in Hem verblijd en gerust."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's