JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
De ouders van den ongelukkige zijn bij het eerste vernemen van het onheil naar hun zoon gesneld, zoodat slechts de jongere kinderen kunnen vertellen wat ook zij weer van anderen hoorden. Ook op straat wordt hier en daar door huiswaarts keerende kermisgasten het geval nog druk besproken, waarbij de meesten het voor den ploegbaas opnemen en Jouke zelf den schuldige van dit vreeselijke onheil noemen ; een onheil, zooals hier in geen jaren is voorgevallen. Natuurlijk heeft het de verwondering van allen gewekt, dat hij aan de kermisvreugde deel nam en niet, zooals in andere jaren, met de Christelijke jongelui vergaderde. Al spoedig werd dit met Anneke in verband gebracht, zoodat de praatgrage menigte weldra een verhaal had samengesteld, waarin waarheid en verdichting waren dooreengemengd.
En tusschen dat alles door zeurt het orgel van den draaimolen onafgebroken zijn kermisdeunen en zingen half beschonken jongens en meiden, waarbij vooral de grondwerkers van de spoorbaan het leeuwenaandeel vormen, van hun kermislol en wordt de nachtrust der eerzame burgerij door anderen weer op even onaangename wijze verstoord.
Het laat zich intusschen denken hoe de stemming werd van hen, die zich van dit wereldsch genot hebben afgezonderd, nadat de eerste tijding van het voorgevallene is binnen gebracht; met ontsteltenis wordt vooral door de meisjes vernomen wat daar buiten heeft plaats gehad. Onwillekeurig gaat aller blik naar Anneke, die juist met Jap, Claar en Trijn in druk gesprek is.
Anneke wordt wit als een lijk. Zij behoeft niet te doen alsof zij zich niets van het geval aantrekt; haar geheele houding verraadt alles. Was zij maar weg van hier. Den ganschen avond lag het als een looden last op haar hart, dat er iets gebeuren zou, en toen zij Jouke niet zag in de vergadering begreep zij aanstonds, dat dit angstig gevoel met hem in verband stond. Dit zou dus zijn wraakneming zijn, dat hij vierkant inging tegen zijn gewone manier van doen. Zoo zou hij haar dus laten zien, dat hij het buiten haar kon stellen. Thans zou hij haar de schuld geven van al de ellende, die hij over eigen hoofd en over zijn familie gebracht had. Wie weet of ook anderen dit niet met hem zouden doen. Heel Kleiterp misschien en allen, die wisten dat zij hem geweigerd had. Een groote onrust maakt zich van haar meester. Opnieuw breekt de zelfde strijd, dien zij onlangs voor goed meende te hebben doorstreden, in nog grootere heftigheid los, waarbij al tijd weer de oude vraag naar boven komt, of zij wel goed deed met zoo te handelen. Had zij dan anders kunnen doen ? Mogen doen ? Moeten doen ? Had zij dan haar eigen leven en toekomst moeten opofferen, misschien de zaligheid harer ziel, door zich te verbinden aan een man, voor wien zij veel genegenheid heeft; voor wien zij zelfs meer liefde gevoelt dan zij zich tot hiertoe bewust was, maar met wien zij in het allervoornaamste verschilt ? En als deze vechtpartij hem nu eens het leven kost? Als hij nu eens bewusteloos de eeuwigheid ingaat, is zij dan niet mede aansprakelijk, omdat zij dit althans had kunnen voorkomen door hem met zachte hand te leiden en aldus langzaam voor haar overtuiging te winnen, zooals hij zelf gezegd had ? Zouden zijn ouders haar nu misschien niet gaan verwijten, dat zij door haar stijfhoofdigheid of haar dweepzucht of haar overdreven vroomheid — wie weet hoe men het zal uitleggen — méde-oorzaak is van zijn vroegtijdigen dood ?
Gelukkig maar, dat de voorzitter nu meteen het uur gekomen acht om te eindigen en in stilte huiswaarts te gaan. Immers, de getroffene was toch een hunner.
Als in een kort dankgebed ook Jouke's herstel gevraagd wordt en dat deze ernstige gebeurtenis bovenal nog een geestelijken zegen mag afwerpen, is er onder de aanwezigen vooral één, die meebidt.
Weldra is men buiten. Jap en Claar brengen Anneke thuis in gezelschap van Klaas Lolkes en Hein van den smid en worden daarna eveneens door beide jonge lieden naar hun woningen vergezeld.
Dat deze dag zooveel droefs zou brengen
HOOFDSTUK VII.
Een mooie zomeravond achter in Augustus. Den ganschen dag is het broeiïg in de lucht geweest, tot in den namiddag een hevig onweer, vergezeld van zware regenbuien, verfrissching bracht.
Thans is de rust in de natuur weergekeerd en zoekt alles wat leeft verademing in de frissche lucht. De bloemkelkjes, nog zwaar van de regendroppelen, trachten hun kopjes omhoog te heffen alsof zij wilden danken voor de ontvangen lafenis. Het vee in de weiden graast naar hartelust in den weelderigen overvloed, dien het maar voor het grijpen heeft. Het vogelenkoor zingt van tusschen de takken zijn avondlied. Nijvere spinnen zijn bezig in allen haast hun verbroken webben te herstellen, om straks de argeloos dansende mugjes te kunnen verschalken. De dartele dorpsjeugd vermaakt zich nog op luidruchtige wijze, terwijl de ouderen, genietende van de heerlijke koelte van het avonduur, onder den luifel voor de deur of op de brug, die over de dorpsvaart ligt, de nieuwtjes van den dag bespreken of ook bij den bouw van het spoorstation even buiten het dorp een kijk-' je nemen, om te zien hoe het werk, waar jong en oud nu al weken lang vol van is, vordert, omdat het Kleiterp zal opheffen uit zijn afzondering en in verbinding brengen met de hoofdstad der Provincie.
In het Westen, waar de zon zoo juist ter kimme is gegaan, lijkt de lucht één vlammenzee. Heel uit de verte komt het zachte geluid van een angelus-klokje en deinen de melancholieke tonen van een harmonica op, blijkbaar door den een of anderen boerenknecht aan dit instrument ontlokt.
Gansch de natuur ademt vrede. Ook op „Grovestins" zijn alle deuren en ramen geopend, om de welriekende geuren uit de oranjerie en het rosarium op den adem van de heerlijke avondkoelte naar binnen te doen stroomen.
Met de armen kruiselings op den rug wandelt Jonker Van Sterrenburgh tusschen de rozenperken, blijkbaar in diepe gedachten verzonken. Er is hem in de laatste dagen, en niet het minst in de laatste uren, veel door hoofd en hart gegaan.
Met bijzondere vaardigheid heeft Mollema zijn geliefkoosd paard afgereden, zoodat alle vrees en angst bij het dier geweken schijnt.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's