MEDITATIE
En ik zag geenen tempel in dezelve. Openb. 21 vers 22a.
DE STAD ZONDER TEMPEL.
Zeer heerlijke dingen worden ons van de stad Gods gesproken.
Op treffende wijze en in machtige beeldspraak vertelt ons de ziener op Patmos van hare schoonheid.
Het was op den dag des Heer en, dat hij, zijnde in den Geest, de toekomst van de volken der aarde en ook de toekomst van Gods Kerk zag.
Met beving in de ziel had hij het gericht over de volken gadegeslagen; in hevige ontroering had hij aanschouwd, hoe levenden en dooden geoordeeld werden, ieder naar zijn werk.
Maar dan ontrolt zich een ander tafereel voor zijnen geest, een tafereel, dat hem in zalige verrukking brengt.
Hij ziet het nieuwe Jeruzalem, nederdalend uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man versierd is. Het is al heerlijkheid, wat hij ziet. Alles is er verblindend schoon.
De twaalf poorten van de stad waren twaalf paarlen. Iedere poort was een paarl. En door die poorten schouwend in de stad ziet hij hare straat van zuiver goud, gelijk doorschijnend glas.
Alles wat Johannes aanschouwt, herinnert hem aan het aardsche Jeruzalem; maar dan oneindig veel schooner en heerlijker. Iets mist hij er echter en het is juist datgene, wat het aardsche Jeruzalem zoo heerlijk maakte.
Hij ziet immers in de stad geen tempel.
Geen tempel! Het heeft den ziener zonder twijfel een oogenblik in verwondering gebracht. Maar die verwondering wordt zalige vreugde, als hij verstaat, dat hier geen tempel meer noodig is, omdat de Heere, de almachtige God haar tempel is en het Lam.
Het nieuwe Jeruzalem is een stad zonder tempel. Dat is haar glorie, haar hoogste heerlijkheid. Want liet volk, dat daar woont, heeft geen verzoening meer van noode. De triumfeerende Kerk mag eeuwig rusten in God.
Maar hetzelfde, dat den hemel zoo rijk maakt, zou de aarde zoo arm maken.
De aarde kan er alleen nog zijn, zoolang er een tempel is. Aan den tempel hangt ze; door den tempel wordt ze gedragen.
Als de tempel van de aarde zal zijn weggenomen, moet ze wegzinken met al haar inwoners in den eeuwigen nacht.
De aarde kan niet bestaan zonder tempel. Dat kon ze eenmaal wel. Immers in het paradijs was geen tempel. De Eeuwige woonde in den staat der rechtheid in het menschenhart en deed hem daar smaken de schatten Zijner gemeenschap. Die gemeenschap is het eigenlijke levenselement voor den mensch, die beelddrager Gods is. En die gemeenschap genoot hij en hij zou haar steeds rijker genieten, als hij deed, wat God hem gebood.
Het werd echter verstoord, toen de mensch zondaar werd.
Weggezonken in het slijk der ongerechtigheid kon hij met God geen gemeenschap hebben. En eeuwig had hij haar moeten missen, als God Zelf op aarde geen huis gebouwd had, waar Hij zich aan zondaars kon openbaren en waar Hij door zondaars kon worden ontmoet.
Maar Hij heeft zulk een huis gebouwd. Hij heeft Zelf Zijn Zoon in de wereld ingebracht en in Hem de plaats bereid, waar Hij zich van zondaars laat ontmoeten. De zonde moest worden verzoend en aan al Gods gerechtigheid moest worden voldaan. Maar het is geschied. De stervende lippen van den Heere Jezus hebben het uitgeroepen : Het is volbracht! En de Vader heeft Zijn zegel gezet op het werk van den Borg, als de grafspelonk in Jozefs hof opengaat.
Op het offer, door den Zoon gebracht, verrijst het huis, waarin verloren zondaars God kunnen ontmoeten.
Het was door dit offer, dat zoowel onder Oud als Nieuw Verbond Gods kinderen plaatsen vonden, waar zij 's Heeren gunst mochten genieten en Zijn gemeenschap smaken.
Toen Jacob vluchtte voor het aangezicht van zijnen broeder Ezau, legde hij zich te slapen te Luz. Boven den harden steen, waarop zijn hoofd rustte, ging de hemel open en hij zag den ladder van de aarde naar den hemel en hij hoorde, hoe God daar tot hem sprak. Straks heeft hij gezegd : „De Heere is aan deze plaats en ik heb het niet geweten. Voorwaar dit is niet dan een huis Gods, dit is de poort des hemels." En hij noemde den naam dier plaats Beth-el, d.i. huis Gods.
Voor Gods oude bondsvolk was Jeruzalems tempel het huis des Heeren. In het heilige der heiligen achter het binnenste voorhangsel liet God zich ontmoeten. Zoo had Hij reeds aan Mozes beloofd. Boven het verzoendeksel tusschen de twee Cherubim zou Hij komen en spreken alles wat Hij te gebieden had aan de kinderen Israels.
Naar den tempel ging in machtig verlangen het hart uit van alle ware Sionieten. Ze verstonden David in zijn begeeren om te wonen in des Heeren huis om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in zyn tempel.
En wordt hij daarin ook in dezen tijd niet verstaan door allen, die aan eigen verlorenheid ontdekt oog kregen voor de schoonheid en heerlijkheid, die in den Heere Jezus Christus is?
Is er voor dezulken iets vreeselijker denkbaar dan te wonen in een stad zonder tempel ?
Is eigenlijk de stad zonder tempel niet de stad, waar allen wonen, die blind zijn voor de dingen van het Koninkrijk Gods ?
Is het ook niet de stad, waar zij wonen, die wel alleszins godsdienstig zijn, maar nooit zondaar voor God geworden zijn ; die niet door Gods Geest aan zich zelven zijn ontdekt ?
Ja, niet alleen wonen ze in de stad zonder tempel, maar ze zijn zelf zulk een stad, want ze kennen geen enkele plaats in hun leven, waar een altaar gebouwd werd. Voor alles is plaats in hun leven; maar geen plaats is er voor schuldbesef en verbreking des harten en daarom is er ook geen plaats voor den Christus Gods.
Het tegenbeeld, de vervulling van de stad Jeruzalem met haar huis Gods, is de gemeente van den Heere Jezus Christus. Zij is de heilige tempel, „gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is." In veel voller en heerlijker zin dan in het aardsche Jeruzalem woont de Heere nu met Zijn Geest in het midden der Gemeente. In veel rijker mate deelt Hij haar den rijkdom Zijner genade en geestelijke gaven mee.
Van geweldige beteekenis is de Kerk voor de stad dezer aarde. Zij is genoemd de kurk, waar de wereld op drijft. En terecht! Als de Heere Zijn Kerk zal thuis halen, zal de wereld niet langer kunnen bestaan.
Nog om een andere oorzaak is de Kerk van zoo groote beteekenis. Door haar wil God Zijn Koninkrijk doen komen op aarde. De gemeente moet naar de bedoeling des Heeren uitkomen en uitgroeien; zoo zal Zijn Koninkrijk komen. En in de komst van dat Koninkrijk wordt de ontplooiing gevonden van de heiliging van Gods naam.
Geen wonder dat de satan al zijn machten in beweging stelt tegen de Kerke des Heeren. Zij heeft van haren Koning de belofte ontvangen, dat de poorten der hel de gemeente niet zullen overweldigen. Hij Zelf bewaart en verzorgt haar. Hij schenkt haar hulp en redt haar keer op keer. Maar ze weet het, dat de aanvallen vreeselijk zijn die ze verduren moet van den geest uit den afgrond.
Deze aanvallen zijn ook gericht tegen de Kerk in haar optreden in het zichtbare, in de uitoefening der ambten, die de Heere haar gegeven heeft, en in de bediening des Woords en der sacramenten.
Weg met de Kerk is de leus der antichristelijke stroomingen van dezen tijd. De vorst der duisternis weet het wel, dat het „Zonder Kerk" in den regel eindigt in het „Zonder God".
Een stad zonder tempel op aarde is een stad voor den duivel.
Daarom — zoo zegt Calvijn — gaat ons het welzijn der religie ter harte, zoo moeten wij, zooveel in ons vermogen is, voor het welzijn der Kerk zorg dragen.
Geen tempel! Dat maakt de aarde zoo onbeschrijfelijk arm. Maar datzelfde maakt den hemel zoo onuitsprekelijk rijk.
Ze hebben den tempel een middel genoemd, waarvan God zich bedient om gemeenschap tot stand te brengen tusschen Zichzelven en Zijn volk. In den hemel is dat middel niet meer noodig.
Daar vlucht geen Jacob meer langs een eenzamen weg.
Daar doolt geen David meer als een uitgestootene over de bergen.
Daar is geen zonde meer, die scheiding maakt.
Daar zijn geen weenenden en geen treurenden meer.
Daar is de blijdschap volkomen door het licht, dat van Gods aanzicht straalt.
Geen tempel! Dat is geen armoede maar rijkdom. Want de tempel spreekt altijd van een tegenstelling, de tegenstelling tusschen de Kerk en de wereld. De tempel zegt, dat er een plaats op de aarde is, waar God Zich laat ontmoeten. Maar het nieuwe Jeruzalem is geheel van God vervuld. Daar wordt de gemeenschap tusschen God en de Zijnen nooit een oogenblik verbroken.
Geen tempel! Dat is geen gemis, maar heerlijkheid.
Er is in den tempel altijd een menschelijk element. Priesters en Levieten, Profeten en Apostelen zijn allen menschen. En het is door dat menschelijk element dat de harmonie zoo vaak verbroken wordt. Er is op aarde zooveel tempel-ellende. In het nieuwe Jeruzalem is niets meer, dat scheiding maakt. Daar zullen al de gekenden een lichaam zijn, samen zingend dat wondere lied, waarvan de grondtoon is : „Door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen".
Geen tempel ! Dat spreekt van geen tekort, maar van overvloed. De tempel is prediking van Christus, gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en een volkomen verlossing. Met Hem eindigt de Kerk eens in Hem, uit Wien en door Wien en tot Wien eeuwig alle dingen zijn.
Geen tempel! Dat is geen verlies, maar eeuwige winst. De tempel spreekt immers ook van den strijd, die gestreden wordt tusschen zonde en genade, tusschen leven en dood. Hij is een teeken van de worsteling tusschen den Geest, die uit God is en den geest der wereld. Voor die tempelsmart is ook geen plaats in het nieuwe Jeruzalem. Daar zijn Gods kinderen meer dan overwinnaar door Hem, Die hen heeft liefgehad.
Zonder tempel, dat is de ellende van den natuurlijken mensch op aarde. Ver van tempel dolen we rond. We hebben aan geen tempel behoefte want we weten niet, dat we God missen.
O, dat wij ontdekt mochten worden aan dat gemis !
Dat wij eens aan het eind mochten komen met onze zelfvoldaanheid en eigengerechtigheid
Nog staat Gods tempel in het midden van deze wereld als een teeken van Zijn groote genade.
Nog wil de Heere zondaars trekken tot Zijn huis opdat zij ruste vinden in het volbrachte werk van Zijn lieven Zoon.
Door den tempel heen leidt de weg naar het land, waar geen tempel is, maar waar God Zelf de Tempel is en het Lam.
Geen tempel meer! zoo roept de verdwaasde mensch van dezen tijd uit in zijn bittere vijandschap tegen God.
Gods Kerk hoort het en siddert. Ze ziet de wereld rijpen voor het oordeel. Maar van uit het stof gaat haar oog omhoog en ze vat al de heerlijkheid en blijdschap, die haar wacht in het nieuwe Jeruzalem, samen in hetzelfde woord : Geen tempel meer !
Amen.
H.
v. L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's