De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS.

10 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).
VIII.

De hemelen en hetgeen zij ons te aanschouwen geven, vertolken dus de heerlijkheid des Almachtigen, Zijne wijsheid en eeuwige onveranderlijkheid. En niet alleen komt deze prediking tot den natuurlijken mensch, maar tusschen hetgeen in de hemelen geschiedt en hetgeen op de aarde in verband met de komst van Gods Koninkrijk plaats grijpt, is een samenhang gelegd. Dat is zoo krachtens Gods scheppingsraad. Reeds in het eerste bijbelwoord wordt het ons gezegd, dat God hemel en aarde schiep. En nu is deze hemel niet alleen het firmament, maar ook de plaats, waar Gods Wezen zich nog veel klaarder openbaart dan in deze wereldorde, de plaats dus, waar Gods engelen verkeeren en Gods kinderen eenmaal allen zullen vergaderd zijn. Maar deze zienlijke hemelen boven ons, die de Psalmist bezongen heeft, dragen van dien hemel der heerlijkheid als een lichtend schijnsel dat boven het firmament ons uitwijst. Daarom worden zoowel de voor ons oog onzienlijke hemel, waarnaar Gods heiligen uitzien, als de sterrenhemel en wat wij als boven ons gewelfd aanschouwen, alle met één zelfde woord genoemd in de Schrift. Zij zijn onderscheiden, maar niet van elkander volstrekt afgescheiden. Zij hebben dan ook voor elkander beteekenis, hunne geschiedenis hangt saam, want zij alle zijn schepsel Gods. En als schepselen hebben zij elk voor zich een bepaalde functie in Gods openbaring. De gansche schepping toch moet Hem openbaren. Daarom zijn zij, opdat zij die taak vervullend, hunne eindbestemming zullen bereiken.
Eens toch waren alle dingen in Gods eeuwige gedachte één. En toen Hij Zijn Scheppingswoord sprak, schiep Hij den hemel en de aarde. Toen gingen dus vanuit de eenheid in God de dingen over in de tweeheid en van die tweeheid in de oneindige veelheid. En zooals zij nu in eene oneindige veelheid en verscheidenheid den oneindigen rijkdom van Gods wonder scheppend vermogen tot openbaring brengen, zoo zullen zij ook eenmaal op eene bijzondere wijze tot Hem wederkeeren. Zegt niet de apostel van Christus' koningschap, „want Hij heeft alle dingen zijne voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, die Hem alle dingen onderworpen heeft. En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden Dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen", i Cor. 15 vers 27, 28. Er is alzoo eene voleinding aller dingen, zooals er een begin was. En de wereldgang is van dat begin tot dat einde, van de eenheid in God tot eene andere eenheid in God. Deze laatste toch is eene andere, zooals er onderscheid is tusschen Gods gedachte en het schepsel, dat Hij oproept en waarin Hij Zijne gedachte tot geschapen werkelijkheid Blaakt. En zoo is die laatste eenheid in God, Waartoe de eerste leiden moet, eene eenheid, waarin de schepselen zelven deelen, Waaraan zij deelnemen, waarin zij eene functie vervullen, zóó, dat Gods heerlijkheid er uit te voorschijn treden zal op eene geheel eenige wijze. En daarom is er dus 6ene betrekking gelegd tusschen de hemelen, die wij zien en die Gods eer vertellen, en de komst van het Godsrijk, waarin de gansche schepping zal instemmen met het lied van den Godgewijden zanger : Alles, wat adem heeft, love den Heere !
De hemelen, die wij zien, hebben dus beteekenis ook voor het komende Godsrijk, evenals de gansche natuur. De Heere wijst er in Zijn Woord op telkenmale, dat er in de natuur eene wondere prediking is ook van de genade Gods. Riep niet de psalmdichter ons op tot dankzegging, tot een psalm op de harp ter verheerlijking Gods, omdat Hij het is, die de hemelen met wolken bedekt en voor de aarde regen bereidt en het gras doet uitspruiten op de bergen, het vee zijn voeder geeft en zelfs den jongen raven, als zij roepen.
Zoo is er dus ook in de natuur de sprake der liefde Gods te beluisteren, een evangelie, dat van de hemelen ruischt tot deze aarde in alle weldaden, die er voor de aarde gelegen zijn in haren band met den hemel. Het natuurlijke verschijnt in de Schrift steeds als de veronderstelling van de bijzondere genadedaden Gods. Het natuurlijke, zegt de apostel, is het eerste, daarna het geestelijke. En zooals dit nu is met betrekking tot den mensch, wiens natuurlijk lichaam gezaaid wordt, opdat er een geestelijk lichaam zal worden opgewekt, zoo is het nu ook met de hemelen. Deze hemelen hebben beteekenis voor de hemelen, die komen. Zij vertellen Gods eer ook in verband met het groote einddoel, dat de Heere Zich met Zijne schepping voorgesteld heeft. En daarom is er onlosmakelijke samenhang tusschen de hemelen, die nu zijn, en de hemelen, die komen, waarin de heerlijkheid van het goddelijke Wezen op zooveel klaarder en volkomener wijze in en voor de schepselen blinken zal. In de schepselen, omdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die de ziener op Patmos aanschouwde en waaruit het nieuwe Jeruzalem was nederdalende van God uit den hemel, de tabernakel Gods in zich draagt, zoodat gezegd kan worden : God zelf zal bij hen en hun God zijn. En daarom worstelt dan ook de Heilige Geest met de menschelijke woorden om die heerlijkheid aan Gods kinderen nader te brengen in de Schrift, opdat de diepe indruk van dien glans der goddelijke majesteit, zooals deze ligt over die schepping, zal worden gewekt in hunne zielen. De hemelen, die nu zijn, gaan toch op naar een nieuw scheppingsbeeld, dat de Heere van oogenblik tot oogenblik bezig is voor te bereiden en te doen komen. Reeds de profeet Jesaja ontvouwde dit inzicht in de scheppende werkzaamheid Gods. „Want ziet", zoo staat er geschreven, Jesaja 65 vers 17, „Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden en zullen in het hart niet opkomen". Ja, dit uitzicht is zoo zeker gesteld, dat het als een onderpand van Gods genaderijke belofte aan Zijn volk wordt gegeven. Immers diezelfde profeet getuigt met een beroep daarop: „Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor mijn aangezicht zullen staan, spreekt de Heere, alzoo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan", Jesaja 66 vers 22. Zoo ligt er dus in Gods Raad een levensverband tusschen de hemelen, die zich boven onze hoofden welven, en de volkomenheid van Gods volk in den nieuwen hemel, die ons wordt toegezegd.
En daaruit wordt het dan ook duidelijk, dat de Heere Jezus zelve tusschen de geschiedenis der hemelen, die onze oogen aanschouwen en waarin ook onze aarde als een zwevend stofje drijft, en het werk van Gods genade, waardoor ten laatste de Godsstad wordt opgeroepen, een verband legt. In die stad zal geene vervloeking meer zijn tegen iemand, omdat de troon Gods en des Lams daar staat, terwijl Zijne dienstknechten Hem zullen dienen. Daarin zal geen nacht zijn en geene kaars, noch zelfs licht der zon meer van noode wezen, omdat de Heere God er zelve het licht is. De hemelen, die nu zijn, hoe vast zij ook naar den indruk, dien zij op ons maken, gegrondvest werden, zijn toch slechts van een voorbij gaanden aard. Het is merkwaardig, dat het menschelijk bewustzijn in den loop der eeuwen van die vergankelijkheid der hemelen steeds een besef heeft gehad. Ook lange eeuwen voordat er van een moderne wetenschap sprake kon zijn, heeft de Psalmdichter daaraan reeds uiting gegeven. „Gij hebt", zoo zegt hij, „voormaals de aarde gegrond en de hemelen zijn het werk Uwer handen. Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven en zij allen zullen als een kleed verouden". Tegenover de tijdelijkheid der hemelen verschijnt hem Gods eeuwigheid. „Gij zult ze veranderen als een gewaad en zij zullen veranderd zijn", maar van God den Heere zegt hij: „Gij zijt dezelfde". Doch in dat wordingsproces is de Schepper zelve de eenige en al-werkende God, wien deze hemelen zijn als een kleed, dat Hij aflegt om er een ander voor in de plaats Zich te nemen. Zoo heeft ook Jesaja geprofeteerd van dien uiteindelijken ondergang. Hij roept ons op onze oogen op te heffen naar den hemel en te aanschouwen de aarde beneden. En om het ons als op het hart te binden, dat wij het tijdelijk karakter daarvan in acht zullen nemen, kondigt hij hunnen ondergang aan: „want de hemel zal als een rook verdwijnen en de aarde zal als een kleed verouden". En met die tijdelijkheid van hemel en aarde is nu ook gegeven de vergankelijkheid der menschen, want hare inwoners zullen van gelijken sterven. En tegenover dat voorbijgaande karakter, dat zelfs deze groote schepselen aankleeft, wordt nu als een tegenbeeld gewezen op de eeuwigheid van Gods heil en de onverbrekelijkheid Zijner gerechtigheid. (Jesaja 51 vers 6).
Zoo is zich dus van oude tijden de menschheid bewust van den voorbijgang dezer hemelen en dus ook van deze aarde. Niet alleen de heiligen Gods in de Schrift getuigen daarvan, maar vele volken der oudheid is datzelfde gevoel levendig geweest. Met name de Grieksche wijsbegeerte, een Heraclitus en de Stoïsche scholen, evenals de mythologie van Europeesche volken, spreken van een wereldondergang, waarin de aarde wordt besloten door de verbranding harer stoffen en die een nieuwe wereldvorming inleiden zal. Allen kennen aan deze wereldorde een begin toe en daarmede is ook haar einde aanvaard. Velen gelooven aan eene samenbotsing onzer aarde met andere wereldlichamen ; anderen spreken van het binnen-aardsche vuiur, dat den ondergang veroorzaken zal. Zoo wordt er gewezen op de plotseling lichtende en verdwijnende sterren als op de herauten van de groote wereldcatastrophe, die den sterfdag der aarde zal inluiden. Weer anderen spreken van een dag, waarin alle planeten in de zon zullen nederploffen en ondergaan. Ook de zon, zoo meenen anderen, staat niet stil. Ook zij wandelt door de ruimte heel het planetensysteem met zich meevoerend. En wij weten niet vanwaar zij komt, noch waar zij heenvaart. Milliarden hemellichamen bewegen zich met haar, want nergens is er in de hemelen rust en overal openbaart zich de aantrekkingskracht en niemand kan zeggen, hoe ten laatste alle krachten des hemels zich zullen bewegen en het al tot één vereenigd worden zal.
Er is ongetwijfeld een geweldige afstand tusschen wat de Ouden meenden te moeten gelooven en wat de moderne natuurwetenschap op grond harer ontdekkingen meent te mogen besluiten, maar hierin stemt tenslotte het menschheidsbewustzijn van alle eeuwen overeen, dat daarin het besef leeft van een wereldeinde. Er is eene wonderbare overeenstemming tusschen het natuurlijk bewustzijn der menschheid en het openbaringslicht, dat God in het leven Zijner kerk deed opgaan. Zij komen overeen in het woord van den apostel: „Gij, Heere, hebt in den beginne de aarde gegrond en de hemelen zijn werken Uwer handen ; dezelve zullen vergaan".
Zoo vertellen zij Gods eere den kinderen der menschen. Zoo prediken zij den eeuwigen, onvergankelijken God, gelijk zij den kinderen der menschen toeroepen, dat des menschen dagen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzoo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer en hare plaats kent haar niet meer. Ja, zoo prediken de hemelen de kleinheid van den mensch, zijne dwaasheid en die van de volkeren dezer wereld al te zaam. Want zij beelden zich hunne idealen in, zij worstelen en strijden dag na dag om de tijdelijke goederen, zij gaan allen op naar de groeve der verderfenis en zij zullen de rust niet smaken, tenzij zij komen tot het eeuwig licht van Hem, Wiens goedertierenheid is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's