JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Het gevolg is geweest, dat de Jonker hem op een avond bij zich had laten komen en hem gevraagd had of hij genegen was in vaste betrekking op „Grovestins" te blijven. Hij kon dan af en toe den ouden koetsier vervangen en voorts in de stallen dienst doen. Met een paar oogen, waaruit groote verrassing en blijde dankbaarheid spraken, had Douwe dit aanbod aangenomen en maar één bezwaar gehad; namelijk dat Lettinga, bij wien hij tot November verhuurd was, dit niet zou goedkeuren. Maar de Jonker had gezegd, dat dit geen bezwaar behoefde te zijn, omdat hij met dezen reeds had afgesproken dat hij voor zijn rekening zooveel hulp in de boerderij kon nemen als de afwezigheid van Mollema noodzakelijk maakte. Daarop heeft Douwe dit aanbod met beide handen aangegrepen, zoodat hij van af dien dag op het Slot in vaste dienstbetrekking is.
Het behoeft geen betoog, welk een vreugde dien avond onder het eenvoudig dak van den armen daglooner heerschte. Vrouw Mollema, wie de tranen van dankbaarheid over de wangen liepen, was zóó in de war, dat zij haar heelen pot met brij vergat, waardoor de inhoud sissend over de juist gepoetste kachel vloog. Sjoerd werd er aanstonds op uit gestuurd om Jap met 't heuglijke nieuws in kennis te stellen, die daarop van vrouw Brandsma vergunning kreeg om aanstonds na het avondeten dorpwaarts te gaan, ten einde haar ouders met deze blijde gebeurtenis geluk te wenschen. Toen is het feest geweest in den huiselijken kring. Natuurlijk kwam aan het vragen der kinderen geen einde. Of de familie nu bij het Slot moest komen wonen ; of vader nu ook zoo'n mooie jas met zulk een gouden kraag en gladde knoopen aan kreeg, zooals de oude koetsier er een droeg als hij met de familie uitreed, en dergelijke vragen meer. Voor Mollema zelf was het schier te groot. Hij durfde er niet aan denken dat hij in livrei gekleed zou gaan, en als Jap in haar opgewonden blijdschap vader voorstelt zittend op den hoogen bok, de lange rijzweep in de wit-gehandschoende hand, den hoogen hoed op, den langen rok aan, met een paar vurige schimmels in den teugel, dan wordt oudergewoonte de hand achter het oor gebracht en zegt hij : „houd op, meid, je brengt me geheel en al van mijn stuk".
Het einde van den dag is geweest, dat men samen den Heere heeft gedankt met de bede, dat deze onverwachte wending in het leven voor het gansche gezin, en kon het wezen ook voor anderen, ten zegen mocht zijn.
Natuurlijk merkten de buren ook wel, dat er iets gaande was ; er werd zoo druk gepraat en gelachen, én toen Jap ook nog, geheel tegen de gewoonte in, thuis kwam met een gelaat, waarop de vroolijkheid te lezen stond, kon Aaltje het niet langer binnenshuis uithouden. Zij moest er meer van weten, en daar niemand van de Mollema's buiten kwam, trok zij de stoute schoenen aan en ging vragen of er soms een verjaardag was.
Toen werd haar eenvoudig verteld wat er te gebeuren stond, waarop zij de familie geluk wenschte, maar op een wijze, waaruit duidelijk te merken was dat zij deze onderscheiding nauwelijks kon verdragen. Daarna is ook Theunis even binnen geloopen om buurman te feliciteeren ; mocht het eens wezen, dat de Jonker nog meer personeel noodig had, dan hoopte hy dat Douwe een goed woordje voor hem zou willen doen, omdat zulk een vaste betrekking hem ook wel zou lijken.
Dien zelfden avond nog wist een groot deel van Kleiterp, dat Mollema de gunsteling van den Jonker was geworden, waarbij het niet aan de noodige op- en aanmerkingen, zoowel ten goede als ten kwade, ontbrak.
De heer van „Grovestins" heeft inmiddels niet nagelaten zijn nieuwen knecht van tijd tot tijd eens gade te slaan als deze aan den arbeid was ; 't zij in de stallen bij de paarden, 't zij in het koetshuis voor het schoonmaken der rijtuigen of het poetsen van het gareel. Daar was iets in dien eenvoudigen man, die de wereld te rijk was nu hij den Jonker dienen mocht, wat hem aantrok. Was het de rustige kalmte, waarmede hij zijn werk deed ? Of de nauwgezetheid, waar mede hij alles tot in de onderdeden verzorgde, zoodat gerust wat tot zijn werk behoorde aan hem kon worden toevertrouwd ? Of de liefde, die hij had voor het vee ; in het bijzonder voor de paarden, die hem al schenen te kennen ? Of was het iets anders, iets hoogers, iets, dat eigenlijk niet onder woorden te brengen was, maar dat zijn oorsprong hebben moest in iets geestelijks, vrucht misschien van zijn geloof ?
Slechts eenmaal had de Jonker een gesprek met hem gehad, sinds Mollema in vasten dienst op het slot gekomen was, doch opnieuw had het hem bij die gelegenheid getroffen hoe die arme man, die zich thans zoo gelukkig gevoelde, over de geloofszaken sprak alsof het de meest natuurlijke dingen betrof en het van zelf sprak, dat hy deze aannam. Hij kende blijkbaar geen twijfel, geen ongeloof, geen aanvechting. In groote naïveteit, in heilige onnoozelheid sprak hij over alles, wat tot de onzichtbare wereld behoort, als over zoovele werkelykheden, die met de oogen gezien en met de handen getast konden worden. Voor hem bestond het geestelijke even zeker als het lichamelijke, het onzienlijke even wis als datgene, wat met de zintuigen kan worden waargenomen. Het geloof zat bij hem niet aan den buitenkant, maar was één met zijn leven.
Soms had de Jonker geglimlacht als hij hem 200 in allen eenvoud hoorde spreken over dingen, waarover de geleerden onderling het lang niet eens waren. Eens had hij op het punt gestaan te zeggen : „zalig zijn de dommen", om echter nog juist intijds te bedenken, dat dit woord hem zelf niet zou hebben geëerd tegenover zijn ondergeschikte en het bovendien nog de vraag zou wezen wie, met hetgeen hij wist, in de practijk van het leven en bovenal voor hetgeen in de toekomst te wachten stond, het verst kwam, hij, de ontwikkelde, bestudeerde man van aanzien en stand, of zijn arme, maar geloovige stalknecht. Waren bovendien de geleerden het niet in tal van dingen met elkander oneens ? Wierp de een niet even vlug omver, wat de ander met groote moeite had opgebouwd ? Zocht ook de wetenschap niet nog naar tal van dingen, die tot nog toe zelfs ook voor het scherpste oog verborgen waren ? En opnieuw was de gedachte bij hem boven gekomen, om den bijbel eens te gaan lezen ; dat wonderlijke boek, dat zooveel beroering in de wereld teweeggebracht heeft; dat door millioenen vereerd wordt als 't Boek, waarin de openbaring Gods tot deze wereld gekomen is; dat door anderen wordt verworpen als een verzameling legenden en fabelen ; dat door nóg anderen als ten vure is gedoemd vanwege hun haat en vijandschap tegen zijn inhoud — een boek, dat zijns gelijke nooit gehad heeft en ook nimmer krijgen zal.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's