De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

OVER DE KERK (9).
Calvijn handelt in zijn Institutie, Boek IV, Hoofdstuk III, par. 4 enz. over de ambten en maakt onderscheid tusschen de buitengewone ambten, die niet blijvend waren en de gewone ambten, die tot op dezen dag in de Kerk van Christus worden bewaard.
De Heilige Schrift noemt: ten eerste apostelen, dan profeten, ten derde evangelisten, ten vierde herders en ten slotte leeraars. De beide laatste n.l. herders en leeraars zijn dan de gewone en blijvende ambten, de overige kwamen alleen in het begin der Kerk voor en later — zoo zegt Calvijn - — „nu en dan in geval van nood".
We 'bemerken, dat Calvijn hier dus niet spreekt over het ambt van diaken. Dat wordt dan ook naar gereformeerd beginsel altijd onderscheiden van de andere ambten — doch daarover zullen we later nog wel spreken.
Allereerst noemt Paulus de Apostelen. Hunne bediening is voor éénmaal. Door Jezus Zelf verkoren en geroepen, was hun ambt grondleggend voor héél de Kerk, voor alle gemeenten, die in wezen en wortel één zijn en bij elkaar behooren, als het lichaam van Christus, levend onder één Hoofd. Dat apostelambt is van blijvende waarde geweest voor alle eeuwen, hoewel het ambt zelve nu is verdwenen. Het Apostolisch woord, zijnde Gods Woord, geldt nóg voor heel de Kerk van Christus, van alle plaatsen Zijner heerschappij, omdat de Heiland de Apostelen daartoe heeft verkoren. „De Apostelen zijn gezonden om de wereld van den afval tot de ware gehoorzaamheid aan God terug te brengen en Zijn Koninkrijk overal door de prediking van het Evangelie op te richten ; zij zijn de eerste bouwmeesters der Kerk, om haar fundamenten in de gansche wereld te leggen."
Aan opvolgers van de Apostelen heeft de Kerk van Christus, die bij het Woord leven mag, geen behoefte, want de Kerk leeft niet van menschen, maar de Kerk heeft het Woord Gods, dat zeer vast is en staat tot in eeuwigheid. Al die pogingen om weer Apostelen te „maken" zijn altijd bewijs, dat men meer aan het vleesch hangt, dan aan het eeuwig blijvend Woord van God. Daarom is het vermaan der Schrift ook nooit, dat de Kerk toch vooral zal zorgen, dat er altijd Apostelen zijn, maar wel, dat de Kerk het Apostolisch Woord, zijnde Gods Woord, niet zal loslaten maar zal bewaren en daarop zal voortbouwen. 2 Tim. 1 vers 13, 14 : „Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is ; bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, die in ons woont."
In de tweede plaats komen Profeten. Ook hunne bediening is gansch bijzonder geweest. We moeten onder hen niet rekenen allerlei uitleggers van den goddelijken wil, maar die met een bijzondere roeping en bijzondere openbaring bevoorrecht waren. Zij moesten het volk, bizonder in tijden van grooten afval, Gods Woord overbrengen en terugroepen tot de paden des Heeren, waarbij zij verwaardigd werden een bijzonderen kijk op de geschiedenis te hebben en een bijzonderen blik in de toekomst te slaan. Bij sommige profeten schaduwt de verschijning van Jezus Christus, Davids Groote Zoon, zich dan bizonder af.
Calvijn zegt: „tegenwoordig zijn zulken er niet, of niet zoo bekend" — van welke woorden wij niet recht verstaan, wat Calvijn er mee bedoeld heeft.
Met de Apostelen zijn de Profeten de grondleggers, de vaders, de geestelijke leiders van de Kerk van alle eeuwen. Efeze 2 vers 20 : „Gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen".
Wanneer Paulus in den brief aan de Corinthiërs spreekt over de profeten in de gemeente heeft hij op iets anders het oog, dan op de Profeten Gods waarvan hierboven gesproken is. In Corinthe waren er menschen, die in het midden van de vergadering der geloovigen opstonden en spraken om elkander te stichten — waarbij de tucht des Geestes spoedig ging ontbreken. Dat is nu overgegaan in de bediening des Woords, want ook daar moet het profetisch karakter niet over 't hoofd gezien worden. Doelende op die menschen, die in de vergadering der geloovigen opstonden om te spreken, schrijft Paulus : „Maar die profeteert, spreekt den menschen stichting en vermaning en vertroosting." Hier geldt het dus, in gezonden zin genomen, het spreken van een „stichtelijk woord" ; waarvoor wij in den geregelden dienst der Kerk hebben gekregen, de prediking des Evangelies en de bediening der Sacramenten, 't welk onder de leiding van Gods Geest, een vasteren vorm heeft aangenomen, dan in de eerste jaren van de eerste christengemeenten natuurlijk het geval was.
In de derde plaats komen de Evangelisten. Deze waren in waardigheid wel minder dan de Apostelen, doch kwamen, wat hun ambt betreft, hun zeer nabij. Zij traden als 't ware in hunne plaats op en worden hun helpers en medearbeiders genoemd. Barnabas, Lucas, Timotheüs, Titus e.a. worden als zoodanig vermeld. Misschien moeten ook de 70, die uitgezonden werden door den Heiland, er onder begrepen worden.
Van deze drie buitengewone ambten, die alleen in den beginne van de Christelijke Kerk geweest zijn n.l. Apostel, Profeet en Evangelist zegt Calvijn:
„Volgens deze uitlegging, die, naar het mij voorkomt, met de woorden en de bedoeling van Paulus in overeenstemming is, waren deze drie ambten niet in de Kerk ingesteld, om daar voortdurend te blijven, maar slechts voor dien tijd, in welken Kerken opgericht moesten worden, waar er te voren geen geweest waren, of althans Kerken van Mozes tot Christus moesten worden overgebracht. Trouwens, ik ontken niet, dat God ook later somtijds apostelen, of althans in hun plaats evangelisten heeft opgewekt, gelijk in onzen tijd geschied is. Want zulken waren noodig om de Kerk van de afwijking van den antichrist terug te brengen. Maar niettemin noem ik het een buitengewoon ambt, omdat het in behoorlijk ingerichte Kerken geen plaats heeft."
We moeten eerlijk bekennen, dat we niet precies begrijpen wat Calvijn hier nu eigenlijk bedoelt. Natuurlijk staat vast, dat Calvijn bedoelt te zeggen, dat deze drie ambten van apostel, profeet en evangelist alleen in den eersten tijd zijn geweest, toen de Oud Testamentische Kerk (Mozes) tot de Nieuw Testamentische Kerk (Christus) moest worden omgezet of daar waar geen Kerken waren (de Heidenen) Kerken moesten worden gesticht. Dus alleen voor de eerste tijden ; dus buitengewoon, extraordinair ; en slechts „éénmaal" mogelijk. Maar als Calvijn dan verder zegt, dat er ook wel tijden (van grooten afval en velerlei dwaling) kunnen komen, dat het ambt van apostel weer terug komt — dan begrijpen we dat niet. Ook vinden we het wonderlijk om zóó te spreken van het ambt van profeet. De Apostelen en Profeten zijn „éénmaal" geweest. Het Woord, door de Apostelen en Profeten gesproken, is gebleven (Ef. 2 vers 20). Maar het ambt is „éénmaal" geweest en komt niet terug ; althans niet in den zin, zooals we dat naar de Schrift moeten nemen.
Natuurlijk kan er wel een bizondere behoefte zijn aan mannen Gods, die, gelijk de Apostelen en de Profeten optreden door de kracht des Geestes, om de Kerk van leugenleer te bevrijden en van dwaalwegen te verlossen ; om de Kerk voor de aanvallen van den antichrist te behoeden. Maar dan zijn het toch niet „Apostelen en Profeten" in den zin van de Schrift.
Dat de Heiland als Profeet Zijn profetisch ambt voortzet in de bediening des Woords — is iets anders. Daarmee is het „ambt" van Profeet niet weergekeerd, zooals het vroeger was. De fundamenten zijn gelegd, het Woord is afgesloten en niet meer voor uitbreiding vatbaar. Een derde bedeeling is er niet en komt er niet. De Woord-openbaring heeft haar grens bereikt. „God voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon" Hebr. 1 vers 1. En dat is het Woord, dat onder ons gepredikt wordt.
Met de Evangelisten staat het ietwat anders. Ook dat was een buitengewoon ambt voor de helpers der Apostelen als zoodanig keert het niet weder. Maar hier voelen we, dat er tijden kunnen zijn, waarin bizonder werk moet verricht worden, om de Kerk van Christus voor den grooten afval, die rondom is, te bewaren, dat er groote behoefte is aan de verondiging van het Evangelie tot uitplaning van Christus' Kerk waar nog geen erk gevonden wordt. Dus het werk van vangelisatie in streken waar groote onerschilligheid heerscht en groote afval is ; onder de Joden (Mozes) en onder de Heidenen, Mohammedanen enz. Dus het werk an in- en uitwendige Zending.
Daarom kunnen wij ons denken, dat de Kerk zich in bizondere tijden op dat ambt van Evangelist heeft te beraden. „In behoorlijk ingerichte Kerken heeft het geen plaats" zegt Calvijn. Goed. Maar er zijn zoovele bizondere en buitengewone gevallen soms. Dan kan er wél plaats zijn voor Evangelisten, als medearbeiders en helpers.
We krijgen nu de gewone ambten. Maar daarover in een volgend artikel.
(Wordt voortgezet).

DE CLASSICALE VERGADERING.
Op den laatsten Woensdag van de maand Juni, dit jaar Woensdag 29 Juni, worden overal weer de Classicale Vergaderingen gehouden waar natuurlijk alle predikanten en alle ouderlingen, die daartoe door den Kerkeraad worden afgevaardigd, heengaan. Niemand mag daar ontbreken. Ten eerste omdat het onze plicht is. En ook hierin hebben getrouw te zijn. Maar dan zeer zeker óók, omdat we juist op de Classicale Vergaderingen onzen invloed moeten doen gelden. We hebben nu eenmaal onze Bestuurs-organisatie; en we belijden, dat zulks niet buiten de schuld en de zonden van onze Vaderen en ons, is omgegaan. Waarbij we van allerlei revolutionair gedoe ons verre houden. Waarbij we ons geenszins toeleggen op allerlei waardoor we onze Hervormde Kerk kunnen kapot maken of verscheuren; maar waarbij we niet mogen en niet zullen nalaten om met open vizier en blanke wapenen te strijden voor een andere kerkelijke organisatie, waardoor het Evangelie van Jezus Christus weer meer tot eere kan komen. Daarom hebben we ook op de Classicale Vergaderingen allereerst onze aandacht te geven aan de bestuursverkiezing.
In elke Classis zijn weer bizondere omstandigheden. Daarom kunnen we voor alle Classicale Vergaderingen saam geen algemeen geldend advies geven. De wijze moet tijd en plaats weten. Maar in 't algemeen willen we wel zeggen, dat we er naar moeten staan, flinke, kloeke, verstandige menschen in de Besturen te krijgen, die vóór alles willen opkomen voor neen, niet allereerst voor „onze" rechten, maar voor de rechten van den Koning der Kerk. Onze strijd moet gaan voor het Evangelie van Jezus Christus. We moeten er naar staan, dat onze aloude belijdenis weer meer tot eere mag komen en de Ned. Hervormde Kerk weer mag komen staan als een getrouwe getuige var Jezus Christus, als een pilaar en vastigheid der waarheid. Daar is nog een toekomst voor de Kerk onzer Vaderen in dezen lande, omdat de Heere haar nog niet verlaten heeft. Wat ons toeroept, om getrouw te zijn in het zoeken van het goede voor het huis des Heeren. Laat ons 't goede, dat God ons schenkt, niet verachten. En laat ons saam in geloove voortgaan, wetende dat het werk in den Heere niet ijdel is.
De Classicale Agenda geeft dan verder advies uit te brengen in betrekking tot de Synodale Voorstellen, zeven in getal.
Het eerste voorstel is om wanneer er ergens een onvoltallige Kerkeraad is de zaken zoo goed mogelijk te regelen. Tegen dit voorstel is o.i. geen bezwaar. Het tweede voorstel is : de invoering van een Kaartregister in elke gemeente. Iets wat wij ten zeerste toejuichen. Het zal onze gemeenten ten goede komen, geestelijk en stoffelijk.
De voorstellen III en IV slaan we even over. Daar komen we straks op terug, omdat dit zeer zeker de voornaamste schotel is van den classicalen maaltijd en we heel ernstig wiUen waarschuwen voor deze ver­dachte spijze, die de ellendigste uitwerking kan hebben.
Het Vde voorstel is om aan zendelingen, die 15 jaar dienst hebben gehad in Indië, de bevoegdheid te verleenen om predikant in de Hervormde Kerk hier te lande te worden. Wij zijn tegen dit voorstel. Niet omdat we geen hoogen eerbied hebben en groote achting voor zendelingen, maar in Christus' Kerk moet men de dingen niet door elkaar gooien. Alles moet eerlijk en met orde geschieden. En een zendeling is een zendeling en een dominé is een dominé. Als er evangelisten zijn die 15 jaar trouw en hard gewerkt hebben in een buitengewoon moeilijk te bearbeiden omgeving — dan verdienen die menschen ook wel een belooning. Maar het ambt van herder en leeraar moet niet op onordelijke wijze open gezet worden. En het ambt van bedienaar des Goddelijken Woords moet niet worden neergehaald, door een achterdeur te ontsluiten. Wij zijn dan ook niet vóór dit voorstel. Waarbij onze afkeer zéér, zéér vergroot wordt door het feit, dat de Synode dan zoo iemand de bevoegdheid van predikant zal geven. Waartoe de Synode natuurlijk nooit het recht heeft en ook het recht niet toe verkrijgen moet. Wij zullen dan ook persoonlijk onvoorwaardelijk tegen stemmen. Hier moet geen filanthropie den doorslag geven, geen medelijden, maar we moeten rechte wegen bewandelen.
De voorstellen VI en VII, beide van financiëelen aard, kunnen wat ons betreft, onder den hamer doorgaan. Denkt iemand er anders over, dan moet hij het ter Vergadering Woensdag 29 Juni maar gerust zeggen.
Wat nu de voorstellen III en IV betreft, daar achter zit de poging om „aan allerlei ongewenschte toestanden" een einde te maken — zegt het woord van toelichting. Wat zou dat heerlijk zijn, als dat in de Hervormde Kerk, als Kerk van Christus, als Kerk des Goddelijken Woords, eens mogelijk was. En hoe wil men 't dan doen ? Door eenvoudig de deur voor alles open te zetten „dan zijn we van al de moeilijkheden af" ! zegt de Synode.
De bedoeling is het vreedzaam samenleven te bevorderen en den partijstrijd te doen verminderen. Maar hoe ? door elke richting eenvoudig „recht" toe te kennen. Officieel wil men gaan erkennen, dat er richtingen en partijen in de Kerk zijn. En nu zoekt men geen middelen en wegen, dat de Kerk van Christus zich zal sterken in de belijdenis van den Christus Gods. Maar men wil aan alle partijen en alle richtingen evenveel recht geven; de eene partij is niet minder dan de andere partij ; en de eene richting is net zoo goed als de andere richting. En daarom moet het hek van den dam en er moet vrijheid komen voor alle richtingen in de Herv. Kerk. Zoo wil men „het vreedzaam samenleven bevorderen" zooals men zegt. Maar men kon beter zeggen, dat men de knuppel in 't hoenderhok komt gooien en dat men de partijstrijd op 't scherpst komt toespitsen. Waarbij de Kerkeraad eenvoudig op zij gezet wordt. Want er zou dan worden vastgelegd, dat de Kerkeraad eenvoudig verplicht is om te doen wat deze of die partij, groep of richting verzoekt. „De Kerkeraad is tot het nemen van zulk een besluit verplicht, wanneer een groep van gemeenteleden dit aanvraagt". De vraag komt, en men is verplicht „ja" te zeggen. Men mag er zelfs niet meer over spreken noch beraadslagen. De Kerkeraad moet toestemmen. Zelfs moet de Kerkeraad, onder zekere voorwaarden, een predikant beroepen tegen z'n overtuiging in. Want er staat „...dan beroept de Kerkeraad uit een voordracht van drie personen, door de groep in te dienen, een predikant uitsluitend voor het verrichten van bijzondere werkzaamheden ten behoeve van de groep."
In Amsterdam, den Haag, Arnhem, enz. enz., zou dus een Kerkeraad gedwongen worden om een predikant te beroepen b.v. voor een groep modernen ; uitsluitend voor de modernen.
Wel zal die groep dan den dominé moeten „betalen" ; maar onder de hand moet de Kerkeraad als Kerkeraad het toch maar doen ! Waardoor de rechten aan den Kerkeraad ontnomen worden, om alzoo dan vrede te maken in de Kerk ten opzichte van een bepaalde groep of richting !
Na alles wat we in vorige artikelen reeds schreven en nu hebben uiteengezet is ons advies dan ook, dat niemand, die het wél meent met onze Ned. Herv. Kerk, ook maar één woord ten gunste van deze twee voorstellen moet spreken en dat allen met kracht tegen zulke voorstellen moeten protesteeren. Allen, zonder onderscheid, moeten hier tegen stemmen. De Kerk van Christus moet op andere wijze worden gediend en geholpen !

AAN DE KERKERADEN.
De Synodale Voorstellen III en IV raken bizonderlijk de rechten van den Kerkeraad. Als er „een groep van gemeenteleden" komt, die jaarlijks eenige godsdienstoefeningen vraagt, welke geleid moeten worden door predikanten van die groep, met beurten voor Doop en Avondmaal en bevestiging van lidmaten, zal de Kerkeraad dit moeten toestaan, als Voorstel III wordt aangenomen.
Wanneer zoo'n groep schrijft, dat „zij zich volgens haar geweten dogmatisch niet bevredigd acht met de prediking", dan moet de Kerkeraad voor een andere prediking zorgen, die deze groep wel bevredigt ; dan moet er plaats gemaakt worden voor een andere Doopsbediening, voor een andere Avondmaalsviering, voor een bevestigingsbeurt voor lidmaten — geheel in den geest van die groep, die tegenover den Kerkeraad en tegenover de officiëele prediking en tegenover de officiëele sacramentsbediening staat!
Daar moet de Kerkeraad dan gelegenheid voor geven, Amsterdam zoowel als Nijkerk, Veenendaal, Oud-Beijerland, Apeldoorn, Maassluis, Woerden, enz. Dat moet de Kerkeraad dan toestaan. Als Voorstel is aangenomen wordt.
En dan gaat Voorstel IV nog oneindig veel vérder.
Daar wordt de Kerkeraad, onder bepaalde omstandigheden natuurlijk, verplicht om een partij-dominé te beroepen, die uitsluitend voor één groep Is, en in alle rechten moet staan in 't midden der gemeente, ook in den Kerkeraad.
Daarbij zal de Kerkeraad er dan bij de Kerkvoogdij moeten op aandringen, dat de belastingplichtige leden der groep van 9/10 van hun aanslag in de kerkelijke belasting worden ontheven. En dan zal de Kerkeraad verplicht zijn bij de Synode aan te kloppen, om voor den groepspredikant de gewone uitkeeringen uit de kas voor de predikantstractementen te ontvangen.
Wij meenen, dat hier de Kerkeraden krachtig moeten protesteeren en als één man front moeten maken tegenover deze fatale Synodale Voorstellen, die den richtingsstrijd op 't heftigst zullen doen ontbranden en die zeker en vast de treurigste conflicten zullen geven, waarvan het einde niet te zien is en voor duizenden die de Kerk, om Christus' wil liefhebben, een ramp zullen worden.
Daarom noodigt het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond, dat over deze zaak vergaderd heeft, al de Kerkeraden, die het wel meenen met Kerk en Volk, dringend uit, om aan de Synode een schrijven te richten als onderstaand.
Aan de Synode der Ned. Hervormde Kerk te s-Gravenhage.
Hoog Eerw. Heeren,
De Kerkeraad der Ned. Hervormde Gemeente te voelt zich ten zeerste bezwaard door de voorloopig door Uwe Vergadering aangenomen Voorstellen tot Reglementswijziging, genummerd onder 595III en 595IV, in de Toelichting getypeerd met de woorden „om aan allerlei ongewenschte toestanden een einde te maken enz."
Diep leeft bij hem de gedachte, dat voor allerlei ongewenschte toestanden in de Kerk op deze wijze de deur geopend wordt, met krenking van de rechten van den Kerkeraad, waarbij dwang zal worden opgelegd aan de Kerkvoogdij.
Met de officiëele erkenning van partijen en richtingen zal nu een begin worden gemaakt en op deze wijze is het einde niet te overzien. Maar het staat bij ons vast, dat, bij de krenking van officiëele rechten, om des beginsels wil de treurigste conflicten niet kunnen uitblijven en Kerkeraden en Kerkvoogdijen in het grootste gevaar komen, ja heel de Kerk zoodanig zal worden bewogen, dat inderdaad de ergste gevolgen te vreezen zijn.
Redenen waarom de Kerkeraad voornoemd Uwe hooge Vergadering beleefd en | dringend verzoekt Uwe eindgoedkeuring ; aan de Voorstellen III en IV te onthouden,
Dat Gods Geest, de Geest van waarheid en wijsheid. Uwe Vergadering besture tot zegen van de Ned. Hervormde Kerk en de zaak van Gods Koninkrijk.
De Kerkeraad,
Voorzitter.
X, Juni 1932.
De Kerkeraad,
Voorzitter.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's