STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN ZWARTE BLADZIJDE.
Het zal onze lezers reeds uit de dagbladen bekend zijn, dat het Wetsontwerp inzake de strafbaarstelling der smalende godslastering door de Tweede Kamer is aangenomen geworden, helaas echter, zonder dat daarbij aan de wenschen van hen, die gehoopt hadden op eene strafbaarstelling van de godslastering als zoodanig, werd tegemoet gekomen.
Van verschillende zijden uit de Kamer was op zulk een meer principiëele regeling aangedrongen.
Zelfs van Roomsch-Katholieken kant werd in die richting een warm pleidooi gehouden. Het was toch niemand minder dan de heer van Wijnbergen, die het onomwonden uitsprak, dat hij veel liever gezien had, dat men de godslastering zonder meer had strafbaar gesteld.
Evenwel al deze pogingen hebben niet het gewenschte resultaat opgeleverd. De Minister bleef aan zijn opzet vast houden, dat óók bij erkenning van de noodzakelijkheid godslasterlijke uitingen uit de openbare sfeer te weren — desniettemin niet de weg van de strafbaarstelling der godslastering als zoodanig moet en kan| worden gevolgd.
Hebben de voorstanders van de strafbaarstelling der godslastering zonder meer dus hun wensen niet verkregen, daarmede is niet gezegd, dat het Wetsontwerp, dat de goedkeuring van de Tweede Kamer kreeg, geen krachtige bestrijding van de actie der godloozen zal mogelijk maken.
Immers zal, wanneer het Wetsontwerp, na aanneming in de Eerste Kamer, in het Staatsblad een plaats krijgt, straf zijn gesteld, ten eerste op het zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen uitlaten op voor godsdienstige gevoelens krengende wijze en ten tweede op eene van den openbaren weg zichtbare plaats, stellen of gesteld houden van woorden of afbeeldingen, die voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn.
Met deze wetsbepalingen zal het, zonder met de Strafwet in aanraking te komen, niet meer vrij staan om in plaat of woord op schandelijke wijze God te hoonen en smalend te spreken van den Christus of van den Heiligen Geest, zooals dit telkens geschiedt in het Communistische blad D e Tribune of in de vergaderingen der godloozen.
Zoo de zaak staande, moet het niet weinig verbazen, om geen ander woord te bezigen, dat, toen tot stemming over het Wetsontwerp werd overgegaan, zich bij de Vrijzinnigen, Socialisten en Communisten, die tegen het pogen van Minister Donner, om aan het schandelijk optreden der godloozen een eind te maken, te hoop liepen, ook de Staatkundig Gereformeerden, wier woordvoerder in de Kamer ds. Zandt was, zich aansloten.
Het ging hier, evenals ten tijde van de behandeling der Winkelsluitingswet, waarbij een belangrijk stuk Zondagsrust verkregen wordt. Ook tegen deze wet stemden de Staatkundig Gereformeerden, die de gedragslijn volgen, dat als het meerdere niet kan worden verkregen, het mindere behoort te worden afgewezen.
De houding van de Staatkundig Gereformeerden was bij de stemming over het Wetsontwerp Donner intreurig. Zij verdient de volle afkeuring van heel het Gereformeerde volk in Nederland.
In hun orgaan De Banier klaagt ds. Kersten telkens : „Allerlei goddelooze vergaderingen worden in Nederland belegd, waar onderwerpen worden behandeld als „God is dood" en „God is het kwaad". De Nederlandsche Wet verhindert dit niet."
En als dan Minister Donner een wetsontwerp indient, dat uit zielsontroering over „de uitbraakselen der hel", zooals die bewindsman het optreden der godloozen in De Tribune kwalificeerde, werd geboren, dan stemmen de Staatkundig Gereformeerden met de Communisten samen, die met krijschende stem het den Minister toeriepen : „uw ontwerp richt zich tegen ons, die de eerbied voor. God uit .het. leven willen bannen" !
Is zulk een optreden van de Staatkundig Gereformeerden niet indroevig en ontzettend ?
Ds. Zandt schijnt van oordeel te zijn, dat de godloozen in Nederland met hun godslasterlijk bedrijf maar door moeten gaan, zonder dat de Overheid daartegen iets kan doen.
Het gebeurde op 1 Juni 1932 zal een zwarte bladzijde zijn in de geschiedenis van de politiek van de Staatkundig Gereformeerde partij.
EEN AFDOENDE WEERLEGGING.
Bij de behandeling van het ontwerp „Godslasteringswet" beschuldigde ds. Zandt professor Visscher van inconsequentie, omdat dit Antirevolutionaire Kamerlid, terwijl hij zijn wensch niet verkreeg, dat in het Wetsontwerp de godslastering zelve zou worden strafbaar gesteld, toch verklaarde zijn stem aan het wetsontwerp te zullen geven.
Tegen die beschuldiging van inconsequentie kwam professor Visscher in zijne goed gedocumenteerde repliek met grooten nadruk op.
Hij zeide ten aanzien van dit punt en mede ter verdediging van het Antirevolutionaire beginsel, dat door ds. Zandt op misleidende wijze was bestreden geworden.
Het komt mij des te vreemder voor, dat juist de heer Zandt met dit argument (inconsequentie) voor den dag komt, omdat, naar ik meen, er in deze Kamer eigenlijk geen groep is, die minder consequent is dan de Staatkundig-Gereformeerde Partij, waartoe de heer Zandt behoort. Want deze heeren stellen hier in de Kamer bij voortduring aan de Regeering absolute eischen met en overvloedig beroep op het Woord Gods. Daartegenover staat, dat, naar mijn oordeel, juist de antirevolutionairen het zijn, die er zooveel mogelijk naar streven de beginselen, waaruit ten slotte in den oorsprong ons volksbestaan is opgekomen, ook heden ten dage nog tot invloed te brengen; dat zij daarnaar streven met al hun macht, zij het ook met veel gebrek, doch dat zij in aanmerking nemen hetgeen mogelijk is en hetgeen niet mogelijk is. Ik ben van meening, dat de antirevolutionairen op deze wijze beter en in meerdere mate in overeenstemming zijn met de eischen van Gods Woord dan de geachte afgevaardigde dat hier gelieft voor te stellen.
Ik zal zulks juist met betrekking tot dit onderwerp duidelijk maken. Er staat letterlijk in Gods Woord, in Leviticus XXIV, vers 14 tot 16 : „Hij, die den Naam zal gelasterd hebben, zal zekerlijk gedood worden." Nu vraag ik : welke van deze consequente heeren heeft dien eisch doen hooren ? In de tweede plaats wijs ik er op, dat niet alleen de reformatoren, maar ook de Heere Jezus tegenover de Schrift van 't Oude Testament 'n geheel andere inconsequente houding hebben aangenomen, afwijkende van die dezer heeren. Zij zullen zich herinneren, dat door de farizeërs en de schriftgeleerden voor Hem gesteld werd een vrouw, die overspel had gepleegd. Volgens de wet stond daarop de doodstraf, maar Jezus zeide tot hen : „Wie van ulieden zonder zonde is, hij werpe den eersten steen op haar." Hij heeft, tegenover den absoluten eisch van de consequentie, die de farizeërs voorstonden, een geheel andere opvatting naar voren gebracht, die verband hield met de levensomstandigheden, waarin Hij verkeerde te midden van het Israël zijner dagen. Wat zien wij nu ? Dat deze heeren voortdurend roepen over wat Calvijn en de vaderen gedaan hebben. Calvijn heeft zelfs, met voorbijgaan van Leviticus, gezegd, dat de recidivist-godslasteraar gestraft zal worden met „trois heures au collier" en met gevangenis. Ook onze vaderen hebben bepaald — het is in de ordonnantiën van Friesland te lezen —, dat de godslasteraar of hij, die op smalende wijze spreekt over het geloof in God, in de gevangenis zou worden geworpen, op het schavot zou worden gebracht en dat hem de tong zou doorstoken worden. Nu zijn deze heeren, ondanks hun beroep op de ouden, toch niet met een beroep op dergelijke ordonnantiën in de Kamer gekomen tot dezen Minister en dat had de consequentie toch van hen gevorderd. De heer Zandt heeft immers ter sprake gebracht de plakkaten, die tegen Spinoza e.a. zijn uitgevaardigd. Nu stel ik daarnaast, dat in de dagen van de vaderen de toestanden in ons volksleven geheel andere waren dan nu. De plakkaten werden bovendien wel uitgevaardigd, maar van de uitvoering kwam weinig of niets. Als wij bovendien vragen, wat het gevolg is geweest van al die plakkaten, dan kunnen wij niets anders zeggen dan dat zij voor de ontwikkeling van het geestesleven van ons volk niet het minste resultaat hebben gehad. Wanneer wij antirevoluonairen op onze wijze in onze tegenwoordige levensomstandigheden worstelen, om in ons volksleven tot invloed en tot macht weder te brengen die beginselen, die de levensbeginselen zijn van Gods volk en de geloofsovertuiging van Gods Kerk, de idealen van het Gereformeerde volk, dan acht ik het een droevig en betreurenswaardig verschijnsel, dat in naam van een valschen onwaarachtigen schijn-consequentiezucht voortdurend tegenover ons argumenten te berde worden gebracht, die aan de eerlijkheid en waarachtigheid en waarheidszin van een iegelijk onzer onrecht doen. Daarom meen ik, dat tegenover een oppositie, als de heer Zandt zich tegenover mij veroorloofd heeft, het van belang is er op te wijzen, dat het juist de Staatkundig-Gereformeerden zijn, die met hun extra-ordinair beroep op Gods Woord absolute eischen stellen en dingen vragen, waarvan zij zelf kunnen weten — en waarvan zij door hun eed op de Grondwet ook zelf hebben bevestigd —, dat zij niet kunnen worden vervuld in dezen tegenwoordigen tijd, door welke Regeering ook. Dit nu acht ik geheel in strijd met de eischen van Gods Woord !
Aan dit betoog van professor Visscher hebben wij niets toe te voegen. Het lijkt ons alleszins afdoende.
Dat ds. Zandt bij rustige nalezing er zijn profijt mede moge doen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's