VAN DEN WOORDE GODS.
Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord.
(Nadruk verboden).
IX.
De hemelen vertellen de glorie van Gods Naam niet slechts door de wondere krachten, die zich daarin openbaren, noch ook alleen door de ontroerende schoonheid, die zij voor der menschen oogen onthullen. Maar bovendien verschijnen zij in de Heilige Schrift als deelhebbers in het proces der Godsopenbaring, als instrumenten in den ontwikkelingsgang van het heelal, dat naar zijne eindbestemming voortschrijdt. Ook daarin zullen zij voor de oogen van Gods heerlijk gemaakte Kerk de majesteit van het goddelijk Wezen doen uitstralen op eene wijze, die in deze bedeeling slechts in beseffen wordt benaderd. Hetgeen geen oog gezien heeft en het oor niet heeft gehoord en in het hart des menschen niet is opgeklommen, heeft God bereid dien, die Hem liefhebben. Dat uitzicht des geloofs leeft in liet hart van Gods gemeente, want de apostel zegt daarvan : „Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijnen Geest", 1 Cor., 2 vers 9 en 10. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde zullen dus den glans van Gods Wezen op veel klaarder wijze openbaren dan in deze oude hemelen, die voorbij zullen gaan, mogelijk wezen kan. Maar de schoonheid van den hemel, die nu is, wordt voor den door Gods Geest verlichten zanger profetie van het toekomstig ideaal der schepping, dat verwerkelijkt wordt, zoodra de bede van Gods Kerk en de belofte haar gegeven, in vervulling zal zijn gegaan. De ziener op Patmos heeft het ons verkondigd : „Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk, Amen. Ja, kom, Heere Jezus !"
Daarom is het dan ook, dat deze hemelen, waarin de dichter den Naam van Gods heerlijkheid lezen kon, in dat laatste bedrijf van het drama der wereldhistorie zulk een beteekenisvolle functie vervullen. In het zedelijk bewustzijn, dat ieder mensch in zich omdraagt als eene wondere verborgenheid, die in ons leeft en ons mede tot een redelijk schepsel, tot mensch maakt, is de zekerheid gegeven van onze verantwoordelijkheid en daarmede van het oordeel, dat over ons gaat reeds nu, en over ons gaan zal in de toekomst. Het geweten spreekt in allen zonder onderscheid. De conscientie geeft getuigenis en oordeelt. Zeker, ook van die conscientie geldt, dat zij den invloed van onzen val ondergaan heeft en ondergaat. Zegt niet de apostel, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid ? Inderdaad, vooral in onze dagen, die zich ook daardoor als de laatste dagen kenmerken, schroeien de menschen daar al te zeer hunne conscientie toe, zoodat het zondebesef verzwakt, soms zelfs als verstorven schijnt in de massa. Daarom is er zoo weinig behoefte aan het waarachtige Evangelie der genade Gods. Er zijn zelfs wijsgeerige, sociologische denkers, die hen als een resultaat hunner wetenschap openlijk uitspreken, dat in den mensch het verantwoordelijkheidsgevoel moet worden gedood, opdat hij eene onbewuste zedelijkheid zal doorleven. Doch als teeken des tijds moge zulke wijsheid toonen, hoezeer Gods Woord in vervulling gaat, de conscience, die zij willen dooden, is toch tenslotte onsterflijk in den mensch. Wij dragen dan ook de zekerheid in ons, dat wij geoordeeld zullen worden, ja, dat dit oordeel er reeds is. En het kan dikwijls worden waargenomen, dat de menschen, verhard in de zonde, jaren lang kunnen voortgaan op den weg des verderfs, totdat er een ontwaken komt, Waaraan zij zelven nooit meer hadden gedacht. Menig sterfbed leert het, hoe voor de poort der eeuwigheid de toegeschroeide conscientie kan worden opengespleten.
Inderdaad, een Godsoordeel gaat over de wereld in hare geschiedenis zelve. De wereldgeschiedenis, heeft Schiller gezegd, is haar gericht. De menschen ontkennen dit dikwijls. Het schijnt vaak ook anders. In 't boek Job wordt het ons geleerd, hoezeer voor ons menschen het kwade in deze wereld een mysterie worden kan. En denk slechts aan Asaph's klacht, die van Gods volk zegt, dat hun soms „wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt", zoodat zij zeggen : „zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? " Immers Asaph stond er verbaasd voor, dat er goddeloozen waren, die rust hadden in de wereld en wier vermogen vermenigvuldigde, terwijl Gods kind moest zeggen : „te vergeefs heb ik mijn hart gezuiverd en mijne handen in onschuld gewasschen". Den ganschen dag wordt soms de godvruchtige „geplaagd" en eiken morgen gevoelt hij zich als een gestrafte. Wie daarover peinst en ziet wat er in de wereld gebeurt, die staat voor het mysterie en komt soms tot twijfel en ongeloof. Hij ziet niets van dat recht Gods in en over de wereld, want het gaat dikwijls zoo anders dan wij met ons logisch verstand zouden verwachten. Doch dit is nu juist zoo treffend bij een man als Asaph. Hij kan ons door zijn voorbeeld leeren, dat toch de wereld en wat daarin geschiedt, nog met andere oogen kan worden gezien. Deze Godsman beproefde dat mysterie te doorgronden, doch het gelukte hem niet, totdat het oogenblik kwam, waarop hij in Gods heiligdommen inging. Daar ging hem het eeuwige licht op van Gods recht. En bij dat licht zag hij, dat het er niet alleen was, maar dat het ook werkte. Hij vestigde zijne aandacht op het einde dezer goddelooze gezegenden. En toen zag hij in de diepte hunner oordeelen. Toen merkte hij er op, hoe God zelve hen zet op gladde plaatsen, zoodat zij in verwoesting vallen, een einde vinden in verschrikkingen. Toen schouwde Asaph den glans van Gods recht, hoe al die voorspoed slechts een schijn was geweest, een schoone droom, die bij het ontwaken verdwijnt, hoe ten slotte de Heere „hun beeld veracht". Welnu, wie Asaph volgt bij het inzicht, dat hij in Gods heiligdommen verkreeg, die leert verstaan, dat Gods recht gaat over de wereld en zich daarin voltrekt. En de voltrekking van dat recht nu is het werk van Christus. Heeft Hij niet zelve gezegd : Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen ? De Vader, zoo zegt Hij, oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven. Joh. 5 vers 22. En dat oordeel des Zoons ving reeds aan met Zijne verschijning. „Nu is het oordeel dezer wereld", zoo sprak Hij, „nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden", Joh. 12 vers 31. En dat oordeelsproces, dat in Christus aan de wereld wordt voltrokken, vindt zijn eindontwikkeling in het laatste oordeel.
In die rechterlijke daad nu hebben de hemelen eene functie, waardoor zij Gods heerlijkheid verkondigen moeten. De apostel Paulus predikte den Atheners de bekeering tot God, daarom dat Hij eenen dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordeelen, door eenen man, dien Hij daartoe verordend heeft, verzekering doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de dooden opgewekt heeft. Hand. 17 vers 31. De Heere Jezus Christus is de maatstaf des oordeels, zoodat Hij, die onze Wetgever is, ook onze Rechter wezen zal. En van dezen Jezus staat nu geschreven, dat Hij alzoo zal komen, gelijkerwijs zij Hem naar den hemel hebben zien henenvaren. Zijne verschijning ten oordeel is de doorluchtige verschijning van Hem, van Wien Johannes getuigt: „Ziet, Hij komt met de wolken en aller oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben ; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven ; ja, amen", Openb. 1 vs. 7. Uit den hemel der heerlijkheid, waar Hij nu als onze verheerlijkte Middelaar en Voorspraak zijn Middelaarstaak voortzet, opdat Hij den zijnen plaats zal bereiden in het huis zijns Vaders, waar vele woningen zijn, uit dien hemel zal Hij wederkomen om in de wolken van dien hemel, dien wij met onze oogen aanschouwen, het werk des oordeels te voltrekken.
Als die ure daar is, zullen de hemelen, die wij zien, op zeer bijzondere wijze Gods heerlijkheid vertellen. De apostel Paulus spreekt daarvan in deze woorden : „want de Heere zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel". Hij zal het „ontwaakt gij, die slaapt" uitroepen over de dooden. En dezen, herrezen uit de groeve der verderfenis, uit de zeeën zelfs, die hunne dooden zullen wedergeven, zullen te zamen „worden opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht", 1 Thess. 4 vers 16, 17. En de Heere Jezus zelve heeft het geprofeteerd, dat in die groote, alomvattende eind-crisis, waarin het oordeel wordt voltrokken en het heelal zijne eindbestemming zal bereiken, „in den hemel verschijnen zal het teeken van den Zoon des menschen". Alle geslachten der aarde zullen weenen en den Zoon des menschen zullen zij zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid.
Zoo hebben dus de hemelen, die zich v/elven boven ons hoofd, die wij aanschouwen in het nachtelijk firmament of die als de blauwe koepel in de stroomen des lichts zich baden op den middag, eene beteekenisvolle functie in de werken Gods. In de natuur en in de werken van Gods genade hebben de hemelen de verkondiging van Gods heerlijkheid. Daarom wenken zij in dagen van donkerheid, als wij nu beleven, tot een opzien naar boven. Als op de aarde de donkerheid ons omgordt, als de oordeelen Gods als een zware last op de menschheid drukken, dan kunnen in dat duister de lichten aan den hemel getuigen, dat achter alle wolken ten slotte het licht gloort. De wolken zelven hebben een lichtzoom, die ons verkondigen kan, dat achter die wolk het licht golft van de zon, welker uitgang is van het einde des hemels en haar omloop tot aan de einden deszelven. En ook van die laatste beteekenis der hemelen in de voleinding aller dingen geldt, dat achter dit oordeel, waarin hunne krachten worden bewogen, aanlicht de morgen der heerlijkheid voor Gods kinderen. In die ure vooral zullen zij vertellen Gods eer en al het schepsel zal in dien jubelzang medestemmen. De heerlijkheid van Zijn recht en de wonderheid Zijner liefde zal worden ervaren, wanneer de ouderlingen zullen aanheffen : Gij, Heere ! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen en door Uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's