De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

OVER DE KERK. (10).
In Boek IV, hoofdstuk III, par. 5, gaat Calvijn over tot de bespreking van de gewone en blijvende ambten in de Kerk van Christus. Genoemd worden dan de Herders en de Leeraars, waarbij deze onderscheiding wordt gemaakt, dat de Leeraars de meeste overeenkomst hebben met de Profeten, uitgenomen de bijzondere openbaringen, en de Herders met de Apostelen. De Leeraars (doctores) zijn niet voor: de beoefening van de tucht, de bediening der Sacramenten, het doen van vermaningen en opwekkingen — maar alleen voor de uitlegging der Heilige Schrift, opdat de rechte en gezonde leer onder de geloovigen behouden mag worden.
De Herders zijn degenen die dezelfde taak hebben als de Apostelen, behalve dat zij ieder bepaalde hun toegekende Kerken of gemeenten regeeren. Zij moeten tucht oefenen en de Sacramenten bedienen en vermaningen en vertroostingen uitdeelen. Immers heeft de Heiland aan de Apostelen bevolen, dat ze het Evangelie zouden prediken en de geloovigen moesten doopen tot vergeving der zonden. Terwijl Hij tevoren had bevolen, dat ze de heilige teekenen van Zijn lichaam en bloed naar Zijn voorbeeld zouden uitdeelen. Ziehier eene heilige, onschendbare en eeuwige wet, opgelegd aan hen, die in de plaats van de Apostelen opvolgen, waardoor zij een bevel ontvangen aangaande de prediking van het Evangelie en de bediening der Sacramenten.
De last van de Herders is alzoo : het Evangelie te prediken en de Sacramenten te bedienen. 1 Cor. 4 vers 1 : „Alzoo houde ons een ieder mensch, als dienaars van Christus, en uitdeelers der verborgenheden Gods". Evenzoo in Titus 1 vers 9 : „Een opziener moet vasthoudend zijn aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen".
Uit deze en dergelijke plaatsen, die men verscheidene malen tegenkomt, kan men opmaken, dat ook in het ambt der Herders deze twee voornaamste deelen zijn, het Evangelie te verkondigen en de Sacramenten te bedienen.
Het onderwijzen nu bestaat niet slechts in openbare predikatiën, maar strekt zich ook uit tot de persoonlijke vermaningen. Zoo haalt Paulus de Efeziërs als getuigen aan (Hand. 20 vers 20), dat hij niets achtergehouden heeft van hetgeen hun nuttig was, dat hij hun niet zou verkondigd en geleerd hebben in het openbaar en in de huizen, betuigende beiden Joden en Grieken, de bekeering tot God en het geloof in Christus.
In het kort kan dus gezegd worden, dat de Herders hebben te beloven, bij de aanvaarding van het ambt, dat zij de Kerk zóó zullen leiden, dat het hun niet te doen is om een waardigheid zonder arbeid te bekleeden ; maar om het volk door de leer van Christus tot de ware vroomheid te onderwijzen, de heilige Sacramenten te bedienen en de rechte tucht te onderhouden en te oefenen. Want de Heere verkondigt (Ezech. 3 vers 17) aan allen, die als wachters in de Kerk gesteld zijn, dat indien iemand door hun onachtzaamheid in onwetendheid omkomt. Hij zijn bloed van hun handen zal opeischen. Op hen allen past óók wat Paulus van zichzelf zegt (1 Cor. 9 vers 16 ): „Wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig, daar de uitdeeling mij toebetrouwd is".
Kortom, wat de Apostelen aan de gansche wereld gedaan hebben, dat moet iedere Herder doen aan zijn eigen kudde, voor welke hij bestemd is.
Aan de plaatselijke Kerk behoort de Herder toe ; ieder voor zijn eigen gemeente aansprakelijk zijnde.
Doch, wanneer wij aan een ieder zijn eigen Kerk toekennen — aldus Calvijn — zoo ontkennen wij intusschen niet, dat hij, die aan één Kerk verbonden is, ook andere Kerken kan helpen, hetzij wanneer er zich eenige verwarring voordoet, die zijn tegenwoordigheid vereischt, hetzij van hem over een of andere duistere zaak raad gevraagd wordt.
Maar omdat tot behoud van den vrede der Kerk die orde noodig is, dat aan een ieder is voorgeschreven, wat hij te doen heeft, opdat niet allen rumoerig zijn, zonder roeping onrustig overal heen loopen, ol allen op goed geluk naar één plaats saamstroomen — zoo moet deze verdeeling, voor zoover het kan, algemeen in acht genomen worden, opdat ieder, met zijn eigen grenzen tevreden, niet in het gebied van een ander binnendringt. Ook moet men gemakzuchtig z'n eigen gemeente maar niet telkens verlaten, om ergens elders heen te gaan.
En dat is geen eigen vinding — zegt Calvijn — wanneer hij dat schrijft, maar het is een instelling van God Zelf. Want wij lezen (Hand. 14 vers 23) dat Paulus en Barnabas in alle kerken te Lystre, Antiochië en Iconium ouderlingen verkoren hebben ; en Paulus zelf gebiedt aan Titus, dat hij in alle steden ouderlingen moet stellen. (Titus 1 vers 5). Zoo maakt hij elders melding van de opzieners der Filippenzen (Fil. 1 vers 1), en elders van Archippus, den opziener der Colossenzen (Col. 4 vers 17). Ook hebben wij bij Lucas een vermaarde predikatie van hem tot de ouderlingen van de Kerk te Efeze (Hand. 20 vers 18).
Al wie dus het bestuur en de zorg van één Kerk op zich genomen heeft, die wete, dat hij aan deze wet der Goddelijke roeping gebonden is. En nu is het wel niet zóó, dat een opziener zich nooit zou mogen losmaken van zijn gemeente en er zou moeten blijven tot z'n dood toe. Maar toch acht Calvijn den Herder zóó gebonden, dat hij niet op eigen gezag mag weggaan, maar het openbaar oordeel van anderen moet afwachten.
In de Schrift worden door elkaar genoemd : die de Kerk regeeren — opzieners — ouderlingen — herders en dienaren, zonder dat er bepaald onderscheid gemaakt wordt. De Schrift kent den titel van opziener toe aan allen, die den dienst des Woords waarnemen. (Titus 1 vers 5, 7 ; Fil. 1 vers 1 ; Hand. 20 vers 17, 28).
In Rom. 12 vers 7 en 1 Cor. 12 vers 28 maakt de apostel Paulus nog van andere ambten melding en wel van : krachten ei\ machten, de gave der gezondmaking, de uitlegging, de regeering en de verzorging der armen. „Van die ambten" — zegt Calvijn — „laat ik die weg, welke tijdelijk geweest zijn ; want het is niet de moeite waard daar lang bij stil te staan".
Maar twee zijn er, die voortdurend blijven : de regeering en de verzorging der armen.
De Regeerders zijn dan de ouderlingen of oudsten, uit het volk verkoren, om met de opzieners of herders opzicht uit te oefenen over den wandel der leden en om de tucht te bedienen. (Rom. 12 vers 8) : „Die regeert, doe zulks met zorgvuldigheid".
„Dus heeft van het begin af iedere Kerk haar raad (presbyterium) gehad, verkozen uit vrome, ernstige, geheiligde mannen, bij wien de rechtsspraak ter verbetering der gebreken toerustte.
„Dit ambt der regeering, dat door alle eeuwen geweest is, is voor alle tijden noodzakelijk". (Wordt voortgezet).

ONAANNEMELIJK.
Zonder eenig voorbehoud moeten de Synodale Voorstellen III en IV verworpen worden. Zóó verworpen worden over de breedte van heel de linie : Ethischen, Confessioneelen en Gereformeerden, dat er geen twijfel overblijft, dat allen die den Christus Gods belijden van deze en dergelijke Voorstellen, die de Kerk van Christus willen te gronde richten, niets moeten hebben.
Tal van „ethische" stemmen hebben zich reeds tegen verklaard Het Algem. Weekblad voor Christendom en Cultuur heeft druk werk gehad door „ingezonden stukken", die zich tegen verklaarden. En de Confessioneele pers, gelijk onze Gereformeerde Bond, zijn natuurlijk nog feller tegen, dan ooit een ethische betoogen kan.
Moet nu officieel vastgelegd worden, dat elke richting, dat elke groep evenveel recht heeft in de Hervormde Kerk ? Recht op eigen prediking, op eigen predikant, op eigen kerkeraad enz., vlak tegen den officieelen kerkeraad ingaande ?
Wanneer men naar z'n geweten (is de mensch de hoogste rechter ? ) dogmatisch (wat „dogmatisch" klinkt dat!) niet bevredigd is, heeft men 't maar te zeggen ; en als een groep van zulke ontevredenen het dan aan den kerkeraad kenbaar maakt, mag de kerkeraad niets onderzoeken, maar moet, zonder eenige samenspreking, aan die groep, die zegt „dogmatisch niet bevredigd te zijn met de prediking" van den kerkeraad, een eigen dominé geven, door die groep aan te wijzen.
Dat is de Kerk verscheuren. Niets meer en niets minder.
Waarbij men valschelijk gebruik maakt van de woorden „voor bijzondere werkzaamheden".
Men bedoelt een groeps-dominé — en men spreekt van „bijzondere werkzaamheden" in de gemeente.
Dat is niet eerlijk, dat is niet oprecht! Maar bovendien komt men dan in de grootste moeilijkheden.
Want welke positie neemt dan zoo'n groeps-dominé, zoo'n partij-predikant in?
Is hij lid van den kerkeraad ?
Er staat niets van.
Heeft hij zelf een kerk, heeft hij zelf een kerkeraad, heeft hij zelf doop-en trouwboek ? Heeft hij zelf lidmaten-register ?
Wat is zoo'n dominé en wat is zijn gemeente ?
Het Voorstel zegt er niets van.
Alles is ondoordacht op papier gesteld en ondoordacht in een Voorstel gegoten.
Waarbij de kerkeraad èn de kerkvoogdij eenvoudig, zonder nadere omschrijving, gedwongen worden tot handelingen, die ontoelaatbaar zijn.
Wij hopen hartelijk, dat men algemeen door heel ons land, op alle Classicale Vergaderingen een krachtig tegen zal laten hooren.
En onze kerkeraden moeten zich rechtstreeks wenden tot de Synode met protest, en met verzoek deze Voorstellen niet aan te nemen, maar stellig af te wijzen.
Geve de Heere aan allen die het wél meenen met de Hervormde Kerk als belijdende Christus-Kerk, goed verstand en een kloeken geest, om krachtig op te komen voor de heilige rechten van den Koning der Kerk en de hooge belangen van de Kerk, welke de Heere ons spaarde en bewaarde tot op dezen dag !

IN KERKELIJKE BENAUWDHEID. 't Is wel goed, als we in deze geweldige, in deze ontstellende, in deze benauwde, in deze vreeselijke tijden het ook niet gemakkelijk hebben wat betreft het kerkelijk vraagstuk. Misschien is de Heere bezig om ons allen, om ons van alle kanten heel wat praatjes en heel wat plannetjes uit de handen te slaan, om ons in andere en betere banen te leiden. Ons volk is toch al zoo vreeselijk verscheurd — misschien dat er op kerkelijk terrein, op de basis van Gods Woord en de belijdenis voor Kerk en Volk iets beters door den God aller genade, als een wonder van Zijn hand, wordt toebereid, opdat de strijd der laatste dagen des te steviger kan worden aanvaard door de Kerk.
In dit verband lazen we met groote belangstelling wat prof. Grosheide van Amsterdam nu weer schreef in „Noord-Hollandsch Kerkblad".
Het ging over het aanstaand honderdjarig feest, dat gevierd zal worden in verband met de Afscheiding van 1834.
Dat levert nog al moeilijkheden op voor de Gereformeerde Kerken — terwijl naast die Kerken de Nederlandsche Hervormde Kerk staaf, met de vele duizenden en tien­ duizenden, die den Naam van Christus belijden — en terwijl aan den anderen kant de Christelijke Gereformeerde Kerk staat, die ook commissies benoemt, om de herdenking van het feit van de Afscheiding voor te bereiden.
Als nu prof. Grosheide het over het komende „honderdjarig feest van de Afscheiding" heeft, dan maakt hij eerst een opmerking, die er natuurlijk bij hoort. „Wij wenschen te zijn de voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerken dezer landen. We meenen recht te hebben op die bewering en we laten ons die eer niet rooven".
Dat zeggen de Gereformeerde Kerken. Dat zegt de Christelijke Gereformeerde Kerk. Dat zeggen duizenden, die in de Hervormde Kerk wonen.
Dat maakt dus al een wonderlijken indruk. Het kan ook wel eens pijnlijke momenten geven. Het is ook een belangrijke kwestie in Nederland. Belangrijk voor Kerk en Volk, voor Kerk, gezin, school, maatschappij — voor alles !
Juist in Nederland, omdat we een theologisch, een kerkelijk volk zijn ; juist omdat de Kerk veelszins in het midden staat en er gelukkig onder ons nog velerlei geestelijke arbeid word^-verricht. Daarom is het zoo belangrijk. Daarom kan het ook soms zoo pijnlijk zijn. Naast elkaar — en dan dikwijls tegenover elkaar ! Wat verschrikkelijk toch !
Nu zegt prof. Grosheide verder — en dat hoort er natuurlijk óók zoo bij —: „De Nederlandsche Hervormde Kerk heeft door hen uit te stooten, die opkwamen voor de oude Gereformeerde belijdenis en door hen aldus te dwingen zich zelfstandig te organiseeren, het recht verloren om zichzelf te beschouwen als de wettige afstammeling van de Kerken, die in de dagen der Hervorming in ons vaderland tot openbaring zijn gekomen".
Dat oordeel over de Nederlandsche Hervormde Kerk ligt er dus al weer !
En nu willen we aanstonds getuigen, dat de geschiedenis van 1834 een zwarte bladzijde is in ons historieboek. We zouden in 1934 wel mee willen spreken en getuigen in dezelfde vergadering, waarin de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerk getuigen en spreken zullen. We zouden mee willen getuigen van onrecht, van haat en vijandschap tegen de Waarheid Gods, tegen den Christus Gods, tegen Gods volk, enz. enz.
Maar prof. Grosheide gaat fout, indien hij (voor de zooveelste maal met de mannen en vrouwen uit zijn kring) zegt : dat heeft de Nederlandsche Hervormde Kerk gedaan ; en daardoor heeft de Nederlandsche Hervormde Kerk het recht verloren om zichzelf te toeschouwen als de wettige afstammeling^ van de Kerken, die in de dagen der Hervorming in ons vaderland tot openbaring zijn gekomen.
Men moest in 1932 zulke dingen niet meer zeggen.
Dat men dat in 1834 en volgende jaren zei — dat is te begrijpen. Maar de mannen, die in 1886 in Doleantie zijn gegaan, zeiden in 1870 en 1880 zulke dingen niet. Ze wisten wel toeter !
Heel de samenloop van omstandigheden van 1834 heeft het jammerlijk conflict van de Afscheiding uitgelokt en bevorderd. Maar niemand, die der zake kundig is, zegt nu meer : „de Nederlandsche Hervormde Kerk heeft hen uitgestooten". Om, zonder meer, de Nederlandsche Hervormde Kerk daarvoor aansprakelijk te stellen ; en te betuigen, dat daardoor de Nederlandsche Hervormde Kerk het recht verbeurd heeft, enz.
De mannen van de Doleantie weten althans beter !
Wat ons echter in het artikel van prof. Grosheide bizonder aantrok, is het tweede gedeelte.
Het eerste gedeelte ging over de voorrechten en de baten van de kerkelijke beweging van de laatste honderd jaar voor de Gereformeerde Kerken, die nu zelfstandig zijn georganiseerd en aan de Hervormde Kerk het recht ontzeggen, zich te beschouwen als de voortzetting van de Gereformeerde Kerken, uit de Reformatie voortgekomen.
Maar naast de baten staan de schulden. „En daarover" — aldus prof. Grosheide — „wordt onder ons veel te weinig gedacht".
En dan komt naar voren, dat de Gereformeerde Kerken ook nog iets te maken hebben met de Hervormde Kerk. En ook met de velen, die inzonderheid ook van die Kerk vervreemd zijn.
„Wanneer we dat vergeten, dan worden we een vrije Kerk in den slechten zin des woords, d.w.z. een Kerk, die tevreden is, als het in eigen kleinen kring alles in orde is en die zich daardoor vér boven anderen stelt, maar die zich van wat er verder op kerkelijk gebied gebeurt, niets aantrekt. Aan dat gevaar staan wij als kleine Kerkengroep bloot. En wanneer we de oogen voor dat gevaar niet open houden, aanvaarden we de erfenis der Vaderen niet".
Daar willen we even rusten
Ja — dat kon wel eens waar zijn : dat de Gereformeerde Kerken de erfenis der Vaderen, de erfenis, met schulden bezwaard, netjes naast zich neer gelegd hebben. Ze hebben de baten genomen, om als een vrije Kerk te gaan leven. Maar de erfenis der Vaderen, met schulden bezwaard, hebben ze, kinderen van de Vaderen zijnde, van zich afgeschoven. Ze hebben een nieuwen winkel geopend, en dat gaat aar­dig goed, dat gaat prachtig. Maar ze hebben de schulden van de firma van zich afgeschoven en ze hebben gezegd, telkens als de wissel werd gepresenteerd, de wissel van de Hervormde Kerk en de wissel van de groote schare, die mee door de zonden der Vaderen, van de Kerk vervreemd is — ze hebben dan telkens gezegd : niet thuis !
Prof. Grosheide zegt het natuurlijk ietwat anders. Maar we verheugen er ons over, dat deze dingen ook hem verontrusten. Want hij schrijft verder :
„Tot de erfenis der Vaderen behooren ook de afwijkingen, die bijzonder in de 18e eeuw de Kerk zijn binnen gekomen, de afwijkingen, die de oorzaak geworden zijn van den treurigen toestand in de 19e eeuw.
Die droeve toestanden hebben weer tengevolge gehad, dat zoovelen de Kerk den rug hebben toegekeerd. Daarvoor moeten we onszelf mee aansprakelijk weten. Niet alleen omdat er uit onzen eigen kring afvallig worden, maar ook omdat er uit de Hervormde Kerk afvallen".
„Wij spreken hier van de oude schuld, van het feit, dat de afval, met name ook de valsche leer, ongehinderd haar intrede in de Kerk heeft kunnen doen en zooveel verwoestingen heeft aangericht. Dat alles is ook onze historische schuld". „Want ook onze Vaderen staan hier schuldig en daarom hebben wij mee te werken aan het wegnemen van de gevolgen van de verkeerde daden".
Deze woorden van prof. Grosheide zijn ons bizonder aangenaam.
Maar wat zijn nu de feiten ? Terwijl ook hunne Vaderen mee schuld hebben aan de afwijkingen van de 18e eeuw en de treurige toestanden in de 19e eeuw, hebben zij zich afzonderlijk als Gereformeerde Kerken georganiseerd en practisch doen zij niet anders, in betrekking tot de schulden die zij hebben, dan de Nederlandsche Hervormde Kerk, waar ze kunnen en waar het zoo gevalt, op 't slechtst voor te stellen. En duizenden in de Gereformeerde Kerken zijn geconfijt in de aller verschrikkelijkste oordeelen over de Hervormde Kerk, zoodat ze werkelijk niet anders dan kwaad van de Nederlandsche Hervormde Kerk weten.
En waar ze eenigszins kunnen, tappen ze, door plaatselijke toestanden, bij huwelijken enz. enz., al het bloed van de Hervormde Kerk af, zich weinig bekommerend over de Kerk, waar de schuld ook van hun Vaderen ligt.
Daarom zijn, naar ons oordeel, de Gereformeerde Kerken mee oorzaak dat de kerkelijke toestanden in de aloude Hervormde, Gereformeerde Kerk in dezen lande niet veel beter zijn dan nu en de Nederlandsche Hervormde Kerk niet staat als een pilaar en vastigheid der Waarheid in het midden des volks, meer nog en beter dan in de 18de eeuw !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's