JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Tot zijn schande moet hij belijden maar heel weinig te weten van hetgeen in den bijbel staat, terwijl het steeds was alsof een onzichtbare macht hem er van terughield, om nader met den inhoud kennis te maken. En dat, waar het nog wel een der laatste wenschen zijner overleden moeder is geweest, dat hij hem ijverig lezen zou.
Er was nog meer wat hem tot nadenken had gestemd.
Achter één der groote schuifdeuren van zijn keurige boekenkast in de bibliotheek staan al de boekwerken, die weleer het bijzonder eigendom zijner moeder zijn geweest, 't Is een rijke boekenschat in proza en poëzie, zoowel van Hollandsche, alsook van Duitsche en Engelsche auteurs, meest keurig ingebonden, doch tot hiertoe door den eenigen erfgenaam zoo goed als onaangeroerd. Waarom zou hij ook niet eens lezen wat die Christelijke schrijvers het volk leerden ? Hij behoefde er immers niet meer van aan te nemen dan hij zelf wilde ; en wanneer het al eens mocht zijn dat hij onder de bekoring kwam eener wereld-en levensbeschouwing, welke hem tot nog toe vreemd was, als hij daardoor dan slechts gelukkiger mocht worden dan hij tot dusver met al die onbeantwoorde vragen geweest was. Wanneer hy aldus de gemoedsrust vinden mocht, welke noch het beoefenen der wetenschap, noch verstrooiing en afleiding hem hadden kunnen geven, waar om zou hij deze wereld-en levensbeschouwing dan niet met beide handen aangrijpen ? Was het niet kinderachtig, bang te zijn voor de aanraking van hetgeen de Christelijke pers te lezen gaf ? Was het bovendien niet oneerlijk, steeds van één zijde te willen hooren wat tegen den godsdienst en tegen het Christendom werd ingebracht, en ook niet eens het oor te luisteren te leggen naar hen, die als verdedigers der waarheid in 'het strijdperk traden ?
Zoo had hij overlegd, zonder evenwel nog tot een beslissing te komen. Telkens werd het goede voornemen weer door iets anders verijdeld, tot een eenvoudige gebeurtenis aanleiding werd dat hij opnieuw in dien toestand kwam, waarin wij hem reeds eerder in zijn werkkamer aantroffen. Jonker van Sterrenburgh heeft namelijk vandaag een eigenaardige ontdekking gedaan.
Onder de verschillende uitgaven, die hij tot hiertoe, hetzij uit tijdpasseering, hetzij voor eigen studie, met genoegen had gelezen, behoorden ook de werken van den hoogleeraar Heegaard te Kopenhagen, die voorheen in zijn vaderland bekend stond als een der eerste woordvoerders van de godloochenaars.
Dezen morgen nu kreeg hij de tweede uitgave van zijn Paedagogiek in handen en las daar de volgende merkwaardige woorden :
„Met een gevoel van diepen weemoed denk ik terug aan de dagen, toen ik dit boek begon te schrijven, want ik vermoedde destijds nog niet welke zorgen het noodlot mij bereiden zou. Door de ervaringen van het leven in zijn lijden, smarten en teleurstellingen, is mijn ziel geschokt en het fundament, waarop ik vroeger meende te kunnen bouwen, ineengestort. In een oprecht geloof aan de heerlijkheid der wetenschap dacht ik voor alle mogelijke gevallen in haar een veilige haven der ruste gevonden te hebben.
Maar deze waan is mij ontnomen ; want toen de stormen opstaken en mijn ziel in duisternis gehuld werd, scheurden de broze zeilen der wetenschap als dunne draden vanéén. Toen greep ik de redding aan, die vóór mij velen hebben aangegrepen; ik zocht en vond den vrede in liet geloof in God. Sedert dat oogenblik heb ik de wetenschap weliswaar niet prijs gegeven, maar haar een andere plaats in mijn leven aangewezen. Wanneer het voor het oog onzer ziel duister wordt en alle hoop verloren schijnt, dan blijft er naar mijn vaste overtuiging maar één ankerplaats over : het eenvoudig. Christelijk geloof ! Wél hem, die het niet tot het uiterste laat komen, maar zijn anker intijds op dien vasten bodem uitwerpt".
Met groote verbazing had Jonker van Sterrenburgh tot tweemaal toe deze woorden overgelezen, en was daarna in diep nadenken verzonken. Is het hem persoonlijk niet precies zoo gegaan als dezen geleerde, toen ook in zijn leven de stormen opstaken en zijn ziel in duisternis werd gehuld ? Scheurden toen óók niet voor hem de broze zeilen der wetenschap als dunne draden vanéén ? Wat had hem te midden van de peillooze smart, die ook zijn leven zoo versomberde, toen alles wat hem lief was, het een na het ander, hem ontnomen werd, de geleerdheid gegeven, welke hij bij ernstige studie putten (kon uit de beste bronnen der wetenschap ? Is het niet waar, wat hij eens ergens gelezen had : „die kennis vermeerdert, vermeerdert smart" ? Of wat een andere geleerde eens schreef : „dit weet ik, dat ik niets weet" ? Of zooals Newton het uitdrukte : „al de arbeid van mijn geest was slechts als het spelen met de schelpen aan het strand der zee, terwijl de oceaan der waarheid nog ondoorzien voor mijn oogen rolt" ?
En opnieuw was het daar binnen gaan stormen, waarbij hij te vergeefs getracht had zün hart tot kalmte te brengen.
Toen was hij voor de piano gaan zitten, om in een compositie van een der grootste toonkunstenaars afleiding te zoeken, maar deze had hem nog weemoediger gestemd. In een wilde fantasie, met tal van dissonanten, al het leed zijner ziel, heel de dissonantie van zijn leven uitkrijtende, had hij eindelijk met een forschen slag, als in een smartelijken gil, geëindigd, doch zonder daardoor gekomen te zijn tot den vrede, dien hij zocht.
Daarop had hij de stallen bezocht, met het doel een rijtoer te maken, maar de dreigende lucht had hem hiervan teruggehouden ; bovendien was het toen zoó verbazend zoel, dat hem alle lust tot uitrijden was vergaan.
Vervolgens had hij in de serre plaats genomen ten einde, onder het genot van een verfrisschenden drank en een pittige sigaar, te trachten zijn zinnen te verzetten en zich te verliezen in de vele correspondentie, zoo straks door de post gebracht; doch ook dit had niet gebaat. Onophoudelijk was hem dat woord van Heegaard, den godloochenaar, bijgebleven, dat de broze zeilen der wetenschap als dunne draden vaneen scheurden, toen de stormen in zijn leven opstaken en zijn ziel in duisternis werd gehuld. En aan dat andere woord : „toen greep ik de redding aan, die vóór mij velen hebben aangegrepen; ik zocht en vond den vrede in God".
Maar als een man als Heegaard en zoovele anderen dat gedaan hebben, waarom zou hij het dan ook niet doen ? Waarom zou ook hij niet eens onderzoeken of dat nieuwe fundament, dat fundament des geloofs, in staat is ook hem te dragen met al zijn onuitsprekelijk verlangen en weergalooze onrust; met al zijn hopen op iets, dat hem vollen vrede geven kan ?
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's