De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

OVER DE KERK. (11)
De Diakenen. „De zorg voor de armen" — zegt Calvijn, Inst. Boek IV, hoofdst. III, par. 9 — „was aan de diakenen opgedragen. Maar hier schijnt men twee soorten te moeten onderscheiden. Want Rom. 12 vers 8 zegt: „Wie uitdeelt, doe het in eenvoudigheid ; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid". Het gaat hier natuurlijk over de openbare ambten en dus moeten hier twee soorten bedoeld zijn. Indien mijn oordeel me niet bedriegt, duidt de Apostel met het eerste lid (de „uitdeelers") de diakenen aan, die de aalmoezen beheerden, en met het tweede lid (die „barmhartigheid doet") hen, die zich gewijd hadden aan het verzorgen der armen en zieken, gelijk de weduwen waren, van wie hij melding maakt (1 Tim. 5 vers 9). Want de vrouwen konden geen enkel ander openbaar ambt waarnemen, dan dat ze zichzelf gaven tot het dienen der armen.
Wanneer we dit aannemen — aldus Calvijn — (gelijk we ongetwijfeld moeten doen) zullen er twee soorten van diakenen zijn : van welke de eene soort de Kerk dient in het besturen van de zaken der armen, en de andere in het verzorgen der armen zelf. En ofschoon het woord diakonia een ruimer beteekenis heeft, noemt de Schrift toch in het bijzonder hen diakenen, die de Kerk gesteld heeft over het uitdeelen der aalmoezen en het zorg dragen voor de armen, en die ze als het ware tot beheerders van de openbare armenkas heeft aangesteld : wier oorsprong, instelling en ambt door Lucas in Hand. 6 beschreven wordt.
Want toen er murmureering door de Grieken verwekt was, omdat hun weduwen in de bediening der armen veronachtzaamd werden, hebben de Apostelen, als verontschuldiging aanvoerend, dat zij niet in staat waren beide diensten waar te nemen, n.l. de prediking van het Woord en de bediening der tafelen, van de gemeente gevraagd, dat zeven goede mannen gekozen zouden worden, aan wie  ze dat werk konden opdragen.
Zie, hoedanige diakenen de Apostolische Kerk gehad heeft en hoedanige wij behooren te hebben naar hun voorbeeld. (Handelingen 6).
Calvijn gaat nu over tot de bespreking van de roeping tot het ambt en de verkiezing daartoe.
Hij zegt: Om de wille van de goede orde in de Kerk moet ook het instellen van de regeering der Kerk zelve met goede orde geschieden ; want nergens is grooter gevaar, dan wanneer iets onordelijk geschiedt. Derhalve is, opdat onrustige en oproerige menschen zich niet lichtvaardig zouden indringen om te leeren of te regeeren (wat anders zou gebeuren) er met name zorg voor gedragen, dat niemand zich in de Kerk een openbaar ambt zou nemen, zonder daartoe geroepen te zijn. Zal iemand beschouwd worden als een waar dienaar der Kerk, dan moet hij dus ten eerste wettig geroepen zijn, vervolgens moet hij aan zijn roeping beantwoorden, dat is : de hem opgelegde taak op zich nemen en uitvoeren. Dit kan men meermalen bij Paulus opmerken, die, wanneer hij zijn apostelschap wil bewijzen, tezamen met zijn trouw in het vervullen van zijn ambt, bijna altijd zijn beroeping aanvoert. Indien een zoo groot dienaar van Christus zich niet het gezag om in de Kerk gehoord te worden durft aanmatigen, anders dan omdat hij ook door des Heeren bevel daartoe is aangesteld, en getrouw volbrengt, wat hem is opgedragen — hoe groote onbeschaamdheid zal het dan zijn, indien iemand der stervelingen, van één van die voorwaarden of van beide verstoken, zulk een eer voor zich eischt ?
De roeping tot het ambt. De behandeling van de roeping houdt zich bezig met vier dingen. We moeten weten : Ie. wat voor dienaren aangesteld moeten worden ; 2e. hoe ; 3e. door wie zij moeten worden aangesteld ; 4e. op welke wijze en met welke ceremonie zij moeten worden ingewijd.
Calvijn zegt dan : de verborgen roeping, van welke iedere dienaar zich voor God bewust is en van welke hij de Kerk niet tot getuige heeft, ga ik voor 't oogenblik voorbij. Zij is het goede getuigenis van ons hart, dat wij het aangeboden amht aannemen niet uit eerzucht, noch uit hebzucht, noch uit eenige andere begeerte, maar uit een oprechte vreeze Gods en uit lust om de Kerk op te bouwen.
Dit getuigenis is voor een ieder van ons noodzakelijk, wanneer we onzen dienst bij God aangenaam willen maken.
Maar Calvijn wil hier nu alleen spreken over de uiterlijke en officieele roeping, die betrekking heeft op de openbare orde der Kerk. Vier zaken zijn hierbij op te merken.
Ie. Wat voor dienaars moet men beroepen ? Zie Titus 1 vers 7 ; 1 Tim. 3 vers 1. Men lette er op, dat zij voorzien zijn met de noodige gaven en godzaligheid, opdat zij hunne bediening geen smaadheid aandoen.
De hoofdzaak komt hierop neer, dat slechts zulken moeten gekozen worden, die van een gezonde leer en heiligen levenswandel zijn en die niet bekend zijn om eenig gebrek, dat hun het gezag zou ontnemen en aan den dienst smaad zou toebrengen.
Met de diakenen en ouderlingen staat het geheel evenzoo. Men moet altijd toezien, dat ze niet ongeschikt of onbekwaam zijn om den last, die hun opgelegd wordt, te dragen, dat is : dat ze toegerust zijn met die vermogens, die noodzakelijk zullen zijn tot het vervullen van hun taak. Zoo heeft Christus, toen Hij op het punt stond de Apostelen uit te zenden, hen toegerust met de wapenen en de werktuigen, die ze niet konden missen. En nadat Paulus het beeld van een goed en waar opziener heeft geschilderd, vermaant hij Timotheüs, dat hij zich niet zou bezoedelen, door iemand te verkiezen, die aan dat beeld vreemd was. (1 Tim. 5 vers 22).
Het tweede punt is : hoe moeten ze verkozen worden ? Met vasten en bidden, met eerbied en zorgvuldigheid. „Vooral hebben zij zich" — zegt Calvijn, doelend op de eerste Christengemeenten — „toegelegd op de gebeden, door welke zij den Geest des raads en der onderscheiding van God begeerden".
Het derde punt was de vraag : door wie de dienaren gekozen moeten worden. En Calvijn zegt : „Hieromtrent kan men geen vasten regel aan de instelling der Apostelen ontleenen, daar die een en ander heeft, dat niet gelijk is aan de gewone roeping der overigen. Want omdat het Apostelschap een buitengewone bediening was, moesten zij, die het zouden waarnemen, door de stem des Heeren Zelf geroepen en aangesteld worden, opdat hun ambt door een meer in het oog vallend teeken onderscheiden zou worden. Zij hebben dus niet door menschelijke verkiezing, maar alleen op het bevel van God en Christus zich tot het werk aangegord. Dit is de reden, waarom de Apostelen, wanneer zij een ander in de plaats van Judas willen stellen (Hand. 1 vers 23), niet één bepaald persoon met zekerheid durven noemen, maar twee in het midden stellen, opdat de Heere door het lot te kennen geve, wien van die beiden Hij wil, dat opvolgt in het Apostelschap.
In dezen zin moet men het óók opvatten, dat Paulus zegt, dat hij niet door menschen of door middel van een mensch, tot Apostel gekozen is, maar door Christus en God, den Vader.
(Wordt voortgezet).

OP EEN DOOD SPOOR ZETTEN.
Verleden week schreven we, dat het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur (ethisch) druk werk heeft gehad door ingezonden stukken, die kwamen waarschuwen tegen de Synodale Voorstellen III en IV, die als pacificatie-voorstellen zijn aangediend, om te komen tot vredig samenwonen van de verschillende richtingen en groepen in onze Hervormde Kerk. Over die protesten van ethische zijde verheugen we ons. Tal van vooraanstaande ethische personen hebben zich reeds tegen deze Synodale plannen verklaard. En wij hopen, dat het straks op de Classicale Vergaderin­ gen zal blijken, dat men van rechtzinnige zijde algemeen tegen is. De Confessioneelen natuurlijk, de Gereformeerde Bonders niet minder — maar ook de Ethischen, die het wèl meenen met de Kerk als Kerk, moeten zich hier tegen verklaren.
Ds. Barger, de Evangelist-predikant van Hoorn, een man die uit en door de practijk dus weet wat het zeggen wil „minderheid" te zijn in de Kerk, verklaarde zich tegen. Neen — met zulke middelen wilde hij niet geholpen worden. Het zou de ondergang van de Hervormde Kerk als Kerk worden — schreef hij.
Ook ds. O. Noordmans, van Laren (G.), een bekend ethisch theoloog, wiens oordeel onder de ethischen altijd zeer hoog wordt aangeslagen, heeft de pen opgenomen en door een „ingezonden" in het Algemeen Weekblad den volke bekend gemaakt, dat hij het verschrikkelijk en allervreeselijkst zou vinden, indien te onzaliger ure deze voorstellen wet zouden worden.
Wij nemen zijn stuk, waarboven staat: Op een dood spoor, hier gaarne over. Men kan er z'n voordeel mee doen a.s. Woensdag op de Class. Vergadering.
Ds. Noordmans schrijft dan :
„De lezer van dit blad kan weten, dat in de Synode van 1931 een voorstel betreffende de minderheden voorloopig is aangenomen, waarop dan de a.s. Classicale Vergaderingen zullen hebben te adviseeren. De bijzonderheden en een uitvoerige verdediging gaf prof. Brouwer in het nummer van 15 April j.l. Ik kan mij voorstellen, dat sommige leden van de commissie, die deze Invoeging in het Reglement op de Kerkeraden ontwierp, zich moeilijk aan hun opdracht konden onttrekken, toen inmiddels de oprichting van „Kerkopbouw" de situatie sterk had gewijzigd. Ze zaten eenmaal in den trein en slechts een energieke ruk aan de noodrem had dien tot stilstand kunnen brengen. Daardoor is dan echter een toestand geschapen, die mij buitengewoon gevaarlijk schijnt en dien ik hier gaarne onder oogen wilde zien.
Het „nieuwe" in de „toestanden", die „staan geboren te worden" en waarnaar de bovengenoemde commissie verwijst, bestaat niet het minst hierin, dat de Kerk als zoodanig weer meer naar voren zal komen. Wij maken ons op, om onze eigen vinding wat minder belangrijk te achten en aan het gezag van het groote geheel, waartoe wij behooren en dat wij met een mystieken term het lichaam van Christus noemen, een grootere plaats in te ruimen. Veel sterker dan vroeger zullen wij daardoor op elkander worden aangewezen. We willen er niet voetstoots van uitgaan, dat ieder particulier inzicht het recht heeft geacht te worden te behooren tot den „veelvuldigen rijkdom van Christus". We wenschen althans zulk een toestand der Kerk, waarbij een krachtige drang tot éénheid op de leden wordt uitgeoefend. Dit geldt van „de ééne heilige katholieke christelijke Kerk", waarvan we uitspreken, dat „de gebrokenheid harer verschijning in strijd is met haar wezen en een verhindering voor de vervulling harer roeping". Maar ook van de bijzondere kerken, waarvan wij erkennen, „dat een Kerk zonder belijdenis geen Kerk zou zijn". Deze samenstemming kunnen we, daarvan zijn we ons van meet af bewust, niet forceeren. „Prediking, persoonlijk getuigenis, evangelisatie en gebed" zijn de voornaamste middelen in dezen geestelijken strijd. Maar toch wordt „de dringende noodzakelijkheid van de eenheid binnen de Kerk" erkend. Met deze en dergelijke woorden is bij de oprichting van „Kerkopbouw" gewezen op de spanning die er in een Kerk moet bestaan.
Werd het voorstel betreffende de minderheden aangenomen, dan zouden we juist in de omgekeerde richting gaan. De spanning, die er nu eenmaal opgesloten ligt in het feit, dat een gemeente een soort onsplitsbaar atoom is in de kerk, met den kerkeraad als kern, zou er door verloren gaan. Op elk gebied hebben we noodig, dat menschelijk verschil van inzicht ergens aan de natuur der dingen een grens vindt. Anders tast men het wezen aan. Een Kerk, die tot in haat laatste samenstellende deelen door d^ splijtzwam werd aangetast, zou den weg naar de ware gemeenschap niet meet terug kunnen vinden. Men zou „de dringende noodzakelijkheid van de eenheid binnen de Kerk" hoe langer hoe minder gevoelen en zich gaan gedragen als een administratief genootschap van richtingen.
Dat de verschillen nu ook bestaan en tot allerlei moeilijkheden, onbillijkheden en verdriet aanleiding geven, weet ik wel. Maar de practijk van het leven verzacht die soms wel wat en voor zoover ze niet weg te nemen zijn, getuigen ze van den plicht der eenheid. Honderdmaal beter is de hitte van den partijstrijd, dan het koude cynisme eener Kerk, die niet slechts zou berusten in wat ze niet gebeteren kan, maar zelfs voorschrijven, dat in iedere gemeente de mogelykheid moet bestaan voor een meervoud van opvattingen der evangelieprediking. Een evangelie met een exponent, die hooger wordt naar mate de gemeente groeit.
In een gezin, waar man en vrouw niet te best overweg kunnen, kan het nog dragelijk wezen. Maar waar ze den trouwring van den vinger hebben getrokken en dus „een vreedzaam samenleven" (Toelichting op de Invoeging in art. 14) leiden, omdat financieele of andere redenen dat wenschelijk maken, daar is geen gezin meer, maar een gaarkeuken. De Hervormde Kerk zou het ook zijn, als dit voorstel werd aangenomen.
Ik kom terug op het gevaar van den toestand. Ik zie twee treinen rijden op één spoor uit verschillende richting. De eene gaat in de richting van een belijdende Kerk ; de andere is die van een Kerk zonder belijdenis. Is er geen mogelijkheid den laatste op een dood spoorte laten loopen, teneinde een botsing te voorkomen ? "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's