De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Over dit alles had hij zitten peinzen, lang en diep, want zijn aangeboren trots verzette zich met alle geweld daartegen. Wat zou zijn vader, als die nog leefde, er wel niet van zeggen, wanneer zijn zoon Duco een „geloovige" werd ?
Wat zou heel de familie, wat zouden al de voorname kennissen, met wie hij in relatie stond, zeggen, als het bekend werd, dat hij zijn toevlucht tot den Bijbel genomen had ?
Ging hij echter ook nu niet reeds bij velen hunner voor een zonderling door ? Had hij het niet gemerkt meer dan eens, dat er achter zijn rug over hem gesproken werd als van iemand, die niet recht toerekenbaar was ? Zagen velen niet met een blik vol medelijden op hem neer ?
In een brief — zoo straks gelijk met de andere correspondentie — van een tante van vaders zijde ontvangen, vraagt deze, of hij niet eens een paar weken wil overkomen ; men zal dan jachtpartijen organiseeren en een feest geven, waarop vele genoodigden zullen verschijnen, zooals de freules Van Sonsberg en de Jonkvrouwen Schwarswald en meerdere dames, en het zal niet ontbreken aan allerlei genotmiddelen, om de zinnen eens te verzetten en nieuwe veerkracht voor het leven op te doen. Hij is nu eenmaal jong, en het wordt naar tante's oordeel tijd dat hij eindelijk eens positie neemt en een vrouw gaat kiezen, waarvoor — 't stond duidelijk tusschen de regels te lezen — het lijstje, dat zij hem voorlegt, uitstekend gelegenheid biedt.
Wel zeker, zoó denkt men over hem. Hij moet zich verzetten en zich over het leed heenwerken ! Zooals men op den dag van vaders begrafenis gezegd had, moest hij het hoofd er vóór houden, vooral nu hij onbeperkt gebieder over en universeel erfgenaam van al die nagelaten heerlijkheden was.
Met verachting had hij dien brief terzijde geworpen. Zij begrijpen niet, die oppervlakkige geesten, dat zijn hart naar iets anders dorst; dat hij méér moet hebben dan de rijkdommen of de wellusten der wereld, die wel voor een oogenblik bevredigen, maar om niet zelden daarna nog grooter ledigheid achter te laten.
In die gemoedsgesteldheid bevond hij zich toen voor enkele uren het eerste gerommel van den donder gehoord werd. Met steeds korter tusschenpoozen flitsten de bliksemschichten als vurige slangen uit het dreigend zwerk, gevolgd door knetterende donderslagen, die het gevogelte angstig een schuilplaats onder de dakpannen of in het dicht geboomte deed zoeken en het vee in de weiden onrustig deed loeien. Geen blaadje bewoog zich, geen zuchtje gal verkwikking en geen enkele regendroppel bracht lafenis.
Toen is Jonker van Sterrenburgh naar boven gegaan, om vanuit de torenkamer een vergezicht over den omtrek te krijgen en alzoo de majestueuze grootheid te bewonderen, die in den strijd tusschen de elementen der natuur tot openbaring kwam.
Hij had gezien, hoe het luchtruim opeens koperkleurig werd. Als uit een brandend kruithuis schoten naar alle kanten de vurige pijlen, met een geluid, alsof een hevige kanonade losbrak. Heel de hemel lag in vuur, terwijl nu van deze, dan van gene zijde de bliksem uiteensloeg, evenals granaten op het oorlogsveld. Hoog dwarrelden in de verte boven den dorpsweg de stofwolken plotseling op, als werden zij trechtervormig opgezogen, om daarna naar alle windstreken te worden verstrooid.
Daar stond hij plots als in een blauwen vuurcirkel, die geen seconde later uiteensprong en de geheele Stins op haar hechte fundamenten deed beven. Een oogenblik was hij als bedwelmd door den verblindenden gloed van het hemelvuur en den ontzaglijken luchtdruk, terwijl een benauwende zwavellucht het ademhalen bemoeilijkte. Toen hij daarop zijn oogen weer opende, met geen andere gedachte dan dat „Grovestins" getroffen was, zag hij vlak voor zich een oude linde, gespleten van de kruin tot den voet.
Aanstonds daarop vielen de eerste regendroppelen, weldra door een overstelpenden waterstroom vergezeld, van hevigen wind gevolgd ; waarna de bui spoedig aftrok. In het Westen klaarde de lucht en brak het vriendelijk blauw weer door.
Daar stond die oude boom, zwart geblakerd door het verschroeiend vuur, van al zijn schoonheid en leven beroofd. En met de snelheid, waarmede zoo juist de bliksem was ingeslagen, flitste den Jonker de gedachte door het hoofd : waar zou ik zijn, als de slag mij getroffen had ?
Ja, waar zou hij dan zijn ?
Over deze gedachte loopt hij te mijmeren, als wij hem, in diep nadenken verzonken, zien wandelen tusschen de rozenstruiken. Zou hij er dan nog zijn, misschien op een andere planeet, of zou hij dan voor altijd hebben opgehouden te bestaan, gelijk die boom, die de tuinknechten nu eerstdaags zullen uitroeien, om hem dan tot brandhout te verzagen ? En als het eens was, dat hij nog wèl bestond, meer nog, dat achter den dood een leven ligt, waarin, zooals velen zeggen, gemaaid zal worden wat hier werd gezaaid, en dus de eeuwigheid de vergelding is van den tijd, wat stond hem dan te wachten ? Wat was hij, wat had hij, buiten zijn titels en zijn adellijken stamboom en zijn geld ? Wat is tot hiertoe gekomen van dien wensch zijner moeder, dat haar zoon, dien zij zoo lief had, zijn gaven en talenten mocht leeren besteden in den dienst van den Heere ? De Heere, Dien hij niet eens kent, anders niet dan bij name, maar Die, als Hij bestaat, hem zoo juist wonderlijk bewaard heeft en zijn leven verlengde ?
Dan opnieuw gevoelt hij dat ledige binnen in hem, dat om vervulling roept, maar ook dat tegenstrijdige, dat gedeelde, dat onbevredigde in zijn leven. Ach, wat beteekent alles, wat van beneden is, bij de hooge dingen der eeuwigheid ?
Er ligt een berg correspondentie op hem te wachten over allerlei moeilijke onderwerpen, over tal van aardsche aangelegenheden, waarbij hij min of meer betrokken is en waarbij zijn raad of hulp of steun gevraagd wordt. Het ontbreekt niet aan allerlei titels en eereposten, maar al deze zaken laten hem, vooral in dit oogenblik, innerlijk zoo koud. Hoogstens brengen zij verstrooiing en verkorting van den tijd, die hem soms zoo eindeloos lang schijnt.
Bij de oprijlaan ontmoet hij Douwe, die juist voor de bui thuis was, maar geen rust heeft voor hij weet, dat het op het Slot goed is afgeloopen.
„Dat was me een onweer, Mollema", zegt hij.
„Verbazend, mijnheer, heeft het hier geen kwaad gedaan ? "
"Gelukkig niet, alleen de oude linde voor den zijvleugel is getroffen".
„Dan was het dicht bij, mijnheer".
„Ja, ik meende, dat de Stins getroffen was. Wat ga je doen ? "
„'k Wou even hooren of alles wèl was en de paarden geen letsel gekregen hebben".
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's