STAAT EN MAATSCHAPPIJ
GEEN REDEN TOT KLACHT.
Bij de critiek, welke op het beleid der regeering wordt geoefend inzake de maatregelen, die getroffen worden om den crisisnood, waaronder land-en tuinbouw gebukt gaan, te lenigen, vergeet men maar al te dikwijls de groote moeilijkheden, waar voor de ministers bij het tot stand brengen dezer maatregelen geplaatst zijn.
Een voorbeeld moge dit duidelijk maken. Toen de regeering er toe overging om het buitenlandsch vleesch te contingenteeren, een wettelijke regeling, welke door de veehouders van harte werd toegejuicht, waren het de bollenkweekers in de omstreken van Haarlem, en de fabrikanten van kunstmeststoffen, die met de cijfers de schade aantoonden, die deze bedrijven van de represaille maatregelen van Denemarken ondervonden, als gevolg van het contingenteeren van het Deensche vleesch.
Terecht is toen de regeering niet terug gedeinsd voor de economische moeilijkheden, welke van haar contingenteering, maatregelen het gevolg waren. Zij hielden zich aan den regel, dat wat het zwaarst' is, ook het zwaarste moet wegen.
Landbouw en veeteelt verkeerden toch in een dergelijken noodtoestand, dat geen maatregel ongebruikt mocht blijven om deze voorname takken van volksbestaan voor algeheelen ondergang te behoeden.
Evenmin is de regeering op zijde gegaan voor de bezwaren, die, hetzij gemeend of niet gemeend, tot haar kwamen, toen tot nieuwe ingrijpende maatregelen de toevlucht moest worden genomen teneinde de boeren en de tuinders ter hulpe te komen. Zij bleef den weg volgen, die eenmaal na rijp beraad en na gezette overweging was uitgestippeld geworden, met het resultaat, dat althans voor het oogenblik er eenige ontspanning is ingetreden. De tijd zal het moeten leeren, of bij het oplossen der moeilijkheden de juiste weg is ingeslagen geworden.
Hoe dit intusschen alles ook zij, de regeering heeft zich ten opzichte van de bevordering van de belangen van land -en tuinbouw in het parlementaire jaar, dat binnenkort staat afgesloten te worden, niet onbetuigd gelaten.
Dit moge blijken uit een korte opsomming der maatregelen, die dit jaar zijn getroffen geworden.
De steun aan de suikerbietenteelt, die het vorig jaar ƒ 7 millioen bedroeg, is voor dit jaar tot een bedrag van ƒ 14 millioen verhoogd. Aan den vlasbouw wordt dit jaar ƒ 1 millioen ten koste gelegd, terwijl de bijdrage, die voor 1932 aan de veenkolonials boeren ten behoeve van den aardappelenverbouw wordt verleend, ƒ2, 4 millioen bedraagt. Verder valt te wijzen op de hulp aan den tarwebouw van ƒ 10, 5 millioen er aan die voor de veehouderij, welke economisch te waardeeren is op ongeveer 10 millioen. De bloembollenteelt ontvang; ! ƒ50.000.— crediet en de tuinders in West-Friesland tot tweemaal toe rentelooze voorschotten van ƒ700.000.—.
Eindelijk moge herinnerd worden aan het wetsontwerp, dat de vorige week in ds Tweede Kamer ten behoeve van de varkenshouderij werd aangenomen, dat de boeren op de lichte gronden bij den goedkoopen varkensprijs van de vorige weken eer steun geeft van ƒ10 a ƒ12 millioen.
Alles bij elkander genomen, bestaat er geen reden tot de klacht, dat de regeering zich niet genoegzaam den noodtoestand bij land-en tuinbouw zou aantrekken. Integendeel, wat de regeering voor deze takken van volkswelvaart wist tot stand te brengen, zal de boeren en tuinders tot grootte dankbaarheid moeten stemmen.
Nog eens : er is geen reden tot klacht.
EEN SCHRIL CONTRAST.
Een schril contrast met wat de regeering in daden ten behoeve van land- en tuinbouw doet, zijn de woorden, die de Staatkundig Gereformeerden in de Tweede Kamer doen hooren.
„De Standaard" schreef daarover zijn nummer van 10 Juni:
„Wij achten ons verplicht een en andermaal te wijzen op de gevaarlijk ophitsende taal, aan welke de leider dei Staatkundig Gereformeerde Partij zich in toenemende mate schuldig maakt. naar gelang de crisis zich verscherpt en elk woord te meer diende te worden overwogen.
Er is in de taal, die men van die zijde aandurft, een ophitsing, die het spreken der communisten naar de kroon steekt.
Teekenend was dan ook bij het Dinsdag j.l. gehouden debat in de Tweede Kamer, over de moties inzake de sociale verzekering, de vreugd van den communist, die zich dankbaar toonde voor de hulp, aan zijn actie geboden.
Met niet gering genoegen, zoo constateerde hij, had hij deze rede gehoord. De boeren stonden — zoo had de heer Kersten gezegd — aan afpersing bloot Goed gezegd. De boeren waren niet zelfstandig meer ; de staart van hun koeien behoort hun zelfs niet meer toe. Kostelijk, zei de communist. „Hoe scherper en plastischer hij het zegt, des te aangenamer is het mij. Ook dat zullen de boeren vernemen. Het antwoord zullen zij wel geven, niet door de achteraanloopende en kwezelende opmerkingen van die partij".
Hij hield van deze taal.. Als de boeren in opstand komen, zal de Communistische Partij wel de noodige leiding geven.
Men ziet, het is allerbedroevendst.
Vooral, omdat de communist gelijk had.
Wij hebben aan deze woorden van „De Standaard" niets toe te voegen. Gelukkig denkt het overgroote deel van de landen tuinbouwers geheel anders over hunne positie en wat de regeering ten behoeve van de boeren doet, dan ds. Kersten.
Het was in de Tweede Kamer een teekenende vreugd van den communist ten opzichte van hetgeen ds. Kersten zeide.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's