De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

OVER DE KERK (12).
Iets anders is het wanneer het geldt de gewone verkiezing der dienaren. Want de opzieners moeten door menschen aangewezen worden. Dat zal geen verstandig mensch loochenen — zegt Calvijn IV, III, 14 — daar in de Schrift zooveel getuigenissen aangaande deze zaak te vinden zijn. Hier is niet mee in strijd wat Paulus zegt, dat hij niet door menschen noch door middel van menschen gezonden is. Want hier spreekt de groote Apostel niet van de gewone verkiezing der dienaren, maar hij schrijft hier over zijn eigen, gansch buitengewone roeping en verkiezing. Trouwens de Heere heeft ook Paulus door een bijzonder voorrecht zóó aangewezen, dat de orde van de kerkelijke roeping niet is uitgeschakeld. Want Lucas verhaalt aldus (Hand. 13 vers 2) : „Toen de Apostelen vastten en baden, zeide de Heilige Geest : zondert Mij af Paulus en Barnabas tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb." Waartoe die „afzondering" en „oplegging der handen" anders, dan opdat de kerkelijke orde in het verkiezen der dienaren, door middel van menschen, zou in acht genomen worden ? Door geen duidelijker bewijs dus heeft God zulk een orde kunnen goedkeuren, dan doordat Hij, na vooraf gezegd te hebben, dat Hij Paulus tot een apostel der heidenen bestemd heeft, toch wil, dat hij door de Kerk verkozen wordt.
Dat zelfde kan men óók zien in de verkiezing van Matthias. Want omdat het apostelambt van zóó groote waarde was, dat ze niet één persoon door hun oordeel tot dien graad durfden verkiezen, stelden ze twee in hun midden, opdat op één van die het lot zou vallen, opdat zóó de verkiezing een kennelijk getuigenis uit den hemel zou ontvangen, en toch de orde der Kerk niet geheel zou worden voorbijgegaan.
Maar hoe moet nu een Dienaar verkozen worden ? Door wie moet dat geschieden ?
Hier zijn verschillende meeningen. De één zegt : door heel de gemeente. De ander zegt: door den Kerkeraad enz.
Calvijn zegt, Inst. IV, III, 15 : „De vraag is nu of de Dienaar door de geheele Kerk moet gekozen worden, of slechts door zijn ambtgenooten en de (regeer) ouderlingen, die de tucht hebben te oefenen, of dat hij door het gezag van èèn man kan worden aangesteld."
„Zij, die dit recht aan één man toekennen, halen aan wat Paulus zegt tot Titus (1 vers 5) : „Om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij van stad tot stad ouderlingen zoudt stellen." Evenzoo tot Timotheüs (1 Tim. 5 vers 22) : „Leg niemand haastelijk de handen op."
Maar zij vergissen zich, wanneer zij meenen, dat of Timotheüs te Efeze, öf Titus op Creta een regeerende macht geoefend hebben, zoodat ze alles naar hun goeddunken beschikten. Want zij hebben slechts de leiding gehad, opdat ze het volk met goede en heilzame raadgevingen zouden voorgaan, niet om alleen, met uitsluiting van alle anderen, te doen wat hun behaagde. En om niet den schijn te hebben, dat ik slechts iets verzin — zegt Calvijn — zal ik dit duidelijk maken door een gelijk voorbeeld. Want Lucas verhaalt (Hand. 14 vers 23), dat door Paulus en Barnabas in de Kerken ouderlingen zijn aangesteld, maar de wijze of de manier, waarop dat gebeurd is, wijst hij tegelijkertijd aan. Want hij zegt nadrukkelijk, dat het gebeurd is door stemming der gemeenteleden. „Met opsteken der handen, hebben zij in elke gemeente ouderlingen verkoren" zegt hij.
Paulus en Barnabas kozen dus twee mannen (dubbeltal), maar de geheele menigte, zooals de Grieken bij verkiezingen gewoon waren, gaf door opsteken der handen te kennen, wien zij wilden hebben. Ook de Romeinsche geschiedschrijvers drukken zich niet zelden alzoo uit, dat de consul, die de kiesvergadering leidde, nieuwe overheidspersonen koos ; en zij zeggen dat zóó alleen hierom, dat hij de stemmen ontving en het volk bij de verkiezing leidde.
Zoo hebben we nu ook Titus 1 vers 5 en 1 Tim. 5 vers 22 te verstaan. Titus en Timotheüs traden als leidende personen op, maar geenszins om de gemeente, als kiesvergadering, uit te schakelen. Het is toch ongetwijfeld niet te gelooven, dat Paulus aan Timotheüs en Titus méér toegestaan heeft, dan hij voor zichzelf genomen heeft. Hij zelf was gewoon opzieners te kiezen uit de stemming van het volk. Zóó moeten dus de bovenstaande plaatsen verstaan worden, zoodat zij niets afdoen van het gemeene recht en de vrijheid der Kerk.
Cyprianus (ep. I, 3) spreekt dus juist — zegt Calvijn — wanneer hij zegt, dat het van Gods gezag neerdaalt, dat de priester in tegenwoordigheid van het volk, onder aller oogen, gekozen wordt, en door het openbaar oordeel en getuigenis voor waardig en geschikt gehouden wordt. (Lev. 8 vers 6; Num. 20 vers 26). En Matthias wordt op geen andere wijze aan het college der Apostelen toegevoegd ; de zeven diakenen worden op geen andere wijze gekozen — dan onder toezicht en goedkeuring van het volk.
Deze voorbeelden, zegt Cyprianus, toonen aan, dat de ordineering van een priester slechts mag plaats vinden met medeweten van het volk, dat er bij behoort te zijn, opdat de ordening rechtmatig en wettig zij, daar ze door aller getuigenis onderzocht is.
Calvijn komt dan tot deze conclusie : „Wij zien dus, dat dit naar Gods Woord de wettige roeping van een Dienaar is, wanneer door de eenstemmigheid en goedkeuring van het volk diegenen gekozen worden, die geschikt bevonden zijn. En dat de andere herders de verkiezing moeten leiden, opdat niet door lichtvaardigheid, of door partijschap, of door oproerigheid door de menigte wordt gezondigd".
Nu blijft de vraag nog over : hoe moeten degenen, die tot het ambt gekozen zijn, worden geordend, ingewijd ?
„Het staat vast" — zegt Calvijn IV, III, 16 — „dat de Apostelen, wanneer zij iemand tot den dienst ordineerden, geen andere ceremonie gebruikt hebben dan d e oplegging der handen". „Door die oplegging der handen (zie ook Gen. 48 vers 14, Matth. 19 vers 15) gaven de Apostelen te kennen, dat ze hem, dien ze inwijdden tot den dienst, aan God aanboden. Ook gebruikten ze deze gewoonte bij hen, aan wie zij de zichtbare gaven des Geestes schonken. (Hand. 19 Vers 6).
„Hoe het ook zij, dat was de gewone ceremonie, telkens als ze iemand tot de kerkelijke bediening riepen. Zóó plachten zij de herders en leeraars, zóó ook de diakenen te wijden. En ofschoon er geen enkel bepaald bevel bestaat over de oplegging der handen, moet toch, daar we zien, dat ze bij de Apostelen voortdurend in gebruik geweest is, die nauwkeurige inachtneming door hen ons zijn als een gebod. En ongetwijfeld is het nuttig, dat door zulk een teeken de waardigheid der, bediening aan het volk wordt aangeprezen, en ook, dat hij, die geordineerd wordt, er door aan wordt herinnerd dat hij nu niet meer zijn eigen meester is, maar dat hij aan God en de Kerk tot dienstbaarheid is toegewezen".
Dewijl de Geest Gods niets tevergeefs in de Kerk heeft ingesteld, zullen we gevoelen dat deze plechtigheid van „de oplegging der handen", daar ze van God is uitgegaan, niet onnuttig is, mits ze niet tot superstitieus of bijgeloovig misbruik wordt veranderd.
„Ten slotte moeten we ook dit weten, dat niet de gansche menigte haar Dienaars de handen opgelegd heeft, maar alleen de herders. Ofschoon het niet vast staat, of steeds méér dan één de handen opgelegd hebben, of niet. — Dit is zeker, dat het door meerderen geschied is bij de diakenen, Paulus en Barnabas en sommige anderen. — Maar Paulus vermeldt elders (2 Tim. 1 vers 6) dat hij, en niet meer anderen, Timotheüs de handen opgelegd heeft.
Wat in 1 Tim. 4 vers 14 wordt beschreven, beteekent volgens Calvijn : „maak dat de genade, die gij ontvangen hebt door de oplegging der handen, toen ik u tot ouderling koos, niet vergeefsch zij".
De oplegging der handen was dus : 1. een teeken, dat de Dienaren aan God werden opgedragen ; en 2. dat hun gaven tot hun ambt werden meegedeeld.
Later is dat dikwijls een stuk „bijgeloof" geworden.
(Wordt voortgezet).

MODERNE STOUTIGHEDEN.
Men heeft het wel eens over „Roomsche stoutigheden" ; en men bedoelt dan, dat Rome nog wel eens heel wat aandurft en niet zelden stoute stukjes uithaalt. Maar men kan ook zoo nu en dan wel spreken van „Moderne stoutigheden", want de Vrijzinnigen durven ook wel eens stoute stukjes uit te halen. De aankweek van nieuwe lidmaten b.v. is soms al heel wonderlijk ; eigenlijk beneden.peil; voor religieus-kerkelijke menschen ontoelaatbaar. Enkel en alleen om bij de stembus de overwinning te behalen. Of dan verder de kerk des Zondags leeg is en leeg blijft, doet er minder toe ; als „de fijnen" maar niet in de meerderheid komen. Ook is het met het oog op het stemmenaantal op de Classicale Vergadering soms noodig, dat een gemeente niet rechts is en alles wordt dan op haren en snaren gezet, om een linksche meerderheid te hebben of te houden. Men weet dan ook soms een beroep „wonderlijk" in elkaar te draaien en men weet het klaar te spelen, dat de nieuwe dominee nog net vóór de Classicale Vergadering intree doet De wonderlijkste staaltjes zijn op dit terrein al vertoond !
Nu is de manier van handelen van het Vrijzinnig Classicaal Bestuur van Hoorn weer oorzaak dat de Modernen in opspraak komen, 't Geldt hier het beroepingswerk in het nieuwe Zuiderzeegebied.
Men weet, dat een gedeelte van de Zuiderzee drooggelegd is — de Zuiderzee is niet meer. We hebben nu een IJsselmeer beneden den afsluitdijk die van N.-Holland naar Friesland loopt, maar de Zuiderzee is weg.
Met bizonderen ophef wordt nu gesproken en geschreven over den Wieringermeerpolder, het drooggelegde stuk lands, waar ook een Hervormde kerk nu is gebouwd, waar een nieuwe Hervormde Gemeente in wording is, Slootdorp geheeten.
In de buurt van Wieringen zwaaien de Vrijzinnigen de vlag, op burgerlijk, op politiek terrein, ook in de Hervormde Kerk. En natuurlijk hebben de Modernen ook al lang plannen gehad ten opzichte van het nieuwe Zuiderzeegebied. Ze hebben niets gezegd, ze hebben de orthodoxen trouw laten meewerken, om de voorbereidende maatregelen te nemen. De Prinses is uitgenoodigd den eersten steen te leggen van het nieuwe kerkgebouw der Hervormde Gemeente in spé. En toen alles netjes voor elkaar was, heeft het Classicaal Bestuur van Hoorn, doende wat des kerkeraads is, (want in Slootdorp is nog geen kiescollege en geen kerkeraad) een vrijzinnigen dominee beroepen als hulpprediker in den Wieringermeerpolder. En de dominee heeft dat beroep als hulpprediker in een paar dagen aangenomen en zal nu worden overgebracht naar de nieuwe Hervormde Gemeente te Slootdorp, om te zorgen, dat daar zoo spoedig mogelijk alles in orde gemaakt wordt voor een kiescollege en een kerkeraad, om dan ter belooning voor „moed, beleid en trouw" straks beroepen te worden als dominee en te zorgen, dat de nieuwe gemeente modern wordt en de Classis Hoorn geen concurrent krijgt en geen gevaar loopt.
Er was, of liever, er is in den Wieringermeerpolder een rechtzinnig hulpprediker, de heer Finkensieper. Maar dien moest het Classicaal Bestuur van Hoorn natuurlijk niet hebben. Ze moesten den modernen dominee Fischer uit Jukwerd (Gr.) hebben.
De Vereeniging „Land in Zicht" heeft evangelisatiearbeid verricht, eerst onder de tijdelijke bewoners en vlottende bevolking, daarna ook onder de vaste Kolonisten. Wat zou eenvoudiger geweest zijn, wat beter voor de Hervormde Kerk, dan dat het Classicaal Bestuur van Hoorn, doende wat des kerkeraads is, dezen arbeid had voortgezet!
Zóó dachten 55 vaste bewoners, doopleden en lidmaten der Hervormde Kerk.
Zóó , dachten 44 andere bewoners van onderscheidene levensbeschouwing.
Zóó dachten 129 tijdelijke arbeiders. En zij hebben zich samen gewend tot het Classicaal Bestuur van Hoorn, om den heer K. O. Finkensieper als hulpprediker te benoemen. Alleen een kleine 30 bewoners spraken zich uit voor een vrijzinnig predikant. En het Classicaal Bestuur van Hoorn heeft beslist, dat 1 Augustus een vrijzinnig Herv. predikant als hulpprediker zijn intrek zal nemen in den Wieringermeerpolder.
Mogen we zoo iets niet rekenen onder de „Moderne Stoutigheden" ?
„De Nederlander" teekent bij deze dingen aan, dat de genomen beslissing slechts 'n tijdelijk karakter draagt. „Want" — zoo schrijft de Redactie — „wanneer de gemeente is geconstitueerd en zij een eigen kerkeraad of eigen kiescollege heeft, beslissen dezen over den geest, waarin de gemeente zal worden bearbeid. De gemeente is en blijft vrij".
Maar het komt ons voor, dat „De Nederlander" hier de onnoozele speelt. Want men kan nu wel met een effen gezicht zeggen: 't is maar voorloopig — en de gemeente is en blijft vrij, maar men weet heel goed, dat hetgeen nu gebeurd is een beteekenisvolle stap is in verkeerde richting. En dat straks de gemeente aan handen en voeten gebonden aan het Modernisme wordt overgeleverd.
En dat noemt men dan met een ernstig gezicht „vrijheid"
Er is een spreekwoord dat zegt: „een gewaarschuwd man telt voor twee".
Rechtzinnigen in de Ned. Herv. Kerk, let op uw zaak !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's