DE VEREENIGING VOOR CHRISTELIJK NATIONAAL SCHOOLONDERWIJS.
Nederland heeft een merkwaardige geschiedenis, wat het Schoolonderwijs betreft. Met een paar groote trekken willen we trachten van den Schoolstrijd iets te zeggen. Heel, héél vroeger, in de Middeleeuwen, toen ook reeds lagere scholen opkwamen, hadden Overheid en Kerk het recht van schoolstichting aan zich getrokken. Het is natuurlijk het onvervreemdbaar recht van de ouders, te beslissen wie hun kinderen zal onderwijzen en hoe ze onderwezen zullen worden. Maar dat voorrecht der ouders genoten toen alleen de edelen en de rijkeren. Overigens zorgde of de Overheid of de Kerk er voor, zonder de ouders er in te kennen.
De Reformatie brengt hierin niet veel verandering. Er wordt voor het onderwijs der kinderen gezorgd en de school wordt catechismus-en leerschool, met wat schrijven en rekenen. De tucht is dikwijls ruw, het onderwijs weinig verheffend. De ouders zijn vrijwel van de rechtstreeksche schoolleiding uitgesloten. Schoolvereenigingen, Schoolbesturen, bestaan niet.
Dan komt de Revolutie, en dan de 19de eeuw. De heele wereld verandert en de scholen en het onderwijs ook. De algemeene volksschool doet in Europa haar intocht.
Bij de Schoolwet van 1806 heeft de Overheid den stoel veroverd en de Kerk er af gedrongen. De Overheid is het één en 't al. De Kerk mag alleen haar diaconie-scholen behouden. De Kerk vindt het goed ; alle menschen vinden het goed. De tijden zijn zwaar, en het loopt, zooals het loopt. De Overheid trekt daar partij van en geeft de leiding aan het onderwijs. De Overheid voelt : wie de school heeft, heeft de toekomst. En daarom kijkt zij met beide oogen toe, dat het in de gewenschte richting gaat en de Kerk, doet haar dutje.
't Is de tijd van veel doode orthodoxie en van opkomend modernisme. De onderwijzers zullen zorgen voor brave Hendrikken en brave Maria's, ten genoegen van de Hooge heeren, die in het gestoelte der eere zitten. Nederland vindt het goed. Men hoopt op een geloof boven geloofsverdeeldheid en de onderwijzers maken van de school een secteschool, in dienst van het Modernisme. De Gereformeerde Waarheid is uit den tijd en heeft afgedaan. Het museum moet ook wat hebben ! De monumentale stukken der Reformatie worden er netjes opgeborgen en komen zoó te staan, dat niemand er erg in heeft. De Bijbel wordt gelezen, het gebed blijft. Maar de Bijbel wordt onschadelijk gemaakt en 't gebed genietbaar voor allen.
Dat begint het Bijbel-lievend volk te benauwen en het volk, dat bidden geleerd heeft, voelt pijn. Smeekingen gaan op tot den Heere, die nooit laat varen de werken Zijner handen.
Dan komt de morgenschemering, maar het is en blijft nacht.
Daar verwekt God een veldheer zonder leger, den man zonder kinderen, die voor der kinderen toekomst en voor der jongeren onderwijs hart heeft en Christelijk Onderwijs in zijn vaandel schrijft. Het is mr. Groen van Prinsterer, de geestelijke vader van de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs. En dan komt 't leger.
Maar tot 1848 houden de machthebbers de touwtjes in handen. Doch dan komt de ommekeer, na de Grondwetsherziening van 1848 : het geven van onderwijs is vrij, behoudens wat de Overheid bepaalt voor de opleiding der onderwijzers.
Gebroken is dus met de gedachte van de gemengde school, 't Zal niet meer zóó zijn, dat alle gezindten op één en dezelfde school zullen vereenigd worden, om allen met één gezindheid te vervullen. De verbroedering was uitgebleven, de geloofsverscheidenheid was niet ineengesmolten. Na veel teleurstelling moest men eindelijk bekennen, dat het niet ging.
Men had het eerst toch zoo voorzichtig aangelegd ! Van 1806 tot 1815 had men de gemengde school, waar Roomsch en Protestant, Israëliet en Christen naast elkaar zaten, geprotestantiseerd. Er zou spoedig van Roomsch en Protestant geen sprake meer zijn, zelfs zou de tegenstelling Jood en Christen wegvallen, het zou worden één groote Protestantsche samenleving van gematigde gevoelens. Maar dat ging niet.
Toen, van 1815—1830, bracht men een andere methode aan de markt. Men ging een stap verder. De gemengde school werd geliberaliseerd.
Daarna had men wéér iets nieuws bedacht — de liefde is vindingrijk — en van 1830 tot 1857 wilde men de gemengde school neutraliseeren.
Hier viel de Grondwetsherziening van 1848 tusschen. Geweldige gebeurtenissen waren er aan voorafgegaan. Revolutie moest hier de deur openen. En toen kwam er — op papier — vrijheid van onderwijs en dus ook ruimte voor niet-neutrale scholen.
Na de Grondwetsherziening moest er een nieuwe Onderwijswet komen; en daarbij moest men rekening houden met het nieuw erkend beginsel van vrijheid van onderwijs. Maar de Hooge heeren, die op neutraliteit verliefd waren, wilden er niet aan. Ze talmden en talmden eindeloos. De Wet, die er in 1848 komen moest, was er in 1853 nog niet. Er werd met ijver aan gewerkt, maar het lukte niet best. Met onwillige honden is het slecht hazen vangen. In het najaar van 1854 was er een concept-wet. Maar mr. Groen van Prinsterer, onze vecht-generaal, die naar een anderen vrede stond, dan de wereld gewoonlijk aan de belijders van den Naam des Heeren geven wil, was er fel tegen gekant. En vooral de bijeenkomsten der Christelijke Vriend en (1850), de bloem van het Nederlandsehe Reveil, stonden in het teeken van het onderwijs.
Verschil van gevoelen wordt openbaar onder de Christelijke Vrienden ten opzichte van de vraag: of de Overheid de Openbare School Christelijk moet doen zijn of niet. De één wil, nu er vrijheid van oprichting van scholen is (sedert 1848 op papier), liever geen soort Openbaar-Staats-Christendom, dat, voor allen geschikt gemaakt, voor de waarheid naar Gods Woord allerschadelijkst dreigde te worden.
Mr. Groen van Prinsterer veroordeelde de Wet van 1806, omdat door de vereeniging der gezindheden een beginsel ingevoerd was, waardoor de Bijbel óf niet, öf enkel behoudens goedvinden van de Roomsche geestelijken gelezen mocht worden. Groen oordeelde, dat zóó het Nederlandsche volk z'n geschiedenis en z'n Protestantsch karakter geheel verloochende. En zóó werd het volksonderwijs in feite on-christelijk. Men wilde het Christelijke zonder het Christelijke, en dat is on-christelijk, want het Christelijke kan alleen komen als het Christelijk is. Intusschen maakte men het veelszins, om de gezindheden te vereenigen, anti-Christelijk, omdat men allerlei anti-Christelijke leeringen verkondigde aan de jeugd.
Mr. Groen van Prinsterer was van meening, dat Christelijk wordt beheerscht door de vraag : Wat dunkt u van den Christus ? En Christelijke deugden zijn onlosmakelijk met den opgestanen Heiland verbonden. Zij, die Christus door een waarachtig geloof ingeplant zijn, zullen vruchten der dankbaarheid voortbrengen en met Christelijke deugden gesierd zijn. (Heid. Catech., Antw. 64). Men kan geen druiven van doornen lezen, en die levende ranken willen zijn, moeten den waren Wijnstok niet verachten of uitroeien.
Groen zei: Men kan de vruchten niet verkrijgen als men den boom, als men den boom met den wortel, als men den levenden Vruchtboom, Jezus Christus, niet wil.
Daarom moest het Christelijke echt-Christelijk zijn. Doch dan moesten de gezindheden niet op de volksschool dooreengemengd worden (Schoolwet 1806), maar er moest facultatieve splitsing naar de gezindheden komen; zoodat ieder van de Overheid een eigen school ontving, de geloovige Christenen een Christelijke Overheidsschool.
Zoo leefden er gedachten onder de ChristelijkeVrienden, dat de Openbare School gesplitst moest worden in Protestantsche en Roomsche scholen en de Overheid moest dan voor beider godsdienst zorg dragen onder de kinderen. Maar anderen waren het daarmee niet eens. Niet de Overheid was hier de aangewezene. En er waren er, die wilden, dat de Overheid de Kerk zou aanwijzen om onderwijs te geven en scholen te stichten.
Groen sprak in die dagen wel van „een Christelijk Gouvernement" en dan ook Staatsscholen in Christelijken geest. Later van facultatieve gezindheidsscholen, Openbaar Onderwijs met onderscheiden type van godsdienst.
Vooral omdat de Wet van 1806 zulk een splitsing niet verbood, drong Groen er nog al op aan in den beginne. Dan kon men vast beginnen en de Heilige Schrift kon bewaard worden (althans op vele scholen) en de volkshistorie kon naar behooren worden onderwezen. „Er staat geschreven" en „er is geschied" waren de kernwoorden voor Groen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's