De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

12 minuten leestijd

„In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zoo zag ik den Heere, zittende op eenen hoogen en verhevenen troon, en zijne zoomen vervullende den tempel. De serafs stonden boven Hem ; een iegelijk had zes vleugelen ; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijne voeten, en met twee vloog hij. En de een riep tot den ander en zeide : „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen ! De gansche aarde is van Zijne heerlijkheid vol ! Zoodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik : Wee mij, want ik verga ! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is ; want mijne oogen hebben den Koning, den Heere der heirscharen gezien. Maar één van de Serafs vloog tot mij, en had eene gloeiende kool in zijne hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. En hij roerde mijnen mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzoo is uw misdaad van u geweken en uw zonde is verzoend. Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide : Wien zal Ik zenden en wie zal voor Ons henengaan? Toe zie ik: Zie hier ben ik, zend mij henen . Jesaja 6 vers 1—8.

GEWILLIGHEID IN 's HEEREN WEG.
Onze tekstwoorden geven weer het roepingsvisioen van Jesaja, waardoor hij gewillig werd het zoo moeizame profetische ambt op zich te nemen, onder een volk, dat het verbond des Heeren gedurig overtrad. Eene op zichzelf zware taak. Maar is ooit Gods weg gemakkelijk? Gewilligheid hierin, is er iets moeilijkers dan dat? Ware gewilligheid is alleen vrucht van genade. Sinds den zondeval is echter „genade" ten nauwste verbonden aan „zonde" ; zoodoende worden wij, om in 's Heeren weg te wandelen, altijd allereerst verwezen naar onszelf (zelfkennis) en naar boven (Godskennis), en dan naar Hem, Die eens tusschen hemel en aarde gehangen heeft aan het hout der schande, het antwoord op alle vragen.
Daarop wijst ons ook het roepingsvisioen van Jesaja. We moeten het ons waarschijnlijk wel zoo voorstellen, als één onzer exegeten opmerkt. Misschien was Jesaja gekomen in den voorhof van den tempel te Jeruzalem tot het bijwonen van eene offerplechtigheid. Maar als dan straks de schare henengaat, blijft hij achter, door de geopende tempeldeuren peinzend naar binnen blikkend, vervuld van diepen eerbied voor Hem, Die daar nog achter het heilige, tusschen de Cherubs woont. En dan komt over hem de geestelijke verrukking. Dat heiligdom daar vóór hem zet zich uit, zoodat zijn top tot in de wolken reikt; Jesaja ziet hemelsche gestalten en beluistert hemelklanken; hij staat niet meer m den voorhof van den aardschen, maar aan den ingang van den hemelschen tempel Op een troon, veel hooger dan ooit voor een aardschen vorst werd opgericht, is in koninklijke glorie gezeten de Heere, de Regeerder van het heelal. Zijn vorstelijk gewaad, dat men zich denke als enkel glans en licht, valt golvend naar beneden in zoo ruime plooien, dat de zoomen heel den tempel vervullen; de heerlijkheid van dezen Koning doordringt den ganschen hemel. (dr. J. Ridderbos, het Godswoord der profeten). Verder aanschouwt zijn geestesoog wezens, die geen plaats hebben om te staan nevens den Heere, want alles komt Hem toe, waarover Hij troont. Het waren Serafs, die in hunne houding aanbidding, deemoed en vaardigheid weergeven als aanduiding, hoe het schepsel — want ook de engelen behooren tot de geschapene wereld — moet staan tegenover den Schepper. Geen stilzwijgen wordt bij hen gevonden, maar vol bezieling roepen zij elkander toe : „heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen, de gansche aarde is van Zijne heerlijkheid vol", zoodat de posten der dorpels van het huis des Heeren zich bewogen van de stem des roependen, en het huis vervuld werd met rook vanwege den gloed der heiligheid, die er uitging van deze troongeesten, in hunne aanbidding van den onverderfelijken, alleen volzaligen God.
Aangrijpende gewaarwording voor Jesaja. Ook voor ons ? Ongetwijfeld is in het hart van den Godsman de gedachte opgeweld, welke wij in het boek Job lezen : „Wat is de mensch, dat hij zuiver zou zijn ? en die geboren is van eene vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn ? Zie, op Zijne heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijne oogen". De heiligheid Gods. Verstaan we het, dat voor zulk een heilig God alle dingen naakt en geopend zijn, van u, van mij, dat wij met zulk een God te doen hebben ?
Uitgegaan is de mensch echter van het aangezicht des Heeren, en het komt duidelijk uit, dat hij een twist voert met God. Machteloos staat hij daar in zijne woede, tegenover de machten, die hem neerbeuken op den levensweg. We zijn het daar misschien niet mee eens, omdat ons levensscheepje mogelijk nog niet door stormen is geteisterd, doch laat God maar eens in ons leven ingrijpen, dan begint het met zelfbeklag en het eindigt — zoo de Heere het niet verhoedt — in algeheele geestelijke ongevoeligheid. Dat alles speelt zich af onder het koepeldak, waarboven Hij troont, de Heilige, Die te rein is van oogen, dan dat Hij het kwade kan aanschouwen. Doch dit is nu het zoo onbegrijpelijke wonder, dat God nog in deze zoo donkere wereld Zijn welbehagen wil openbaren, dat Hij volgens een vast bestek een volk wil zaligmaken.
Er wordt een scheidslijn getrokken van hoogerhand, zooals Israël gescheiden werd van de volkeren. Zoo worden wij ook in het bijzonder opgeroepen, onze kinderen, die door den Doop zijn ingelijfd in het Verbond der genade, voor te houden, die afzondering, hen wijzende op het merk-en veldteeken van dien Koning, Die recht op hen heeft, en niet de wereld. Maar dit mag ons nooit genoeg wezen. Het Verbond eischt afzondering, maar ook inwilliging, vrucht alleen van Gods wederbarende en levendmakende genade. Daarom zijn we b.v. nog niet klaar, wanneer wij naar eene zuivere Kerkopenbaring streven, of deze bezitten, waarin het Verbond gestalte heeft. Zonder het tweede, omzetting van hart en zinnen, wordt slechts eigengerechtigheid gekweekt.
We moeten daarom God voor het persoonlijke leven in Zijn heiligheid leeren kennen. Dit moest ook Jesaja, de trouwe tempelganger. De verhevene heiligheid Gods, Zijne vlekkelooze zuiverheid moest hij opmerken, met welke Hij staat tegenover den zondaar. Daar werd Jesaja de maatstaf gegeven tot vergelijking met hetgeen hij zelf was, viel Gods stralende luister over zijn leven, trok het in het smettelooze licht van Zijne heilige deugdenschittering. Nog staat zoo de Eeuwige tegenover het eindige, zondige menschenkind. In dat licht moeten wij onze misvormde gestalte, onze schamele plunje leeren zien, waarmede wij ons willen opmaken naar de zalige oorden.
Men wil wel naar den hemel gaan, Doch houden al dien omslag aan, Van vleesch en wereld overslaan.
De heilige God, Wiens zoomen dezen tempel van het heelal vervullen, zoodat elke stee gronds door Hem opgeëischt wordt, als schouwplaats Zijner heiligheid, kent ons zitten en ons opstaan, onze heimelijke gedachten, onze frauduleuze handelingen, onzen hoogmoed en onzen opstand, onze aardschgezindheid, onze onwilligheid en eigenwilligheid, onzen haat tegen den naaste, onze spotzucht en achterklap, de broze holheid van ons leven, de verachting van Gods ordinantiën, onze geestelijke doemwaardige traagheid, ons rusten op onzen droesem, kortom dat gansche samenstel van een kansberekenend, sehoonschijnend gedachtenspinsel, waarbij we te voorschijn kunnen tooveren eene gedaante der godzaligheid ; maar het merg, de kracht wordt gemist in onzen belangrijken, spannenden tijd, eveneens onder hen, die zingen „Welzalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort". Wat wordt er n.l. van het beleven van de eeuwige waarheden Gods in het leven ingedragen ?
„Zijt heilig, want Ik, de Heere uw God, ben heilig". Van Jesaja's lippen kan zich slechts een kreet ontwringen : „Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is, want mijne oogen hebben den Koning, den Heere der heirscharen gezien". Ziedaar, de belijdenis van een vromen tempelganger. Wee mij. Aangrijpend duidelijk ervaart hij dat God als de Heilige geen zonde in Zijne nabijheid kan gedoogen. Dit is iets anders, dan zoo af en toe op te merken, dat er toch in het leven wel 't een en ander anders mocht wezen, iets anders dan een ingetogen leven te leiden, iets anders dan alleen eene zuivere belijdenis te bezitten, zonder hinder te hebben van zonden tegen de beide tafelen der Wet.
„Afzondering" en „omzetting". Welkom in den strijd, zeggen wij gaarne, wanneer het gaat om versterking van onze Gereformeerde actie, in 't bijzonder in ons tuchtelooze kerkelijke leven, doch hoevelen trekken op in onze gelederen, waarvoor deze beide begrippen zonder eenige klem zijn. Wereldsche practijken, wereldsche omgang, verachting van den waren levenseenvoud worden aanvaard als een vanzelfsprekend iets. Ze getuigen weinig van „een voor God verbrijzeld en vernietigd" te zijn. Ze kunnen onmogelijk aanknoopen aan het aangrijpende schuldbesef, dat de verborgen krochten des harten geopend ziet voor het oog van den Alleen-Zuivere, dat de onreinheid der lippen opmerkt, waarover zoovele woorden zijn gekomen die God niet zegenden, maar vloekten, en den mensch, die naar Zijn beeld schapen is, toornige woorden, onreine woorden, harde woorden, venijnige woorden, zotte woorden, zoutelooze woorden, en die alle opgeweld uit een hart onverzoend met het leven en onverzoend met God.
Wee mij. Neen, Jesaja betrekt het niet alleen op zichzelf, maar ook op zijn volk. Zooals wanneer een zonnestraal de kamer binnenvalt, ge de oneindig vele stofjes ziet zweven overal, zoo schouwt de ontwaakte zondaar, in het licht van Gods heiligheid, de onheilige tragiek van dit weeë, luchthartige, onbekommerde leven der wereld, die haar doodendans doet op den rand van de donkerste diepte, waaraan ook hij zelf heeft deelgenomen.
Wee mij. Hebt gij u al, mijne lezers, In het licht der deugden van Gods heiligheid en recht, in ware verootmoediging des harten u moeten overgeven aan die hartroerende schuldbelijdenis van Jesaja ; zijt gij daartoe reeds genoopt, misschien eerst na hardnekkig verzet, omdat we geen zondaar voor God willen worden ? Heeft niet alleen uw eigen toestand u al neergedrukt maar ook die van uw volk, uw gemeente uw gezin ? Wij vragen het ook u, die na aanvankelijke schuldbelijdenis zijt blijven steken in een uitsluitend zien op u zelf en weer vervallen zijt in oude neigingen Ge twijfelt er misschien meerdere malen aan, maar is dit niet omdat ge mogelijk nu te veel uit uzelf. Mist ge daarom niet de ware, de eenige vertroosting en een volkomene rust, de rust van de genadige schuldvergeving in het bloed van Jezus Christus, voor het verbroken hart. Is het dan niet waar, wat wij zingen ; „God is 't verbroken hart, 't verbrijzeld en bedrukt gemoed. Ten allen tijd nabij en goed, in tegenheid en smart" en : „de Heer' verlost en spaart Zijn volk, dat op Zijn hulp vertrouwt. Het zal, door Hem in gunst beschouwd, niet schuldig zijn verklaard" ?
We zien dat ook hier bij Jesaja. „Maar één van de Serafs vloog tot mij en had een gloeiende kool in zijne hand, die hij met de tang van het altaar genomen had, en hij roerde mijnen mond daarmede aan en zeide : zie, deze heeft uwe lippen aangeroerd, alzoo is uwe misdaad van u geweken, en uwe zonde is verzoend". Het kan niet anders of hiermede wordt bedoeld het reukaltaar, dat stond in het heilige van den tempel. Daarop werd het kostbare reukwerk verbrand, dat opsteeg naar boven en het den Heere welbehagelijk gebed afbeeldde. Bovenal schaduwde het af, het gebed van den grooten Voorbidder in het hemelsche heiligdom. Die op grond van de door Hem verrichte bloedstorting, altijd leeft om voor Zijn benarde, verkleumde, schuldbewuste volk te bidden. Daarom is nu de handeling van den Seraf eene heenwijzing naar, maar ook eene verbintenis aan den pleitenden, biddenden Hoogepriester, Jezus Christus, eene inplanting in Zijn werk, eene reiniging door Zijn offer en door Zijn gebed. Nooit is te omschrijven de gesmaakte blijdschap van dat oogenblik, waarop tegenover de drukkende schuld, de algenoegzaamheid van den Immanuël, in geloofsaanschouwing, als eenige rechtsgrond voor het heilig oog des Heeren werd gevonden. Dan gaat het hart uit naar dien Levensvorst, dan wordt alles aan Hem beminnelijk. Zijn persoon en Zijn werk. Zijne vernedering en Zijne verhooging. Zooals het klimop steun zoekt om hooger op te kunnen, bij den forschen eik, zoo zoekt het hart — dat zich maar al te spoedig weer als onverbeterlijk in zichzelf leert kennen — den boom des levens, den Heere Jezus Christus, om in en door Hem tot God te gaan en zoo de zalige weelde uit te snikken in het Abba, lieve Vader. Welzalig hij.... wiens wanbedrijf, waarmee hij was bevlekt, voor 't heilig oog des Heeren is bedekt. In Christus gerechtigheid gerekend. „Alzoo is uw misdaad van u geweken, en uwe zonde is verzoend". Dan moet dagelijks het hart tot Hem uit, om verkwikt te worden door de beloften des Evangelies, waarin de Heere in Jezus Christus, Zijne genadige toezeggingen heeft geschonken van „Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten". Want, 't is waar, menigmaal ligt het kind van Gods genade weer onder, onder in den strijd tegen Satan, wereld en eigen hart, onder in de zoo menigvuldige benauwenissen, onder bij de rampen des levens, bij de donkerheden en onbegrepen levensraadselen, maar die God, Die Zijn volk heiligt in Je­ zus Christus, zal het einde kronen met Zijn genadige uitkomst. „Hij doet smart aan, maar ook Hij verbindt. Hij doorwondt en Zijne handen heelen ; in zes benauwdheden zal Hij u verlossen en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren", om des lieven Zaligmakers wil, die ook de overblijvende zwakheden verzoend heeft.
Wanneer deze zalige zekerheid het hart vervult, komt ook de gewilligheid om in des Heeren weg te gaan. God heeft altijd wat te doen voor hen, die Hem in den Borg hebben leeren kennen. Ja, wat te doen, maar het kan soms zoo wonderlijk zijn.
De één mag voor Zijn dienst getuigen — de ander mag voor Zijn dienst sterven. De één mag veel goedertierenheden des Heeren in het tijdelijke leven ondervinden; de ander mag gaan op den weg der smarten, waarop alle levensidealen uitdooven. Neen, zoo wordt het niet aanstonds gezien, dat dit voorrechten zijn. 't Valt soms zoo zwaar, dien harden weg te gaan, wanneer alles bij de handen afbreekt. Doch de Heere werkt altijd op de einduitkomst, en laat daarom het treurend oog van Zijn kind soms een blik werpen in Zijn tempel, in Jeruzalem, dat boven is. En is de eenige Troost ook niet de eenige bron van kracht, om in vreemdelingschap den pelgrimsstaf weer op te nemen en gewillig te zijn in 's Heeren weg ?
We lezen hier van Jesaja : „Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide : wien zal Ik zenden ? en wie zal Ons henengaan ? Toen zeide ik : Zie, hier ben ik, zend mij henen".
Zie, hier ben ik. Dat is de vrucht des geloofs, van het ware door den Heiligen Geest gewrochte, zaligmakende geloof. Zie, hier ben ik — zoo sprak Abraham, de vader der geloovigen, toen hij geroepen werd het liefste, dat hij had, te offeren. Zie, hier ben ik, het wordt ook geleerd — al moet het hart daarbij menigmaal schreien — door hen, die zóó naar Zijn klanken hooren.
Uw macht schraagt hen in 't lijden.
Zie, hier ben ik, de Heere doe wat goed is in Zijn oogen.
Kunnen wij dit alles van harte beamen, mijne lezers ?
Geen afzondering, zonder een nauw leven voor Gods aangezicht; geen vreeze des Heeren is mogelijk, waaraan men meent te kunnen paren onwaarachtigheid in 't particuliere-, bedrijfs- of zakenleven.
Tweeslachtigheid is den heiligen God een gruwel. De twee tafels der Wet zijn niet te scheiden.
B.

J. Ch. W. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's