De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Dan is zijn besluit genomen. Met versnelden tred gaat hij naar zijn studeerkamer en na het licht te hebben ontstoken, opent hij met vaste hand de deur, welke toegang geeft tot de papieren erfenis zijner moeder. Wat zien die boekwerken er allen keurig uit. Sommige banden dragen het kenmerk van veel te zijn gebruikt. Zonder bepaalde keuze neemt hij een van deze in handen en slaat het open. Daar leest hij :
„Wij menschen zijn onsterfelijk. Vanwaar anders in ons die geneigdheid, om altijd met onze verbeelding de ontbrekende werkelijkheid aan te vullen ? Waarom bekoort een heuvelachtig oord ons meer dan een vlakke landstreek ? Waarom vinden wij meer poëzie in de avondschemering, dan in het heldere licht van de middagzon ? Hoe komt het dat wij worden aangetrokken door de tragische schoonheid van een ruïne ? Waarom bestaat het schilderachtige in de kunst vooral in gebogen lijnen ? Waarom worden wij meer aangetrokken door een gelaat, waarvan de fijne trekken ons een diepe natuur doen gissen, dan door een volmaakt stoffelijke schoonheid, waarvan wij het karakter met één blik doorzien ? Waarom is het voor ons oog een genot, zich uit te breiden tot den gezichtseinder ? Waarom willen wij de diepten der zee peilen, de zwaluwen volgen tot boven de wolken, de starren meten op hun oneindige banen in de onmetelijke ruimte ? Waarin is toch het geheim gelegen, dat bij voorkeur ons alles aantrekt, wat onvolledig is en onmetelijk, verborgen en onbereikbaar ?
Het is, omdat door dat alles aan onzen geest vrije speelruimte wordt gelaten voor alle mogelijke voorstellingen. Onze fantasie spiegelt ons de beelden voor, niet zooals zij voor ons staan, maar zooals zij wezen kunnen, zooals het ideaal zich vertoont aan onzen helderen blik. Ons hart smacht naar eenheid, naar harmonie, naar volkomenheid en wij zien die niet in het leven of in het Godsbestuur.
Onze geest zoekt naar rechtvaardigheid en waarheid en wij zien het onrecht en de logen zegevieren in deze wereld van schijn en bedrog. Ons geweten hijgt naar rust, maar de zonde en wroeging laten ons geen rust. Wij zouden een rustig plekje willen hebben voor onzen voet, een tehuis op aarde, maar wij vinden het niet.
Maar dat wij van dat alles begrip hebben, dat wij bewust zijn van het onvolledige van onzen toestand ; dat wij lijden onder onze kortzichtigheid ; dat de zonde, terwijl wij haar liefkoozen, tegelijk ons met afschuw vervult, in één woord, dat vermoeiend gevoel van onvoldaanheid over ons zei ven, dat is juist het onderpand onzer zalige erfenis, de lichtstraal van den Oneindige in ons, die dus evenmin kan sterven als Hij zelf."
Met stijgende belangstelling heeft de Jonker deze woorden gelezen. Het is alsof die schrijver zijn innerlijk leven blootlegt en hem persoonlijk kent. Hierin liggen dezelfde vragen, die hij ook honderden malen gedaan heeft; dezelfde onvoldaanheid, die hij ook immer voelde, maar met dit verschil dat hier het antwoord op al die vragen, de oplossing van die vele levensraadselen gegeven wordt, door heen te wijzen naar den Oneindige, dat is „God", in Wien dus de levensvolheid wordt gevonden.
Dat is een andere taal, dan die hij gewoon is te lezen ; hoe fier, hoe frisch, hoe gloedvol, bovenal hoe hoopvol. Dat is heel iets anders ook dan hij zich had voorgesteld te zullen vinden. Immers, hier is een man aan het woord, die blijkbaar ook niet vreemd is aan de worsteling, welke er soms in de menschelijke ziel kan plaats hebben ; die daar niet over heen redeneert, die niet met een vroom gebaar het echt menschelijke aan kant zet, maar die naar de behoefte van den menschelijken geest de oor­zaak zocht te speuren van zooveel tegenstrijdigs en tenslotte zijn rust vond in God. Zou het waar zijn, dat daar, als in de Bron van het leven, ook voor hem te vinden is wat hij zoekt ? Onwillekeurig grijpt zijn hand naar een ander boekdeel; „Heilig is de lente des levens", door prof. Weitbrecht, leest hij op den band ; dus ook afkomstig van een wetenschappelijk man.
Weer begint hij te bladeren. Daar vindt hij iets. Op een stukje stramien is een eenvoudig zijden kruis geborduurd, om als bladlegger te dienen. Zeker het werk zijner moeder. Met teederheid raakt hij het voorwerp aan en strijkt met zijn vinger over de zijde. Dan valt zijn oog op een eenvoudige aanteekening ; hier en daar is een kruisje gezet als om bijzondere aandacht te vestigen op hetgeen daar vermeld staat. En weer leest hij :
„Ja, tot over den dood draagt ons de wiekslag der jeugd. Wien het verval van lichamelijke krachten, zooals dat in den ouderdom plaats grijpt, de jeugd en de frischheid van den geest niet kan ontrooven, die heeft zijn innerlijk leven daardoor onkwetsbaar gemaakt voor den dood, want het bewijs is geleverd, dat zijn innerlijk wezen verheven is boven de wisseling en het vergaan der dingen. Niet slechts is jonkheid tot in den ouderdom en tot aan den dood zijn deel, maar zelfs de eeuwige jeugd. God is geen God der dooden, maar der levenden. Hij, met wien God eenmaal in persoonlijke gemeenschap is getreden, heeft daardoor het zegel der onsterfelijkheid ontvangen. Het voorhoofd dat door Gods vinger is aangeraakt, is geteekend met het merk der eeuwigheid, en voor dit teeken sluiten zich de poorten des doods en openen zich de deuren van het eeuwige leven. Dan wordt het avondrood van dit aardsche leven de morgenschemering van het eeuwige leven; dan worden de sneeuwvlokken, die de late herfst uitstrooit, de voorboden van een groot, zalig, heerlijk Kerstfeest!
De jongen worden moede en mat en de jongelingen struikelen, maar die op den Heere vertrouwen vernieuwen de kracht, zoodat zij opstijgen met de vleugelen van den arend.
Vlieg dan naar boven, jonge adelaar, op de hoogte woont de vrijheid !"
Getroffen blikt de Jonker op de letters voor hem, die zijn oogen schijnen te willen verslinden.
Dat is het wat hij noodig heeft. Hij, de nog jonge adelaar, die zoo gaarne omhoog wil, maar als een aangeschoten vogel zich zoo vleugellam voelde, en tot hiertoe niet wist vanwaar de krachten te krijgen om op te stijgen tot waar hij ruste vond.
(Wordt vervolgd).

door IDSARDI

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's